Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF8996

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2003
Datum publicatie
21-05-2003
Zaaknummer
01/3783 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:12, geldigheid: 2003-05-06
Algemene wet bestuursrecht 6:12, geldigheid: 2003-05-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2003/214

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

01/3783 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat te Utrecht, op bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 mei 2001, reg.nr. 2000/2516, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 25 maart 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. MOTIVERING

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad allereerst naar de aangevallen uitspraak. Hij voegt daaraan toe dat ter zitting is komen vast te staan dat thans ook gedaagde ervan uitgaat dat appellant op

24 november 1999 daadwerkelijk een aanvraag om een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet heeft gedaan.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat gedaagde bij het in beroep bestreden - op 14 november 2000 verzonden - besluit van 8 november 2000 het bezwaar van appellant van 7 september 2000 tegen het niet tijdig nemen van een besluit (op die aanvraag) terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat het bezwaarschrift onredelijk laat is ingediend.

Anders dan namens appellant is betoogd kan noch het feit dat appellant van Marokkaanse afkomst is, hij ten tijde van de indiening nog maar net achttien jaar oud was en hij niet op de hoogte was van de toepasselijke regelgeving, noch het - overigens door gedaagde met klem bestreden - gegeven dat appellant ten tijde van de aanvraag recht had op de aangevraagde uitkering, een rol spelen bij de beoordeling of het bezwaarschrift al dan niet onredelijk laat is ingediend.

De - door gedaagde weersproken - stelling dat appellant herhaaldelijk (alleen dan wel vergezeld door M. Ben Abrouk) bij het Centrum voor Werk en Inkomen is langsgegaan om te informeren naar de stand van zaken en dat hem daarbij telkens zou zijn verzekerd dat de aanvraag nog in behandeling was en hij nog even diende te wachten, vindt geen steun in de beschikbare gegevens. Anders dan aangekondigd, is Ben Abrouk bovendien noch in beroep noch in hoger beroep namens appellant als getuige opgeroepen. Dat het, zoals appellant heeft betoogd, (mede) aan gedaagde te wijten is dat niet eerder bezwaar is gemaakt, kan daarmee niet worden aanvaard.

De grond dat het besluit van 8 november 2000 niet op een deugdelijke motivering berust, treft evenmin doel. Hoewel de motivering summier is, geeft het besluit - gelezen in samenhang met het bezwaarschrift en het verhandelde tijdens de hoorzitting op 18 oktober 2000 - voldoende inzicht in de overwegingen van gedaagde om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.

De Raad stelt verder vast dat niet is gebleken dat appellant tussen 24 november 1999 en 7 september 2000 enige nadere actie heeft ondernomen. Het bezwaarschrift is pas ingediend nadat appellant zich begin september 2000 in verband met een eventuele nadere aanvraag tot mr. De Jong had gewend.

De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2003.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) P.E. Broekman.