Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF8995

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2003
Datum publicatie
21-05-2003
Zaaknummer
00/4270 NABW, 00/4272 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 2:4, geldigheid: 2003-05-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

00/4270 NABW

00/4272 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], ingeschreven in de gemeente [naam gemeente], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sneek, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp te Leeuwarden, op de in een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Leeuwarden op 23 juni 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 maart 2003, waar appellante, met bericht, niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door drs. E.C. Acda, werkzaam bij de gemeente Sneek.

II. MOTIVERING

Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante ontving vanaf 15 augustus 1997 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandwet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Op het aanvraagformulier vermeldde appellante dat zij woonachtig is op het adres [adres] te [naam gemeente].

Namens gedaagde is door de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende uitkering, zulks naar aanleiding van een melding van een leerplichtambtenaar dat de zoon van appellante niet in [naam gemeente] naar school zou gaan maar in Gauw, gemeente Wymbritseradiel, en bij zijn vader in Gauw zou wonen. In het kader van dit onderzoek zijn observaties verricht, getuigen gehoord, gegevens verzameld van onder meer het water- en energieverbruik, is een huisbezoek afgelegd en heeft appellante een verklaring afgelegd.

De bevindingen van dit onderzoek waren voor gedaagde aanleiding om bij besluit van 14 oktober 1998 het recht op bijstand van appellante met ingang van 15 augustus 1997 onder toepassing van artikel 69, derde lid, onder a, van de Abw in te trekken en de verleende bijstand, een bedrag groot f 33.099,65, op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw van appellante terug te vorderen.

Bij brief van 19 november 1998 is namens appellante verzocht haar met ingang van 31 oktober 1998 weer bijstand te verlenen. Bij besluit van 8 december 1998 heeft gedaagde dit verzoek afgewezen.

Bij besluit op bezwaar van 23 februari 1998 (besluit A) heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 14 oktober 1998 ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar artikel 63 van de Abw heeft gedaagde - kort weergegeven - overwogen dat uit het onderzoek van de sociale recherche naar voren is gekomen dat appellante gedurende de periode in geding, 15 augustus 1997 tot en met 30 oktober 1998, niet in [naam gemeente] woonachtig was.

Bij besluit van eveneens 23 februari 1999 (besluit B) heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 8 december 1998 ongegrond verklaard. Gedaagde is van oordeel, zo begrijpt de Raad dit besluit, dat de woonsituatie van appellante op de datum met ingang waarvan zij weer voor bijstandsverlening in aanmerking wenst te komen niet wezenlijk is gewijzigd ten opzichte van de situatie zoals die was voor die datum.

De rechtbank heeft het namens appellante tegen de besluiten A en B ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad overweegt het volgende.

Appellante heeft als grief aangevoerd dat bij gedaagde sprake is geweest van vooringenomenheid als bedoeld in artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht op grond waarvan de beide bestreden besluiten dienen te worden vernietigd. Van vooringenomenheid is sprake omdat naar haar mening de sociaal rechercheur, die het onderzoeksrapport heeft opgesteld waarop gedaagde zijn besluiten heeft gebaseerd, deel uitmaakte van de bezwaarschriftencommissie zodat gedaagde, aldus appellante, niet een onafhankelijk oordeel heeft kunnen geven.

De Raad overweegt hieromtrent dat de Commissie voor de Bezwaarschriften van de gemeente Sneek blijkens de gedingstukken bestaat uit een lid van het college van burgemeester en wethouder, de gemeentesecretaris alsmede de juridisch medewerker van de stafafdeling sociale zaken als ambtelijk secretaris. De door appellante bedoelde sociaal rechercheur is derhalve geen lid van die commissie.Wel is deze functionaris aanwezig geweest bij de behandeling van de bezwaarschriften tijdens de hoorzitting, doch op grond hiervan kan niet worden geoordeeld dat bij gedaagde sprake is geweest van vooringenomenheid.

De Raad overweegt voorts het volgende.

Ingevolge artikel 63, eerste lid, van de Abw bestaat recht op bijstand jegens burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 (tot 1 januari 1998 : Titel 3) van Boek 1 van het Burgerlijke Wetboek. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag waar iemand zijn woonplaats heeft te worden beantwoord aan de hand van de feitelijke omstandigheden.

Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw doet de belanghebbende op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.

Gelet op de zich onder de gedingstukken bevindende gegevens, waaronder met name de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat gedaagde er terecht vanuit is gegaan dat appellante gedurende de periode waarop besluit A ziet, 15 augustus 1997 tot en met 30 oktober 1998, niet in de gemeente [naam gemeente] woonachtig was. De Raad kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen. Hetgeen namens appellante in hoger beroep op dit punt nog is aangevoerd, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad verwijst kortheidshalve naar hetgeen namens gedaagde in zijn verweerschrift hieromtrent is vermeld en waarmee de Raad zich kan verenigen.

Gedaagde heeft derhalve terecht met toepassing van artikel 69, derde lid, onder a, van de Abw de bijstand ingetrokken. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien is de Raad niet gebleken.

Hiermee is gegeven dat tevens is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien is de Raad niet gebleken.

Inzake het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak voorzover besluit B aan de orde is, overweegt de Raad het volgende.

Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, ligt het in een geval als het onderhavige waarin een nieuwe aanvraag na een eerdere beƫindiging van bijstandsverlening voorligt, in het algemeen op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat zich sedert die beƫindiging een relevante wijziging in de omstandigheden heeft voorgedaan, in die zin dat hij thans wel voldoet aan de vereisten om voor bijstandsverlening in aanmerking te komen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat gedaagde voldoende grond had om ervan uit te gaan dat appellante op 31 oktober 1998, de datum met ingang waarvan zij weer bijstand had aangevraagd, nog steeds niet in [naam gemeente] haar woonplaats had. Appellante heeft bij die aanvraag weliswaar aangegeven dat haar zoon niet meer bij haar in [naam gemeente] woonde maar bij zijn vader in Gauw, doch zulks kan niet worden aangemerkt als een relevante wijziging in de omstandigheden nu een en ander ook al het geval was in de voorafgaande periode. Voorts zijn namens gedaagde in de periode van 9 oktober 1998 tot en met januari 1999 wederom observaties verricht en uit deze waarnemingen komt hetzelfde beeld naar voren als uit de eerder verrichte observaties. Gedaagde heeft dan ook terecht de aanvraag om bijstand van appellante afgewezen.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en

mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2003.

(get.) Th. C. van Sloten.

(get.) P.C. de Wit.