Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF8926

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2003
Datum publicatie
21-05-2003
Zaaknummer
00/6272 AW en 00/6734 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/6272 AW en 00/6734 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht, als rechtsopvolger van de raad van de gemeente Dordrecht, appellant, tevens gedaagde, hierna: het College,

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats], gedaagde, tevens appellante, hierna: betrokkene.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Zowel namens betrokkene als namens het College is op de daartoe bij (aanvullende) beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 17 november 2000 nr. 99/848, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Beide partijen hebben verweerschriften ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 13 maart 2003, waar betrokkene in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. B.A. Fijma, advocaat te Zwijndrecht. Namens het College is ter zitting verschenen mr. J.M.M.B. Maes, advocaat te `s-Hertogenbosch.

II. MOTIVERING

1. Uitgaande van de door de wetgever met de Wet dualisering gemeentebestuur (Stb. 2002, 111) beoogde wijziging in het stelsel van gemeentelijke bevoegdheden merkt de Raad in dit geding het College aan als rechtsopvolger van de raad van de gemeente Dordrecht (hierna: de gemeenteraad).

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Betrokkene was werkzaam als baliemedewerkster bij de afdeling Burgerzaken van het stadsservicecentrum van de gemeente Dordrecht. Naar aanleiding van door betrokkene geconstateerde onregelmatigheden bij de centrale kas van de afdeling Burgerzaken, waarop zij zelf de aandacht van het College heeft gevestigd, is een intern onderzoek ingesteld. Omdat dit onderzoek gegevens opleverde die het College deden vermoeden dat betrokkene zelf actief bij deze onregelmatigheden was betrokken, is haar per 10 oktober 1996 met onmiddellijke ingang de toegang tot de kantoren van het stadskantoor ontzegd.

Nadat aangifte van fraude was gedaan en het College VB Accountants een nader onderzoek had laten instellen, heeft het College aan betrokkene bij brief van 10 december 1996 meegedeeld het voornemen te hebben haar wegens zeer ernstig plichtsverzuim disciplinair te straffen met de straf van ongevraagd ontslag, en de ontzegging van de toegang met onmiddellijke ingang, in afwachting van het eventuele strafbesluit, om te zetten in schorsing in het belang van de dienst met behoud van salaris. Het College heeft betrokkenes bezwaren tegen de ontzegging van de toegang en tegen de schorsing bij besluiten van 12 december 1996 onderscheidenlijk 26 maart 1997 ongegrond verklaard. Betrokkene heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen deze twee besluiten op bezwaar.

2.2. Nadat de officier van justitie op 31 december 1996 had besloten betrokkene niet verder te vervolgen omdat er onvoldoende wettig bewijs was dat zij zich schuldig had gemaakt aan het feit waarvan zij werd verdacht, heeft het College zijn eigen onderzoek, onder handhaving van de schorsing voortgezet en tevens bezwaar gemaakt tegen het sepot. Toen bleek dat de verdenkingen jegens betrokkene uiteindelijk niet hard te maken waren, heeft het College op 27 mei 1997 het schorsingsbesluit en het voornemen tot disciplinaire bestraffing ingetrokken, waarna betrokkene op 9 september 1997 het beroep tegen de besluiten van 12 december 1996 en 26 maart 1997 inzake de ontzegging van de toegang en de schorsing heeft ingetrokken. Vervolgens heeft het College in september 1997 het bezwaar tegen het sepot ingetrokken.

2.3. Omdat het College op 27 mei 1997 tevens had bepaald dat betrokkene niet kon terugkeren in haar oude functie is, onder meer, een herplaatsingstraject gevolgd, dat uiteindelijk heeft geresulteerd in detachering van betrokkene bij de gemeente Zwijndrecht in een met haar oude functie vergelijkbare functie en een daarop volgende vaste aanstelling bij deze gemeente.

2.4. Inmiddels had betrokkenes gemachtigde bij brief van 23 september 1997 gericht aan het College, verzocht haar, op in die brief nader omschreven wijzen, volledig te rehabiliteren en haar op de in de brief omschreven gronden een immateriële schadevergoeding ter hoogte van f 100.000,- toe te kennen. Nadat de gemachtigde te kennen was gegeven dat het College niet bevoegd was om deze verzoeken in behandeling te nemen, heeft de gemachtigde bij brief van 15 april 1998, gericht aan de gemeenteraad, verzocht een schadebesluit te nemen. Bij besluit van 5 augustus 1998 is het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Bij het thans bestreden besluit van 17 augustus 1999 heeft de gemeenteraad afwijzend beslist op het bezwaar tegen die afwijzing.

2.5. Op 11 januari 1999 had het College zich bereid verklaard de kosten van juridische bijstand over de periode mei 1997 tot 1 januari 1999 te vergoeden, als onderdeel van een definitieve minnelijke regeling, welke evenwel niet tot stand is gekomen. Voorts had het College zich op 17 augustus 1999 bereid verklaard de kosten van een vakantie van betrokkene in Suriname te vergoeden.

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven en de gemeenteraad veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van f 1.420,- en bepaald dat de gemeenteraad het betaalde griffierecht ten bedrage van f 225,- vergoedt. De gegrondverklaring van het beroep berust op de overweging dat uit de overwegingen van het bestreden besluit blijkt dat het College impliciet de onrechtmatigheid van het schorsingsbesluit heeft aangenomen. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen in stand gelaten, overwegend dat het schorsingsbesluit, als gevolg van de intrekking van het beroep dat betrokkene terzake had ingesteld, formele rechtskracht heeft verkregen en derhalve als rechtmatig moet worden aangemerkt.

4. Het College vecht de aangevallen uitspraak aan voor wat betreft de gegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit en de vernietiging van dat besluit. Betrokkene vecht de aangevallen uitspraak aan voor wat betreft de instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit en de hoogte van de proceskostenveroordeling.

5. Met betrekking tot het hoger beroep van het College overweegt de Raad als volgt.

5. l. De Raad stelt vast dat de grondslag van betrokkenes verzoek om schadevergoeding is gelegen in beweerdelijk onrechtmatige besluiten en beweerdelijk onrechtmatig handelen van haar werkgever. Op grond van artikel 2:1 van de Basisregeling Arbeidsvoorwaarden van de gemeente Dordrecht geschiedt de aanstelling door burgemeester en wethouders. Het College is derhalve als bevoegd gezag/werkgever aan te merken.

Naar het oordeel van de Raad was het College dan ook het terzake van de schadevergoeding voor eigen onrechtmatig handelen bevoegde bestuursorgaan. Nu het bestreden besluit door de gemeenteraad is genomen, is het afkomstig van een onbevoegd bestuursorgaan en kan het reeds om die reden niet in stand blijven.

5.2. De Raad kan de rechtbank niet volgen in haar oordeel dat uit de overwegingen van het bestreden besluit valt af te leiden dat het College impliciet de onrechtmatigheid van het schorsingsbesluit heeft aangenomen. Reeds daarom kon het bestreden besluit niet op die grond worden vernietigd.

5.3. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voorzover door het College aangevochten moet worden bevestigd, zij het op andere gronden, en wel in dier voege dat alsnog dient te worden bepaald dat de rechtbank niet de gemeenteraad, maar het College veroordeelt in de proceskosten ten bedrage van f 1.420,- (thans: € 644,37).

6. Naar aanleiding van het hoger beroep van betrokkene moet de Raad de vraag beantwoorden of de rechtbank terecht bepaald heeft dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.

6.1. In het bevoegdheidsgebrek van het bestreden besluit ziet de Raad geen aanleiding die vraag ontkennend te beantwoorden, nu het bestreden besluit geheel overeenstemt met het advies dat het College over het bezwaar aan de gemeenteraad heeft uitgebracht en derhalve kan worden aangenomen dat het College inhoudelijk tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. Daarom zal de Raad bezien of het bestreden besluit inhoudelijk bezien in overeenstemming met het recht is.

6.2. De bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering om aan betrokkene immateriële schadevergoeding toe te kennen heeft betrekking op door betrokkene gestelde onrechtmatige gedragingen van het College. Derhalve zal in de eerste plaats moeten worden bezien of enig onrechtmatig handelen van het College valt aan te wijzen, dat grondslag kan vormen voor een aanspraak van betrokkene op schadevergoeding. Daarbij heeft, conform de vaste jurisprudentie van de Raad, te gelden dat besluiten of andere handelingen die in rechte vaststaan als rechtmatig zijn aan te merken, tenzij het College alsnog erkent dat die besluiten of handelingen onrechtmatig zijn.

6.3. Het aan de gemeenteraad gerichte verzoek om schadevergoeding was gebaseerd op de stelling dat de ontzegging van de toegang van betrokkene tot de kantoren in het stadskantoor, de daarop volgende schorsing van betrokkene en het bezwaar dat het College tegen het in 2.2. bedoelde sepot heeft gemaakt, onrechtmatig waren.

6.3.1. De Raad stelt vast dat betrokkene de beroepen tegen de besluiten van 12 december 1996 en 26 maart 1997 - waarbij de bezwaren tegen de ontzegging van de toegang en de schorsing ongegrond waren verklaard - op 9 september 1997 heeft ingetrokken. Daarmee zijn die besluiten in rechte komen vast te staan, zodat ze rechtmatig zijn, tenzij zou blijken dat het College de onrechtmatigheid van die besluiten heeft erkend of betrokkene niet kan worden tegengeworpen dat zij die beroepen heeft ingetrokken.

6.3.2. In de beëindiging op 27 mei 1997 van de schorsing, de intrekking van het voornemen tot disciplinaire bestraffing noch in de intrekking in september 1997 van het bezwaar tegen het sepot, kan de Raad een dergelijke erkenning zien. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat een en ander heeft plaatsgevonden omdat uit het (nadere) onderzoek van het College was gebleken dat de verdenkingen jegens betrokkene niet voldoende hard te maken vielen. Ook de enkele omstandigheid dat het College zich bereid heeft verklaard door betrokkene gemaakte kosten inzake juridische bijstand en inzake een vakantie te vergoeden, betekent niet dat het College daarmee heeft erkend dat de ontzegging van de toegang, de schorsing of het bezwaar van het College tegen het sepot onrechtmatig waren.

6.3.3. Evenmin vermag de Raad in te zien, gegeven de betrokkenheid van betrokkene bij de geconstateerde onregelmatigheden, dat het instellen van bezwaar tegen het sepot desalniettemin als onrechtmatig kan worden aangemerkt.

6.3.4. Voorts ziet de Raad geen grond te oordelen dat de in 6.3.1. bedoelde intrekking van haar beroepen niet aan betrokkene kan worden tegengeworpen.

6.4. De gemachtigde van betrokkene stelt in het hoger beroepschrift dat er nog meer redenen voor schadevergoeding zijn. Hij betoogt dat betrokkene diverse toezeggingen zijn gedaan - terugkeer naar haar eigen functie, een plaats bij de drukkerij en de vergoeding van de advocaatkosten - die (nog steeds) niet zijn waargemaakt. Ook dat acht hij onrechtmatig. De Raad wijst er op - zoals ter zitting namens betrokkene ook is beaamd - dat deze grieven buiten de omvang van het geding vallen, nu het op 15 april 1998 ingediende verzoek om schadevergoeding geen betrekking had op (het gestelde niet honoreren van) bedoelde toezeggingen.

6.5. Nu niet is gebleken dat het handelen van het College waarop dat verzoek ziet onrechtmatig is, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit inhoudelijk in overeenstemming met het recht is. De rechtbank heeft dan ook terecht bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Ook in zoverre moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

6.6. De gemachtigde van betrokkene heeft tenslotte nog betoogd dat de rechtbank in beroep ten onrechte de vordering tot volledige betaling van betrokkenes proceskosten niet heeft toegewezen.

6.6.1. De Raad merkt dienaangaande op dat de in de aangevallen uitspraak opgenomen veroordeling in betrokkenes proceskosten ten bedrage van f 1.420,- berust op artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De hoogte van dat bedrag is in overeenstemming met het ter uitvoering van bedoeld artikel gegeven Besluit proceskosten bestuursrecht. De toepasselijke voorschriften lieten niet een veroordeling tot een hoger bedrag toe. Derhalve dient de aangevallen uitspraak ook in zoverre te worden bevestigd.

7. Nu de Raad geen aanleiding ziet om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb, is beslist als hierna vermeld.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat de veroordeling in de proceskosten van f 1.420,- (thans € 644,37) als bedoeld in die uitspraak niet op naam van de gemeenteraad, maar op naam van het College dient te staan, waarbij die kosten door de gemeente Dordrecht dienen te worden betaald aan de griffier van de rechtbank;

Bepaalt dat van de gemeente Dordrecht een griffierecht van € 348,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 april 2003.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.