Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF8580

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2003
Datum publicatie
14-05-2003
Zaaknummer
00/6290 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen zorgvuldig onderzoek. Maatregel van blijvend gehele weigering van WW-uitkering is daarnaast in casu in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2003, 144
USZ 2003/177
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/6290 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens gedaagde is mr. A. van Dorsten, advocaat te Amsterdam, op daartoe aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de president van de rechtbank Utrecht (verder: de rechtbank) op 25 oktober 2000 tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), voor zover daarbij met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep van appellant tegen het door gedaagde op bezwaar gegeven besluit van 10 juli 2000 (het bestreden besluit) ongegrond is verklaard.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant is nog een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 februari 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door drs. R.S.H. Mees en J.C.W. Castenmiller, en waar gedaagde -met voorafgaand bericht- zich niet heeft doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Appellant, geboren in 1944, is vanaf 1 augustus 1979 in dienst geweest bij (een rechtsvoorganger van) ING Bank N.V. als directiechauffeur. Omdat er als gevolg van een reorganisatie een overschot aan directiechauffeurs was, heeft de ING Bank de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, waarbij is aangegeven dat aan appellant een eenmalige vergoeding en, uitgaande van een uitkeringspercentage van 70, een aanvulling op een WW-uitkering tot 80% van het laatstgenoten salaris gedurende 72 maanden zou worden betaald. Dat verzoek heeft geleid tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 29 mei 1999.

Na afloop van de zogeheten fictieve opzegtermijn is appellant per 1 oktober 1999 voor uitkering ingevolge de WW in aanmerking gebracht. In verband met voormelde suppletieregeling heeft gedaagde tevens gevolg gegeven aan het verzoek de uitkering aan de ING Bank over te maken, zodat de betalingen aan appellant uitsluitend via zijn voormalige werkgever zouden lopen.

Op het zogeheten werkbriefje over de periode van vier weken lopende van 18 oktober 1999 tot en met 14 november 1999, heeft appellant de vraag of hij concrete sollicitatieactiviteiten heeft verricht ontkennend beantwoord en daarbij vermeld: "Geen passend werk". Die opgave vormde voor gedaagde aanleiding om bij besluit van 8 december 1999 ingaande 18 oktober 1999 een maatregel op te leggen in de vorm van korting van het percentage van de uitkering met 20% gedurende 16 weken wegens het in onvoldoende mate trachten passende arbeid te verkrijgen. Tegen dat besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

Op de werkbriefjes over de periodes van 13 december 1999 tot en met 9 januari 2000 en van 10 januari 2000 tot en met 6 februari 2000 heeft appellant bij de desbetreffende vragen aangegeven niet te hebben gesolliciteerd omdat er geen vacatures waren in zijn beroep. Dit heeft ertoe geleid dat bij besluiten van 14 januari 2000 en 29 februari 2000 respectievelijk per 10 januari 2000 en per 7 februari 2000 maatregelen zijn opgelegd welke met toepassing van de recidive- en samenloopregeling van het Maatregelenbesluit Tica tot een korting van 30% tot en met 7 september 2000 hebben geleid. In die besluiten is de waarschuwing opgenomen dat een volgende overtreding tot beëindiging van de uitkering kan leiden. Ook tegen die besluiten is appellant niet in rechte opgekomen.

Nadat appellant op het werkbriefje over de periode van 7 februari 2000 tot en met 5 maart 2000 wederom had vermeld dat hij niet had gesolliciteerd omdat er "geen vacatures in passend werk" waren, heeft gedaagde bij besluit van 10 maart 2000 de uitkering ingaande 6 maart 2000 beëindigd. Van dat besluit is, anders dan van de eerdere besluiten waarbij een maatregel is opgelegd, een afschrift aan de ING Bank gestuurd.

Op dat besluit van 10 maart 2000 is door de ING Bank schriftelijk gereageerd, waarbij is aangegeven dat harerzijds onvoldoende de aandacht van appellant is gevestigd op de sollicitatieplicht en is aangegeven dat appellant te maken had met bovenmatige stress en ernstige gezinsproblematiek en dat hij was misleid door het feit dat zijn uitkering via de ING Bank ondanks de kortingen volledig is doorbetaald. Derhalve is gevraagd om de beëindiging van de uitkering terug te draaien. Die brief is door gedaagde als bezwaarschrift aangemerkt.

Bij het bestreden besluit heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard. Gedaagde heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellant door in het geheel niet te solliciteren in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen en zodoende het voorschrift van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW heeft overtreden. Gedaagde heeft daarbij verwezen naar het door hem gehanteerde beleid, dat is neergelegd in het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW (Stcrt. 1998, 22) inhoudende dat een werknemer die recht heeft op een WW-uitkering, één concrete sollicitatie-activiteit per week dient te verrichten. Gezien de eerdere overtredingen heeft gedaagde zich ingevolge artikel 10, tweede lid, van het Maatregelenbesluit Tica gehouden geacht om de gehele uitkering over de resterende duur te weigeren.

Gedaagde heeft in het bestreden besluit nog aangegeven dat de omstandigheid dat de eerdere besluiten niet aan de voormalige werkgever zijn toegezonden appellant niet kan baten, nu appellant onder meer door een voorlichtingsbrochure op zijn verplichting om te solliciteren was gewezen. Ook heeft gedaagde in aanmerking genomen dat appellant in de beoordeelde periode had kunnen solliciteren naar functies als taxichauffeur en nachtchauffeur en dat voor de stelling van appellant dat hij niet meer in staat zou zijn om op onregelmatige tijden te werken geen medische indicatie aanwezig is. Gedaagde acht het nadien gewijzigde sollicitatiegedrag van appellant te respecteren doch niet van invloed op de beoordeelde periode. Gedaagde heeft voorts geen aanleiding gezien voor het aannemen van verminderde verwijtbaarheid of van dringende redenen om af te zien van een maatregel.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe onder meer overwogen dat, gelet op de Richtlijn passende arbeid bij werkloosheid, die ingevolge het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW voor gedaagde als richtsnoer geldt voor de beoordeling of er sprake is van passende arbeid in een geval als het onderhavige (waarin volgens de president sprake is van een groot werkloosheidsrisico), afgeweken kan worden van het uitgangspunt dat een werknemer in het eerste half jaar van zijn werkloosheid geen arbeid in een ander beroep of voor een lager salaris behoeft te aanvaarden. Naar het oordeel van de rechtbank had appellant daarom ook op banen als chauffeur voor een lager salaris en zelfs naar ander werk moeten solliciteren. De rechtbank heeft in het midden gelaten of de door appellant overgelegde medische verklaring voldoende is om te concluderen dat appellant niet meer in staat was om onregelmatige diensten te draaien, nu er naar haar oordeel bij een voldoende ruime opstelling van appellant een meer dan louter hypothetische kans was dat appellant aan de slag was gekomen. De rechtbank heeft ten slotte de mening van gedaagde onderschreven dat de omstandigheid dat de ING Bank niet van de eerdere maatregelen op de hoogte was gesteld, niet aan het opleggen van de maatregel van gehele weigering van de uitkering in de weg staat.

In hoger beroep is namens appellant wederom betwist dat er passende arbeid was waarop hij had kunnen solliciteren, nu appellant zich ten tijde van belang nog mocht beperken tot het zoeken van werk in zijn eigen beroep en op het salarisniveau van zijn oude functie, in welke arbeid zich echter geen vacatures zouden hebben voorgedaan. Betoogd is voorts dat gedaagde, als hij van opvatting was dat aan appellant zwaardere eisen moesten worden gesteld, appellant daarover had moeten informeren, hetgeen niet is gebeurd. Vooral is benadrukt dat het appellant vanwege de ernstige gezinsproblematiek waarmee hij te kampen had en als gevolg van gebrekkige voorlichting door zijn voormalige werkgever niet, althans niet volledig, was aan te rekenen dat hij geen consequenties heeft verbonden aan de eerdere maatregelen.

De Raad overweegt als volgt.

Ten aanzien van de door gedaagde bij het bestreden besluit gehandhaafde maatregel moet worden vastgesteld dat deze in geval een werkloze werknemer in onvoldoende mate tracht om arbeid te verkrijgen de zwaarst mogelijke is en dat deze een definitief karakter heeft. Het opleggen daarvan behoort dan ook niet te geschieden dan na een zorgvuldig onderzoek naar de relevante feiten, waaronder de omstandigheden waarin de betrokken werknemer verkeerde. De in geding zijnde maatregel berust evenwel op niet meer dan een tweetal -op zichzelf relevante- gegevens, namelijk in de eerste plaats de constatering dat appellant op zijn werkbriefjes is blijven invullen dat hij niet heeft gesolliciteerd omdat er volgens hem geen vacatures in zijn beroep of voor passende functies waren en in de tweede plaats dat er reeds drie keer eerder een maatregel wegens het in onvoldoende mate trachten arbeid te verkrijgen was opgelegd. Van andere -mogelijk- van belang zijnde omstandigheden heeft gedaagde geen kennis genomen, zulks terwijl uit het eerdergenoemde Besluit sollicitatieplicht werknemers WW volgt dat reeds bij het opleggen van een eerste, veel minder ver strekkende, maatregel met tal van omstandigheden, zoals het aantal voorhanden vacatures, de (medische) beperkingen van de werknemer, diens leeftijd en sociaaleconomische omstandigheden, rekening moet worden gehouden.

Zo niet reeds het gegeven dat appellant noch bezwaar heeft gemaakt tegen de eerdere, in zwaarte toenemende, maatregelen noch (de vermelding van) zijn sollicitatiegedrag heeft gewijzigd, het vermoeden wettigt dat hij niet heeft begrepen dat van hem een andere opstelling werd verwacht, had in elk geval de omstandigheid dat het bij gedaagde bekend was dat appellant zijn uitkering, ingevolge de in het kader van de beëindiging van het dienstverband gemaakte afspraken, via de werkgever ontving, terwijl deze niet op de hoogte was gesteld van de eerdere maatregelen, ertoe dienen te leiden dat gedaagde niet zonder eerst bij appellant -en eventueel ook bij de ING Bank- te informeren naar de achtergronden van de opstelling van appellant, tot een blijvend gehele weigering kon overgaan. Bovendien vormde de uitdrukkelijke vermelding op de werkbriefjes dat er geen vacatures in zijn beroep waren, in het bijzonder wegens appellants leeftijd en arbeidsverleden, reden om appellant opheldering te vragen over de zienswijze die aan die mededeling ten grondslag lag.

De Raad is dan ook van oordeel dat de in het besluit van 10 maart 2000 opgelegde maatregel niet tot stand gekomen is op een wijze die beantwoordt aan de vereisten van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Weliswaar is het mogelijk om zodanig gebreken in de bezwaarprocedure te herstellen, maar naar het oordeel van de Raad is daarvan in dit geval onvoldoende sprake.

In de bezwaarprocedure is namens appellant in de eerste plaats gewezen op de stress waaraan hij als gevolg van ernstige gezinsproblematiek onderhevig was. Het gewicht van die problematiek is nadien bevestigd door verklaringen van de huisarts van appellant en van de behandelend psychiater van diens zoon. Tevens is naar voren gebracht dat appellant er door de ING Bank niet, althans onvoldoende, op was gewezen dat de doorbetaling van 80% van zijn laatstverdiende loon niet betekende dat de verplichtingen in het kader van de WW slechts een formaliteit waren, laat staan naar welke arbeid hij zou moeten solliciteren, terwijl de ING Bank, waar kennelijk niet was opgemerkt dat de betalingen aan appellant gekort werden, ook na het opleggen van de eerste drie maatregelen steeds de volledige uitkering is blijven uitbetalen. De Raad tekent daarbij nog aan dat uit het zogeheten intakeverslag van de aanvraag van appellant blijkt dat hij zich toen reeds passief opstelde en voor alle gevraagde informatie naar zijn werkgever heeft verwezen, maar niet dat dit voor gedaagde aanleiding is geweest om appellant uitdrukkelijk te wijzen op (de reikwijdte) van zijn verplichtingen in het kader van de WW.

De Raad merkt nog op dat het in het licht van de Richtlijn passende arbeid bij werkloosheid niet evident is welke arbeid voor appellant in de beginfase van zijn werkloosheid als passend moest worden beschouwd. Gelet op de voormelde reële problemen die appellant had met het verrichten van onregelmatige diensten, en op de hoogte van zijn vroegere salaris is niet zonder meer te zeggen of hij ook naar functies als taxichauffeur en nachtchauffeur had moeten solliciteren. Nu gedaagde geen arbeidsmarktgegevens heeft verzameld over het voorkomen van vacatures als privéchauffeur of in aanverwante beroepen, is het voorts niet onmogelijk dat appellant, die stelt wel naar dergelijke vacatures te hebben uitgekeken, deze inderdaad niet zou hebben kunnen vinden.

Indien een nadere beoordeling van voormelde aspecten en van de overige relevante feiten tot de conclusie zou leiden dat appellant ten tijde van belang in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen en dat zulks hem te verwijten is, dient ook nog te worden beoordeeld of er sprake is van een zodanig verminderde verwijtbaarheid dat de maatregel van gehele weigering over de resterende uitkeringsduur daarmee in een even-redige verhouding staat. Uitgaande van de thans voorhanden gegevens als voormeld komt het de Raad voor dat het bestreden besluit niet aan die evenredigheidsnorm voldoet.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit wegens schending van artikel 3:2 van de Awb niet in stand kan blijven. Derhalve komen de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, alsmede het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Gedaagde zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van het in deze uitspraak van de Raad overwogene.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde ingevolge artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van appellant in beide instanties. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,-- voor rechtsbijstand in hoger beroep.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, en het bestreden besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag groot € 644,-- en in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,--, te betalen aan appellant door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beide instanties betaalde recht van totaal € 104,37 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. Th.M. Schelfhout en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2003.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.