Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF8923

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2003
Datum publicatie
21-05-2003
Zaaknummer
01/1473 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 2003-05-15
Wet dualisering gemeentebestuur, geldigheid: 2003-05-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2003/155

Uitspraak

01/1473 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeewolde, als rechtsopvolger van de Raad der gemeente Zeewolde, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellante heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 23 januari 2001, nr. AWB 99/5460, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 maart 2003, waar appellante in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.P. de Boer, werkzaam bij CAPRA.

II. MOTIVERING

1. Uitgaande van de door de wetgever met de Wet dualisering gemeentebestuur (Stb. 2002, 111) beoogde wijziging in het stelsel van gemeentelijke bevoegdheden, merkt de Raad in dit geding het College van burgemeester en wethouders aan als rechtsopvolger van de raad der gemeente. In deze uitspraak wordt waar nodig de raad der gemeente mede als gedaagde aangeduid.

2. De Raad gaat uit van de volgende, als vaststaand aangenomen gegevens.

2.1. Appellante was werkzaam bij de sociale dienst van de gemeente Zeewolde. Eind januari 1996 heeft zij, om met het werk verband houdende redenen, het gemeentehuis verlaten en zich ziek gemeld. Nadat overeenstemming was bereikt omtrent een regeling voor beëindiging van het dienstverband, waarbij is afgesproken dat de thans door appellante verlangde schadevergoeding buiten beschouwing werd gelaten, is appellante met ingang van 1 december 1998 eervol ontslagen.

2.2. Bij brief van 15 oktober 1998 heeft appellante zich tot de gemeenteraad gewend met het verzoek om vergoeding van de schade die zij heeft geleden doordat, naar zij stelt, tijdens haar gedwongen non-activiteit onder verantwoordelijkheid van gedaagde een aantal van haar persoonlijke eigendommen is vernietigd. Daartoe behoorden onder meer een deel van een kattenverzameling (beeldjes en afbeeldingen van katten), een telmachine met papierstrook en een reeks naslagwerken.

2.3. Bij besluit van 26 november 1998 heeft de gemeenteraad het verzoek om schadevergoeding afgewezen op grond van de overweging dat de door appellante bedoelde eigendommen zijn verwijderd door een destijds bij de gemeente tewerkgestelde interimfunctionaris, voor wiens gedrag de gemeente geen enkele aansprakelijkheid behoeft te aanvaarden. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

2.4. Bij het bestreden besluit van 28 mei 1999, door de gemeenteraad bekrachtigd bij besluit van 26 oktober 2000, heeft gedaagde het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft gedaagde, onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 19 november 1998 (AB 1999, 103), overwogen dat het verzoek van appellante betrekking heeft op zaken waarvan zij zelf eigenaar is gebleven en die door haar in die hoedanigheid in het gemeentehuis waren ondergebracht, zodat het verzoek van appellante niet was gericht op handelingen in het kader van de tussen haar en het gemeentebestuur bestaande dienstverhouding en appellante bij die handelingen niet in haar rechtspositie als ambtenaar was betrokken.

2.5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit, als zijnde door gedaagde onbevoegdelijk genomen, vernietigd onder bepaling dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens heeft de rechtbank een bepaling omtrent het griffierecht gegeven.

3. Ten aanzien van de omvang van het geding overweegt de Raad als volgt.

3.1. Het hoger beroep is gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het besluit waarbij het bezwaar van appellante tegen de weigering van schadevergoeding niet-ontvankelijk is verklaard.

3.2. In beroep bij de rechtbank heeft appellante tevens geklaagd over het uitblijven van een beslissing van gedaagde omtrent de voldoening van een haars inziens nog openstaande salarisvordering. De Raad is van oordeel dat deze kwestie terecht door de rechtbank buiten beschouwing is gelaten, nu in zoverre eerst bezwaar bij gedaagde openstond en ter zitting van de rechtbank was gebleken dat appellante inmiddels bij gedaagde een bezwaarschrift had ingediend, waarna was afgesproken de zaak via een bindend advies door een deskundige te laten beslechten. Ook in hoger beroep kan de salarisvordering dus niet aan de orde komen. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van gedaagde overigens toegezegd dat appellante binnen acht weken antwoord krijgt op hetgeen zij met betrekking tot de salarisvordering heeft gesteld in haar brief van 24 februari 2003.

3.3. Appellante heeft de Raad verzocht, zo mogelijk mede te oordelen over de weigering van een arbeidsongeschiktheidsuitkering over de periode 1 september 2001 tot 12 februari 2002. Ook deze zaak valt echter buiten de omvang van het onderhavige geding. Gebleken is dat ter zake op 23 januari 2003 een beslissing op bezwaar is genomen. Appellante heeft ter zitting meegedeeld dat daartegen inmiddels beroep is ingesteld bij de rechtbank.

4. Met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van appellante tegen de weigering van schadevergoeding overweegt de Raad het volgende.

4.1. Appellante heeft verzocht om vergoeding van schade die beweerdelijk onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag is toegebracht aan persoonlijke eigendommen die zich op haar werkplek in het gemeentehuis bevonden. Naar het oordeel van de Raad wordt met zulk een verzoek, afkomstig van een ambtenaar, in beginsel niet getreden buiten de grenzen van de ambtelijke dienstverhouding. Bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld gelegen in de aard van de betrokken zaken of in het ontbreken van enig (direct of indirect) verband met de uitoefening van de werkzaamheden, kunnen dit anders maken. Daarvan is hier echter niet gebleken; het gaat om zaken waarvan de aanwezigheid op de werkplek niet als ongebruikelijk kan worden aangemerkt. In zoverre verschilt het geval van appellante van de situatie welke aan de orde was in de uitspraak van 19 november 1998.

4.2. Geoordeeld moet dan ook worden dat de beslissing op het verzoek van appellante binnen de ambtenaarrechtelijke rechtsbetrekking is genomen en aldus een publiekrechtelijke rechtshandeling behelst. Die beslissing is derhalve een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en - na bezwaar - vatbaar voor beroep bij de ambtenarenrechter.

4.3. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank - wat er zij van de daartoe gebezigde gronden - terecht het bestreden besluit heeft vernietigd, doch ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Op dit punt komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Er dient alsnog een inhoudelijke beslissing op het bezwaar van appellante te worden genomen.

5. Met het oog op de nieuw te nemen beslissing overweegt de Raad, ter voorlichting van partijen, het volgende.

5.1. Het inleidende verzoek, zoals onder 4.1 nader omschreven, strekt tot vergoeding van beweerdelijk aan het bevoegd gezag toe te rekenen schade, waarvoor een grondslag in een uitdrukkelijk wettelijk voorschrift ontbreekt. De bevoegdheid tot het nemen van de beslissing op zulk een verzoek om schadevergoeding berust bij het College van burgemeester en wethouders, dat immers - ook na de invoering van de dualisering van het gemeentebestuur - het bevoegde bestuursorgaan is inzake aanstelling, ontslag en andere belangrijke onderdelen van de rechtspositie van een ambtenaar zoals (voorheen) appellante. De Raad wijst in dit verband bijvoorbeeld op zijn uitspraak van 28 mei 1998 (TAR 1998, 132). De nieuwe beslissing op bezwaar dient derhalve door het College van burgemeester en wethouders te worden genomen.

5.2. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, acht hij een bestuursorgaan gehouden tot vergoeding aan de ambtenaar van schade die een gevolg is van een aan het bestuursorgaan toe te rekenen optreden van een ander indien - en hier zoekt de Raad aansluiting bij het in artikel 6:170 van het Burgerlijk Wetboek tot uitdrukking gebrachte beginsel inzake aansprakelijkheid voor ondergeschikten - deze schade is veroorzaakt door een als een onrechtmatige gedraging aan te merken fout van een onder de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan of van een ander tot de betrokken rechtspersoon behorend bestuursorgaan werkzame persoon, indien de kans op de fout is vergroot door de taakopdracht aan die persoon en indien het bestuursorgaan of het andere tot bedoelde rechtspersoon behorend bestuursorgaan zeggenschap had over de gedragingen waarin de fout was gelegen (zie CRvB 25 oktober 2001, TAR 2002, 21).

5.3. Op grond van de thans bekende gegevens kan niet worden staande gehouden dat, zoals in het primaire besluit is gesteld, het gemeentebestuur geen enkele aansprakelijkheid behoeft te aanvaarden voor het gedrag van de interimfunctionaris. Deze was weliswaar in dienst bij een extern bureau en niet bij de gemeente, maar dit neemt niet weg dat hij door het bevoegd gezag was geplaatst in een leidinggevende positie binnen de gemeentelijke organisatie en dat zijn feitelijk optreden jegens (de eigendommen van) appellante in dat kader plaatsvond. Vooralsnog is aannemelijk dat dit optreden in beginsel aan het bevoegd gezag valt toe te rekenen en dat ook overigens aan de onder 5.2 omschreven maatstaf voor aansprakelijkheid is voldaan.

5.4. De stukken, waaronder een verklaring van de gemeentesecretaris, laten voldoende duidelijk zien dat het handelen van de interimfunctionaris, zo dit al niet op vernietiging van de eigendommen van appellante was gericht, in ieder geval de kans op verlies of beschadiging daarvan aanzienlijk heeft vergroot. Van enige dringende noodzaak daartoe is niet gebleken. Dat sprake was van een arbeidsconflict tussen appellante en het bevoegd gezag, waarin de interimfunctionaris blijkbaar een rol speelde, had juist aanleiding behoren te zijn voor extra zorgvuldigheid in de omgang met appellantes bezittingen. Daarvan uitgaande is zonder nadere motivering niet in te zien dat de weigering van enige schadeloosstelling onverkort kan worden gehandhaafd.

5.5. Gelet op hetgeen omtrent de aard van de verloren gegane eigendommen naar voren is gekomen, acht de Raad evenwel de door appellante gevraagde schadeloosstelling van f 7.500,-- (thans € 3.403,36) vooralsnog buitensporig hoog. Appellante dient haar stellingen op dit punt nader te onderbouwen of aan te passen.

6. De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot € 12,54 aan reiskosten in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

Bepaalt dat het College van burgemeester en wethouders een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 12,54, te betalen door de gemeente Zeewolde;

Bepaalt dat de gemeente Zeewolde aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van € 154,29 (voorheen f 340,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2003.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

Q