Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF8845

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2003
Datum publicatie
19-05-2003
Zaaknummer
00/6145 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onjuiste interingsberekening. Bij wijze van afkoopsom ineens ontvangen ouderdomspensioen dient in aanmerking te worden genomen naar de periode waarop zij geacht wordt betrekking te hebben.

Afwijzing aanvraag om aanvullende bijstand. Appellante heeft recht op een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet. Ook is haar een ouderdomspensioen toegekend van f 303,24 bruto per jaar, welk pensioen zij ontvangt in de vorm van een bedrag ineens van netto f 3.278,01. Na ontvangst van dit bedrag heeft appellante bij gedaagde een aanvraag ingediend om aanvullende bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Gedaagde heeft deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellante door middel van afkoop van haar pensioen beschikt over voldoende inkomen voor de voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en pas aanspraak kan maken op een uitkering na een periode van 15 maanden.

De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de door appellante bij wijze van afkoopsom ontvangen middelen naar hun aard overeenkomen met inkomsten in verband met arbeid en voorts betrekking hebben op de periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, zodat sprake is van inkomen als bedoeld in art. 47.1 onder a en b Abw. Uit de wetsgeschiedenis van dit artikel komt in dit verband naar voren dat middelen die over het algemeen periodiek worden ontvangen kunnen worden ingezet voor de voorziening in het levensonderhoud, waarop de bijstand slechts hoeft aan te vullen en dat ook eenmalig ontvangen inkomens die naar hun aard hiermee overeenkomen als inkomen in aanmerking dienen te worden genomen.

Gedaagde stelt zich op het standpunt dat appellante de afkoopsom geheel moet interen alvorens voor aanvullende bijstand in aanmerking te komen, en heeft daartoe berekend gedurende welke periode appellante het verschil tussen de voor haar geldende bijstandsnorm en haar AOW-pensioen zou kunnen suppleren uit de door haar ontvangen afkoopsom. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde met deze interingsberekening, waarbij de theoretische aanspraak op aanvullende bijstand als uitgangspunt wordt genomen bij de toerekening van het ouderdomspensioen, miskend dat sprake is van inkomsten welke ingevolge art. 47.1 Abw in aanmerking worden genomen naar de periode waarop zij geacht moeten worden betrekking te hebben. Dit betekent dat bij de beantwoording van de vraag of en zo ja, tot welk bedrag het door appellante ineens ontvangen ouderdomspensioen bij de beoordeling van de aanspraken op aanvullende bijstand in aanmerking moeten worden genomen, moet worden vastgesteld voor welke periode dit pensioen geacht moet worden bestemd te zijn. De Raad acht het redelijk om bij die vaststelling uit te gaan van de gemiddelde levensverwachting van de groep personen van 65 jaar, waartoe appellante bij de aanvang van haar aanspraak op pensioen behoorde. Deze levensverwachting kan blijkens de overlevingstafels 1998 van het Centraal Bureau voor de Statistiek voor vrouwen van 65 jaar op ongeveer 19 jaar worden gesteld. Hoger beroep gegrond.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, gedaagde.

mrs. G.A.J. van der Hurk, N.J. van Vulpen-Grootjans; A.W.M.Bijloos

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 47, geldigheid: 2003-05-13
Algemene bijstandswet 47, geldigheid: 2003-05-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2003/200
RSV 2003, 180
JABW 2003, 169

Uitspraak

00/6145 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante heeft mr. J.W. van der Pauw, sociaal raadsman te Almere, op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zwolle op 18 oktober 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 1 april 2003, waar voor appellante is verschenen mr. Van der Pauw, terwijl voor gedaagde is verschenen mr. P.C. Versneij, werkzaam bij de gemeente Almere.

II. MOTIVERING

Appellante heeft in verband met het bereiken van de leeftijd van 65 jaar met ingang van mei 1999 recht op een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Met ingang van dezelfde datum is haar een ouderdomspensioen van het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaalindustrie toegekend van f 303,24 bruto per jaar, welk pensioen zij gezien het geringe bedrag overeenkomstig het pensioenreglement ontvangt in de vorm van een bedrag ineens van netto f 3.278,01. Dit bedrag is eind mei 1999 aan haar uitbetaald. Op 18 juni 1999 heeft appellante bij gedaagde een aanvraag ingediend om aanvullende bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Bij besluit van 26 augustus 1999 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellante door middel van afkoop van haar pensioen beschikt over voldoende inkomen voor de voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en pas aan-spraak kan maken op een uitkering na een periode van 15 maanden. Gedaagde heeft het namens appellante tegen het besluit van 26 augustus 1999 gemaakte bezwaar bij besluit van 6 december 1999 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het namens appellante tegen het besluit van 6 december 1999 inge-stelde beroep ongegrond verklaard. Zij kon zich blijkens de aangevallen uitspraak verenigen met het standpunt van gedaagde dat de afkoopsom die appellante heeft ontvangen dient te worden aangemerkt als inkomsten als bedoeld in artikel 47 van de Abw en dat deze inkomsten dienen te worden toegerekend aan een periode van 15 maanden te rekenen vanaf de maand mei 1999.

In hoger beroep is dit oordeel namens appellante gemotiveerd bestreden.

De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de door appellante bij wijze van afkoopsom van het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaalindustrie ontvangen middelen naar hun aard overeenkomen met inkomsten in verband met arbeid en voorts betrekking hebben op de periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, zodat sprake is van inkomen als bedoeld in artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Abw. Uit de wetsgeschiedenis van dit artikel komt in dit verband naar voren dat middelen die over het algemeen periodiek worden ontvangen kunnen worden ingezet voor de voorziening in het levensonderhoud, waarop de bijstand slechts hoeft aan te vullen en dat ook eenmalig ontvangen inkomens die naar hun aard hiermee overeenkomen als inkomen in aan-merking dienen te worden genomen.

Aangezien het inkomen dient te worden toegerekend aan de periode waarop dit betrek-king heeft, maakt het geen verschil dat appellante de afkoopsom al heeft ontvangen voor de datum waarop zij om aanvullende bijstand heeft verzocht.

Gedaagde stelt zich blijkens het besluit van 6 december 1999 op het standpunt dat appel-lante de afkoopsom geheel moet interen alvorens voor aanvullende bijstand in aan-merking te komen, en heeft daartoe berekend gedurende welke periode appellante het verschil tussen de voor haar geldende bijstandsnorm en haar AOW-pensioen zou kunnen suppleren uit de door haar ontvangen afkoopsom. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde met deze interingsberekening, waarbij de theoretische aanspraak op aanvul-lende bijstand als uitgangspunt wordt genomen bij de toerekening van het ouderdoms-pensioen, miskend dat sprake is van inkomsten welke ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Abw in aanmerking worden genomen naar de periode waarop zij geacht moeten worden betrekking te hebben. Dit betekent dat bij de beantwoording van de vraag of en zo ja, tot welk bedrag het door appellante ineens ontvangen ouderdomspensioen bij de beoordeling van de aanspraken op aanvullende bijstand in aanmerking moeten worden genomen, moet worden vastgesteld voor welke periode dit pensioen geacht moet worden bestemd te zijn. De Raad acht het redelijk om bij die vaststelling uit te gaan van de gemiddelde levensverwachting van de groep personen van 65 jaar, waartoe appellante bij de aanvang van haar aanspraak op pensioen behoorde. Deze levensverwachting kan blijkens de overlevingstafels 1998 van het Centraal Bureau voor de Statistiek voor vrouwen van 65 jaar op ongeveer 19 jaar worden gesteld.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het besluit van 6 december 2000 dient te worden vernietigd wegens strijd met de wet. De aangevallen uitspraak komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. Gedaagde zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

Appellante heeft verzocht gedaagde te veroordelen in de door haar geleden vertragings-schade ex artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Aangezien het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met de wet en gedaagde een nader besluit op bezwaar dient te nemen, ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade uit te spreken, omdat nog niet vaststaat hoe het nader besluit zal gaan luiden. Gedaagde zal bij het nemen van een nadere besluit tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om renteschade te vergoeden.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante, aangezien gebleken is dat zij voor de dienstverlening door haar gemachtigde geen kosten verschuldigd is.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 6 december 1999 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Almere aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal

€ 104,37 (f 230,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2003.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.

GdJ

154