Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF8929

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2003
Datum publicatie
21-05-2003
Zaaknummer
00/6129 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 36a, geldigheid: 2003-05-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

00/6129 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 25 mei 1998 heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 18 november 1997 alsmede van 27 november 1997 gegrond verklaard, en vervolgens het dagloon in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 1 december 1997 vastgesteld op f 251,44.

De rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 1 november 2000 het door appellant ingestelde beroep tegen het bestreden besluit van 25 mei 1998 ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. E.R.M. Russel, advocaat te Groningen, op bij beroepschrift van 22 november 2000 aangevoerde gronden tegen de uitspraak van de rechtbank bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft bij schrijven van 9 april 2001 van verweer gediend.

Namens appellant heeft mr. Russel, voornoemd, bij brief van 13 september 2001 op het verweerschrift gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 20 maart 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Russel, voornoemd. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid -zoals tevoren schriftelijk is aangekondigd- niet doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

In geschil is het antwoord op de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Appellant heeft zich op 5 juli 1978 arbeidsongeschikt gemeld. Voor het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid is appellant werkzaam geweest

1. van 3 augustus 1972 tot 9 september 1977 en van 29 maart 1978 tot 6 juli 1978 bij Stichting Centraal Administratiebureau Beverwijk IJmond ten behoeve van Hoogovens;

2. van 1974 tot 5 juli 1978 in de weekenden als nachtportier bij St. Jozef Rustoord Beverwijk;

3. van 24 maart 1978 tot 16 juni 1978 via Randstad uitzendbureau bij Van Gelder Papier.

In verband met zijn arbeidsongeschiktheid heeft gedaagde aan appellant bij besluit van 2 juni 1980 met ingang van 4 juli 1979 een uitkering ingevolge de AAW en WAO toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100. Daarbij heeft gedaagde het WAO-dagloon vastgesteld op f 263,42 op grond waarvan aan appellant het maximale WAO-dagloon toekwam ten bedrage van f 230,21, omgerekend naar een zogenoemd rekendagloon ten bedrage van f 227,--.

Bij brief van 11 november 1997 is aan appellant meegedeeld dat het WAO-dagloon niet correct is vastgesteld. De reden van het herzien van het dagloon was volgens gedaagde gelegen in verkregen nieuwe gegevens waarover de uitkeringsafdeling tot dat moment niet beschikte. Gedaagde heeft appellant er op gewezen dat hij er rekening mee diende te houden dat het dagloon met ingang van 1 december 1997 zal worden gecorrigeerd. Bij besluit van 18 november 1997 heeft gedaagde appellant te kennen gegeven dat het dagloon is berekend volgens artikel 9 van de Dagloonregelen WAO waarbij is uitgegaan van het totale loon dat in het jaar voordat appellant ziek werd (het refertejaar) in de beroepen is verdiend. Gedaagde heeft vervolgens het WAO-dagloon per 4 juli 1979 vastgesteld op f 121,58. Omgerekend naar het loonpeil op de ingangsdatum van de WAO-uitkering en nadien geïndexeerd met de WAO-verhogingen tot 1 december 1997, is het WAO-dagloon per 1 december 1997 vastgesteld op f 157,60.

Blijkens een besluit van 27 november 1997 is het WAO-dagloon per 4 juli 1979 gehandhaafd doch ten aanzien van het dagloon per 1 december 1997 heeft er in de indexeringsberekening een correctie plaatsgevonden, waardoor het WAO-dagloon met ingang van laatstgenoemde datum komt op f 158,19.

Naar aanleiding van de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 18 november 1997 en 27 november 1997 heeft gedaagde bij het bestreden besluit van 25 mei 1998, de bezwaren gegrond verklaard aangezien gedaagde van mening was dat de nadere dagloonvaststellingen bij besluiten van 18 en 27 november 1997, niet correct waren vastgesteld. Het WAO-dagloon is vervolgens per 4 juli 1979 berekend op f 194,44. Gelet op de indexeringen gedurende de periode van 4 juli 1979 tot 1 december 1997 is het WAO-dagloon met ingang van 1 december 1997 f 251,44 komen te bedragen. Gedaagde heeft zich hierbij gebaseerd op artikel 14 van de WAO alsmede artikel 9 van de Dagloonregelen WAO alsmede artikel 36a, eerste lid, van de WAO.

Daarbij heeft gedaagde overwogen dat in artikel 36a, eerste lid, van de WAO is bepaald dat, onverminderd het elders in deze wet bepaalde, herziening of intrekking van het besluit tot toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering en terzake van weigering van een zodanige uitkering, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijk besluit herziet of intrekt indien, zoals bepaald is in het eerste lid, onder c, anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, waarbij gedaagde heeft opgemerkt dat dit tevens voor situaties geldt waarin als gevolg van een fout van de uitvoeringsinstelling te veel of ten onrechte is betaald.

In beroep heeft de rechtbank gedaagdes besluit bevestigd. Hierbij heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij voor eiser appellant en verweerder gedaagde gelezen dient te worden:

"Toepassing van artikel 9 van de Algemene dagloonregelen WAO betekent dat de verdiensten die in de referte-periode in alle gewoonlijk uitgeoefende beroepen zijn verkregen worden opgeteld en gedeeld door het aantal dagen waarop de verzekerde in één of meer van deze beroepen werkzaam is geweest. Indien er echter sprake is van evenredige verlaging op grond van het tweede lid van artikel 14 WAO, dan is het op grond van het dervingsbeginsel van het eerste lid van artikel 14 WAO aangewezen om voorafgaand aan de optelling voor elk beroep afzonderlijk het dagloon te berekenen, indien sprake is van een verschillende omvang in uren van de dienstbetrekkingen.

Van dit laatste is sprake in het geval van eiser. Nu verweerder zijn berekening heeft gebaseerd op laatstgenoemde methode moet het er voor worden gehouden dat het WAO-dagloon daarmee thans juist is berekend en vastgesteld.

Nu overigens de berekening op zich door eiser niet wordt betwist en zowel toepassing van artikel 9 ARID-WAO, als

artikel 10 ARID-WAO tot dezelfde uitkomst leidt (voorafgaand aan de evenredige vermindering), die niet anders zou zijn dan bij uitsluitende toepassing van artikel 14, eerste lid, WAO, acht de rechtbank het thans berekende dagloon voor WAO juist vastgesteld. (…)

Op grond van het overgangsrecht bij de Wet Boeten is met ingang van 1 augustus 1996 artikel 36a WAO van toepassing geworden op het uitkeringsrecht dat eiser daarna heeft. Dit is dus juist vastgesteld door verweerder.

De toepassing van het bepaalde in onderdeel c van het eerste lid van dit artikel leidt tot de uitkomst waartoe verweerder is gekomen.".

Appellant is van deze uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen onder aanvoering van de volgende grieven.

Namens appellant wordt bestreden dat de oorspronkelijke vaststelling van het dagloon per 4 juli 1979 ten bedrage van

f 227,-- een onjuiste was. Voorts wordt betwist dat gedaagde een juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 9 van de Dagloonregelen WAO.

Tenslotte wordt bestreden dat gedaagde bevoegd is na een periode van 20 jaar een rechtens onaantastbare dagloonbeslissing ten nadele van appellant te wijzigen, waarbij appellant opmerkt dat er sprake dient te zijn van nieuwe feiten en omstandigheden, hetgeen in casu niet het geval was. Tevens wordt aangevoerd dat artikel 36a van de WAO tevens beheerst wordt door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

De Raad beantwoordt met de rechtbank, en op de gronden die deze rechtbank heeft gebezigd, de onder de rubriek II geformuleerde vraag bevestigend.

Ook de Raad is van oordeel dat de oorspronkelijke dagloonvaststelling naar een ongemaximeerd dagloon van f 263,42, niet een juiste is. Blijkens de onder de gedingstukken bevindende berekening is door gedaagde in deze geen rekening gehouden met het feit dat appellant in twee van zijn uitgeoefende beroepen niet full-time werkzaam is geweest, hetgeen geresulteerd heeft in een te hoog vastgesteld dagloon.

Gedaagde heeft blijkens de stukken toepassing gegeven aan artikel 9, eerste lid, van de Dagloonregelen WAO, luidende: Indien de uitkeringsgerechtigde meer dan één beroep uitoefende wordt voor de vaststelling van het dagloon berekend het loon, dat hij in een jaar, aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid onmiddellijk voorafgaande, in die beroepen gemiddeld heeft genoten over in dat jaar gelegen dagen, waarop hij gedurende ten minste de voor hem normale werktijd in één of meer van die beroepen werkzaam was.

Blijkens het bestreden besluit heeft gedaagde naar het oordeel van de Raad, geen onjuiste toepassing gegeven aan het hiervoor vermelde artikel. Gedaagde heeft voor elk van de beroepen een dagloonberekening gemaakt waarbij bij elk van die beroepen in aanmerking is genomen het aantal gewerkte dagen tegen het aantal te werken dagen. Daarnevens heeft gedaagde de uitkomst van deze dagloonberekening getoetst aan het dervingsbeginsel, waarbij uitgangspunt was de totale verdiensten in het refertejaar (inclusief ziekengeld) te delen door het aantal te werken dagen, hetgeen heeft geleid tot eenzelfde uitkomst.

Voor wat betreft de namens appellant geponeerde stelling dat gedaagde niet meer bevoegd is om na 20 jaar een wijziging aan te brengen in een rechtens onaantastbare beslissing, is de Raad van oordeel dat blijkens de tekst van artikel 36a, eerste lid, van de WAO het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een besluit tot toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering herziet of intrekt indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Voornoemd artikel voorziet derhalve in een algemene regeling van herzieningsbeslissingen, ook wanneer sprake is van fouten van het uitvoeringsorgaan, zoals in onderhavig geval. Gelet op het voorgaande is de Raad dan ook van oordeel dat gedaagde bevoegd én gehouden was, om de foutieve dagloonvaststelling te herzien. Gedaagde heeft appellant bij brief van 11 november 1997 meegedeeld dat het dagloon niet juist is vastgesteld en dat appellant er rekening mee diende te houden dat dit gecorrigeerd zal worden ingaande 1 december 1997. Gelet op de beleidsregels, die naar 's Raads oordeel niet in strijd komen met enig geschreven dan wel ongeschreven rechtsregel of algemeen beginsel, die gedaagde bij de toepassing van dit artikel hanteert, overweegt de Raad dat gedaagde op juiste gronden, zonder daarbij in strijd te komen met zijn beleid, het bij het bestreden besluit per 4 juli 1979 vastgesteld dagloon van f 194,44 (per 1 december 1997 geïndexeerd tot f 251,44) heeft doen ingaan op 1 december 1997.

Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat de onder rubriek II vermelde vraag bevestigend dient te worden beantwoord. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Derhalve wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C. Schoemaker en mr. Ch. de Vrey als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2003.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A.H. Huls.