Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF8636

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2003
Datum publicatie
14-05-2003
Zaaknummer
01/5334 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/5334 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 31 augustus 2001, kenmerk JZ/F/2001/580, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met dit besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 16 november 2002 heeft eiseres de gronden van haar beroep nader toegelicht.

Het geding is, gevoegd met het geding tussen partijen onder nr. 01/5336 WUV, behandeld ter zitting van de Raad op 6 december 2002. Aldaar is eiseres, zoals tevoren is bericht, niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiseres, geboren in 1936 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in mei 2000 bij verweerster een aanvraag ingediend, primair ertoe strekkend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Deze aanvraag heeft eiseres gebaseerd op lichamelijke en psychische klachten, die naar haar mening een gevolg zijn van haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.

Verweerster heeft de aanvraag van eiseres afgewezen bij besluit van 27 februari 2001, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat ten aanzien van eiseres niet is voldaan aan de ingevolge de Wet geldende eis dat sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel tengevolge van de ondervonden oorlogscalamiteiten, leidend tot blijvende invaliditeit. Daarbij heeft verweerster zich verenigd met de adviezen van haar geneeskundig adviseurs, inhoudende dat de lichamelijke klachten van eiseres - met name maagklachten, rug- en beenklachten alsmede arm- en handklachten - duidelijk uit andere oorzaken dan haar oorlogservaringen zijn ontstaan, terwijl uit het ingestelde onderzoek geen psychopathologie naar voren is gekomen dan wel van in aanmerking te nemen beperkingen op dit vlak.

In beroep heeft eiseres de juistheid van verweersters opvattingen betwist, onder verwijzing naar (de gegevens omtrent) haar arbeidsongeschiktverklaring in 1986 en naar de omstandigheid dat haar zusters - die hetzelfde hebben meegemaakt - wel een uitkering ontvangen als oorlogsgetroffene.

Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Blijkens de gedingstukken is het standpunt van verweerster in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, de artsen P. Windels en I.P.L. Koperberg. Die adviezen zijn tot stand gekomen op basis van een door de verzekeringsarts E.C. Wijnvoord op 26 januari 2001 ingesteld medisch onderzoek van eiseres, alsmede op basis van door de eiseres behandelend artsen verstrekte medische informatie en van medische informatie omtrent de arbeidsongeschiktheid van eiseres, verkregen van Cadans.

Geconcludeerd is dat de actuele arm- en handklachten, die al in 1985 zijn begonnen en inmiddels door adequate behandeling zijn verbeterd, grotendeels moeten worden toegeschreven aan niet-causale somatische componenten, waaronder met name de bij eiseres vastgestelde artrose aan nek en vingers, en dat een duidelijke psychiatrische verklaring uit de gegevens niet is te destilleren. Ook overigens is geen psychopathologie gebleken en is een adequaat psychosociaal functioneren vastgesteld.

Verder is geen aanwijzing gevonden dat een door eiseres vermelde val op een zinken plaat na mishandeling door een Japanner, indien aannemelijk, ten grondslag kan liggen aan haar been- en rugklachten. De maagklachten ten slotte zijn toegeschreven aan een aangeboren zwakte van het middenrif.

De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd.

Aan de uitgebrachte, uitvoerige, medische rapportage heeft de Raad niet, zoals door eiseres tevens gesteld, kunnen ontlenen - gezien ook het door de Stichting Pelita opgemaakte sociaal rapport omtrent eiseres - dat door de keurend arts voorbij is gegaan aan voor de beoordeling van de onderhavige aanvraag relevante omstandigheden.

Verder heeft de Raad in de ter beschikking staande medische gegevens geen aanknopingspunt gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseurs, op basis van die gegevens ingenomen standpunt dat bij eiseres geen sprake is van tot invaliditeit leidend letsel op grond van haar oorlogservaringen. Weliswaar is reeds in de gegevens omtrent de arbeidsongeschiktverklaring van eiseres alsook in de recent verkregen gegevens van de eiseres behandelend revalidatieartsen sprake van een (mogelijke) psychogene component bij de arm- en handklachten van eiseres, maar terecht hebben de geneeskundig adviseurs van verweerster erop gewezen dat terzake wel lichamelijke afwijkingen zijn vastgesteld terwijl een psychiatrische verklaring ontbreekt. Hierbij is mede van belang dat eiseres zich in verband met de gestelde psychische klachten nimmer onder medische behandeling heeft gesteld.

Nu het hier gaat om een medische aangelegenheid en de beoordeling daarvan in elk voorliggend geval op eigen medische merites plaatsvindt, kan de omstandigheid dat aan de zusters van eiseres wel een uitkering als oorlogsgetroffene is verleend geen gewicht in de schaal leggen.

Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2003.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) A. Kovács.