Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF8925

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2003
Datum publicatie
21-05-2003
Zaaknummer
01/1744 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2003-05-08
Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel 6, geldigheid: 2003-05-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

01/1744 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 23 februari 2001, nr. AWB 99/2366 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 27 maart 2003, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door

mr. C. van den Berg, werkzaam bij UWV-USZO. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M. Velsink, advocaat te Haarlem.

II. MOTIVERING

1. De Raad gaat uit van de volgende, als vaststaand aangenomen, gegevens.

1.1. Aan gedaagde is per 1 augustus 1975 ontslag verleend uit zijn functie van leraar bij [de school te D.]. Ter zake van ongeschiktheid voor het vervullen van die functie is hem per 1 maart 1983 een invaliditeitspensioen toegekend, dat per

1 januari 1996 is omgezet in een WAO-conforme uitkering naar een mate van arbeidsongeschikt-heid van 80-100%.

1.2. Van 1 augustus 1976 tot 1 augustus 1979 heeft gedaagde part-time gewerkt [bij de school F. te X.]. In verband met de beëindiging van deze dienstbetrekking is hem met ingang van laatstgenoemde datum een ontslaguitkering ("lange uitkering") voor de duur van zes maanden toegekend op grond van het toenmalige Rechtspositiebesluit WVO (Rpb). De betaling van deze ontslaguitkering is evenwel met toepassing van artikel 1-H21 van het Rpb opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover gedaagde aanspraak heeft op een uitkering wegens ziekte op grond van artikel 1-E19 van het Rpb. Laatstbedoelde uitkering is per 1 januari 1981 omgezet in een uitkering overeenkomstig de normen van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De inkomsten uit deze uitkering komen in mindering op de uitkering uit hoofde van de voormalige dienstbetrekking bij het Pius-X-College.

1.3. Met ingang van 1 maart 1994 is het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoek-personeel (BWOO) in werking getreden. Ingevolge het overgangsrecht neergelegd in artikel II, is artikel 6, eerste lid, van het BWOO met ingang van

1 januari 1996 van toepassing geworden op de ontslaguitkering van gedaagde. Bij besluit van 21 januari 1996, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 9 februari 1999, heeft appellant met toepassing van dit artikellid de ontslaguitkering per 1 januari 1996 beëindigd.

1.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van gedaagde gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Daartoe heeft zij in hoofdzaak overwogen dat artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van het BWOO weliswaar met zich brengt dat de ontslaguitkering wegens het ontvangen van de WAO-conforme uitkering per 1 januari 1996 moet worden beëindigd, maar dat strikte toepassing van die wettelijke bepaling geen rechtsplicht meer kan zijn in de uitzonderlijke situatie waarin gedaagde verkeert. Daarmee doelde de rechtbank op de omstandigheid dat de beëindigde ontslaguitkering, welke nimmer tot uitbetaling is gekomen, sedert haar toekenning wel de grondslag vormde voor de opbouw van pensioenrechten. Naar het oordeel van de rechtbank mocht gedaagde erop vertrouwen dat deze opbouw zou worden voortgezet.

2. Niet in geschil is, dat artikel 6, eerste lid, van het BWOO op zichzelf tot beëindiging van de ontslaguitkering van gedaagde verplicht. Het geding in hoger beroep spitst zich toe op het oordeel van de rechtbank dat gedaagde terecht heeft betoogd dat dit artikellid in zijn specifieke geval buiten toepassing moet blijven. Appellant acht de aangevallen uitspraak op dit punt onjuist en in strijd met de terughoudendheid die de bestuursrechter, gezien zijn positie in ons staatsbestel, bij de beoordeling van de inhoud van algemeen verbindende voorschriften past.

2.1. De Raad overweegt dienaangaande dat gedaagde behoort tot de categorie van "bestaande gevallen" wier uitkering per

1 januari 1996 onder de werking van de anti-cumulatiebepalingen van het BWOO is gebracht. In het geval van gedaagde gaat het om een ontslaguitkering die sedert haar toekenning heeft gesluimerd, dat wil zeggen niet tot uitbetaling is gekomen omdat reeds een uitkering wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid werd ontvangen. In het stelsel van het BWOO is naast een uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid geen plaats voor een ontslaguitkering, overigens onverminderd de mogelijkheid van herleven van de ontslaguitkering indien de omstandigheid die tot de beëindiging heeft geleid ophoudt te bestaan. Het beëindigen van een ontslaguitkering als de onderhavige moet dan ook worden gerekend tot de gevolgen die de materiële wetgever bij het invoeren van het BWOO uitdrukkelijk voor ogen hebben gestaan.

2.2. Het geval van gedaagde is in zoverre bijzonder dat de ontslaguitkering een ongebruikelijk lange tijd - vanaf de toekenning per 1 augustus 1979 - heeft gesluimerd en, naar gedaagde aan de hand van een door het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds opgestelde pensioenvergelijking heeft betoogd, gedurende die gehele periode tot een zelfstandige opbouw van pensioenrechten heeft geleid. Dat zulk een opbouw heeft plaatsgevonden, is door appellant (eerst) ter zitting van de Raad alsnog bestreden. Doch wat daarvan zij, zelfs indien inderdaad van opbouw van pensioenrechten sprake is geweest, ligt de beëindiging daarvan naar het oordeel van de Raad zozeer in de lijn van hetgeen met de invoering van het BWOO is beoogd dat daarin geen grond kan worden gevonden om strikte toepassing van de in het BWOO gegeven voorschriften achterwege te laten. Dat de materiële wetgever aldus een ontoelaatbare inbreuk op de rechtszekerheid heeft gemaakt, kan evenmin worden staande gehouden. Onmiddellijker en ingrijpender nadeel voor de inkomenspositie van uitkeringsgerechtigden ten gevolge van de invoering van het BWOO heeft in het verleden 's Raads toetsing reeds doorstaan (CRvB 8 april 1999, TAR 1999, 87). Van feiten of omstandigheden waaraan gedaagde rechtens het vertrouwen mocht ontlenen dat verandering van regelgeving voor zijn pensioenopbouw geen gevolgen zou hebben, is niet gebleken.

2.3. De aangevallen uitspraak kan derhalve niet in stand blijven. Het inleidend beroep dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2003.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) M. Pijper.