Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF8482

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2003
Datum publicatie
12-05-2003
Zaaknummer
02/2448 WAO + 02/2524 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2003, 161
USZ 2003/173
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/2448 en 2524 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats],

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 25 juli 2000 (hierna: besluit 1) heeft het Uwv [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) ervan in kennis gesteld dat zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% en gedeeltelijk wordt uitbetaald in verband met inkomsten uit arbeid, met ingang van 9 juli 2000 volledig tot uitbetaling komt, daar ingaande die datum niet langer sprake is van tot korting leidende inkomsten uit arbeid.

Bij besluit van 27 juli 2000 (hierna: besluit 2) heeft het Uwv de naar zijn oordeel over de periode van 9 juli 2000 tot en met 31 juli 2000 onverschuldigd aan

[betrokkene] betaalde uitkering ingevolge de WAO, ten bedrage van f 236,32 bruto, van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 13 november 2000 heeft het Uwv de door [betrokkene] tegen de besluiten

1 en 2 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard, met dien verstande dat het Uwv heeft aangegeven dat besluit 1 onjuist is geformuleerd en aldus had dienen te luiden dat de uitkering van [betrokkene] ingevolge de WAO, welke wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, maar in verband met inkomsten uit arbeid wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, met ingang van 9 juni 2000 wordt herzien en nader wordt vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 6 december 2001 het namens [betrokkene] ingestelde beroep tegen het besluit van 13 november 2000 (hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Tevens heeft de rechtbank aanvullende beslissingen gegeven inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Namens [betrokkene] heeft mr. R. van de Water, advocaat te Utrecht, op bij beroepschrift en aanvullend beroepschrift uiteengezette gronden, tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Ook het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. De gronden waarop dat hoger beroep berust zijn aangevoerd bij aanvullend beroepschrift.

Namens [betrokkene] is een verweerschrift, voorzien van een bijlage, ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 28 januari 2003, waar [betrokkene] in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Water, en waar namens het Uwv is verschenen mr. P.A.L. Nieuwenhuis.

II. MOTIVERING

Aan de aangevallen uitspraak, waarin [betrokkene] als eiser en het Uwv als verweerder is aangeduid, ontleent de Raad, voor zover van belang, de volgende

feiten en omstandigheden:

" Eiser, van beroep bedrijfsjournalist, is vrijwillig verzekerd ingevolge de WAO. Ingaande 17 oktober 1997 heeft hij zich arbeidsongeschikt gemeld. Nog tijdens de wachttijd heeft hij zijn werkzaamheden gedeeltelijk hervat.

Bij besluit van 21 september 1998 heeft verweerder eiser met ingang van

16 oktober 1998 een WAO-uitkering toegekend. Verweerder heeft eisers mate van arbeidsongeschiktheid daarbij op basis van een zogenoemde theoretische schatting gesteld op 65 tot 80%. Feitelijk heeft verweerders eisers uitkering in verband met zijn inkomsten uit arbeid, onder toepassing van artikel 44 van de WAO, uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

In het onderhavige geding gaat het om de herbeoordeling als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WAO. Bij deze herbeoordeling heeft verweerder eisers mate van arbeidsongeschiktheid op basis van een theoretisch schatting gesteld op 25 tot 35%. Omdat deze zou leiden tot een indeling in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse dan voornoemde klasse heeft verweerder de toepassing van artikel 44 van de WAO beëindigd."

De Raad voegt daaraan toe dat, blijkens de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende gegevens van verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige aard, het Uwv bij de herziening van [betrokkene] uitkering naar de klasse 25 tot 35% ingaande 9 juli 2000 (in het bestreden besluit is abusievelijk als herzieningsdatum 9 juni 2000 vermeld) tot uitgangspunt heeft genomen dat [betrokkene], in het bijzonder als gevolg van beperkingen die hij ondervindt na een tweetal hernia-operaties, niet langer geschikt is voor zijn voltijdse werkzaamheden als freelance journalist, maar nog wel in staat is tot het - in een maximumomvang van 6 uur per dag en 30 uur per week - verrichten van andere, rugsparende, werkzaamheden.

Aangezien de verzekeringsarts van het Uwv bij het op 28 januari 2000 ingestelde onderzoek tot de conclusie was gekomen dat de medische situatie van [betrokkene] ten opzichte van het laatste onderzoek - bij einde wachttijd - geen wijziging had ondergaan, heeft hij met betrekking tot de actuele belastbaarheid van [betrokkene] volstaan met een verwijzing naar de belastbaarheidsgegevens zoals bij dat laatste onderzoek neergelegd in een formulier Functie Informatie Systeem van 6 augustus 1998.

De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens een zevental functies geselecteerd, tot het vervullen waarvan [betrokkene] zijns inziens, gegeven de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid, nog in staat moet worden geacht en vastgesteld dat [betrokkene] daarmee een verlies aan verdiencapaciteit lijdt van 32,8%, overeenkomende met indeling in de klasse 25 tot 35%. In de bezwaarfase zijn door de bezwaararbeidsdeskundige enkele kleine correcties toegepast in de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid, maar die hebben geen consequenties gehad voor de vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklasse.

De rechtbank heeft in de eerste plaats overwogen dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid. Uit de door [betrokkene] overgelegde rapporten van zijn behandelend neurochirurg van

20 juli 2001 en van zijn behandelend neuroloog van 23 augustus 2001 blijkt naar het oordeel van de rechtbank, anders dan door [betrokkene] gesteld, niet dat de beperkingen zijn onderschat. Integendeel, de neuroloog stelt, aldus de rechtbank, met zoveel woorden dat het belastbaarheidspatroon van 6 augustus 1998 "conform de huidige expertise" is. De rapportage van de neurochirurg achtte de rechtbank minder bruikbaar nu deze arts, niet onbegrijpelijk, uit de hem door [betrokkene] voorgelegde vragen heeft afgeleid dat het Uwv [betrokkene] in staat heeft geacht om zes uur per dag te zitten, terwijl het Uwv ervan is uitgegaan dat [betrokkene] weliswaar in een omvang van zes uren per dag rugsparende arbeid kon verrichten, maar tevens uitdrukkelijk heeft aangegeven dat [betrokkene] slechts in staat is te achten gedurende 1 uur per dag aaneengesloten te zitten.

Evenwel heeft de rechtbank zich met de arbeidskundige grondslag van de schatting niet kunnen verenigen. De rechtbank heeft geconstateerd dat op de verwoordingen functiebelasting van de drie functies die ten grondslag zijn gelegd aan de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid van [betrokkene], markeringen voorkomen die volgens het Uwv weliswaar door de arbeidsdeskundige zijn besproken met de verzekeringsarts, maar waarbij geen enkele motivering is gegeven waarom die functies, ondanks die markeringen, als medisch passend voor [betrokkene] kunnen worden aangemerkt. De rechtbank heeft daaraan toegevoegd het ervoor te houden dat het Uwv kennelijk ook niet in staat is tot het verstrekken van een dergelijke motivering.

Hoewel de rechtbank van oordeel was dat het bestreden besluit reeds op deze grond niet in stand kan blijven, heeft de rechtbank aanleiding gevonden daar nog het volgende aan toe te voegen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het Uwv, uitgaande van de voor [betrokkene] geldende urenbeperking, de zogeheten bandbreedte als bedoeld in punt 5 van de bijlage bij het Besluit uurloonschatting 1999 (Stcrt. 1999, nr. 40, hierna: het BUS) heeft bepaald op

30 tot en met 34 uur. Voorts is geconstateerd dat een aantal van de bij de schatting gebruikte functies een omvang heeft die groter is dan de hier van toepassing zijnde medische urenbeperking van maximaal 6 uur per dag dan wel 30 uur per week. Naar door het Uwv ter zitting is aangegeven, acht het Uwv het mogelijk dat aan een persoon met een medische urenbeperking functies worden voorgehouden met een omvang boven de urenbeperking, mits deze functies wat betreft omvang binnen de bandbreedte blijven en door de verzekeringsarts akkoord zijn bevonden.

De rechtbank heeft als haar oordeel uitgesproken dat, afgezien van het feit dat ook wat betreft dit aspect iedere motivering van de verzekeringsarts ontbreekt, het in het licht van de op dit punt tot stand gekomen vaste rechtspraak van de Raad niet aanvaardbaar is te achten - derhalve ook indien de verzekeringsarts wel een motivering in de hiervoor bedoelde zin zou hebben gegeven - om aan iemand als [betrokkene], van wie door het Uwv zelf is vastgesteld dat hij slechts 30 uur per week mag werken, functies voor te houden met een omvang van 32 en 34 uur per week.

Van de zijde van [betrokkene] is aangegeven dat diens hoger beroep zich richt tegen het oordeel van de rechtbank dat het Uwv de juiste medische beperkingen in aanmerking heeft genomen.

De Raad ziet dit hoger beroep niet slagen. De Raad heeft hierbij in de eerste plaats in aanmerking genomen dat de inhoudelijke grieven van [betrokkene] veeleer zijn gericht op betwisting van de passendheid in medisch opzicht van de geselecteerde functies, welke functies ten dele door de rechtbank nu juist reeds als niet-passend zijn aangemerkt in verband met het ontbreken van een gemotiveerde toelichting bij op de verwoordingen functiebelasting van die functies voorkomende markeringen alsmede in verband met het feit dat die functies ten dele een omvang hebben boven die van de voor [betrokkene] geldende urenbeperking. Voorts heeft ook de Raad, in navolging van de rechtbank en met onderschrijving van de door de rechtbank dienaangaande gegeven overwegingen, noch in de gedingstukken noch in hetgeen van de zijde van [betrokkene] naar voren is gebracht aanknopingspunten aangetroffen om te twijfelen aan de juistheid van de in aanmerking genomen medische beperkingen. Aldus komt ook de Raad tot het oordeel dat de medische beperkingen van [betrokkene] door het Uwv juist zijn gewaardeerd.

Het hoger beroep van het Uwv is, gelet op hetgeen bij aanvullend beroepschrift is aangevoerd en mede in aanmerking genomen hetgeen van de zijde van het Uwv ter zitting van de Raad desgevraagd in aanvulling daarop naar voren is gebracht, (nog) uitsluitend gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het niet aanvaardbaar is om bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van een zogeheten medische parttimer als [betrokkene] functies te gebruiken waarvan de omvang groter is dan de in medisch opzicht maximaal toegestane omvang. Het Uwv heeft zijn standpunt - in hoofdlijnen weergegeven - als volgt toegelicht.

Onder punt 5 van de bijlage bij het BUS wordt vermeld dat een medische parttimer in beginsel op dezelfde wijze wordt geschat als alle andere betrokkenen, met dien verstande dat als uitgangspunt geldt het aantal uren dat de betrokkene nog mag werken. Aan de medische parttimer kunnen evenwel ook functies met een grotere omvang dan de medische urenbeperking worden geduid, zij het dat geen functies worden gebruikt die boven de omvang van de bandbreedte van de medische urenbeperking liggen. In geval functies met een grotere omvang in de hiervoor aangegeven zin zijn geselecteerd dient er overleg plaats te vinden tussen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige inzake de urenoverschrijding. Niet valt in te zien waarom er moet worden vastgehouden aan een strikte medische urenbeperking wanneer de betrokkene - blijkens de uitkomsten van het overleg tussen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige - medisch gezien in staat moet worden geacht om in een bepaalde functie enkele uren meer te werken dan de vastgestelde medische urenbeperking. Hierbij is van belang dat de urenoverschrijding als gevolg van de bandbreedtemethode steeds een beperkte omvang heeft, in het geval van [betrokkene] een overschrijding van maximaal 4 uur. De jurisprudentie inzake de medische parttimers waar de rechtbank op doelt heeft naar de zienswijze van het Uwv in het licht van het bovenstaande geen onverkorte gelding meer onder de werking van het nieuwe schattingsbesluit en het BUS. Ten slotte is in dit kader nog erop gewezen dat bij het bepalen van de resterende verdiencapaciteit geen rekening wordt gehouden met het aantal uren dat boven de medische urenbeperking ligt, zulks als gevolg van hantering van de reductiefactor als voorzien in het BUS.

De Raad ziet dit betoog in navolging van de rechtbank geen doel treffen.

De Raad heeft in zijn door de rechtbank aangehaalde rechtspraak - de Raad verwijst als voorbeeld naar zijn uitspraak van 8 april 1997, gepubliceerd in RSV 1997/122 - tot uitdrukking gebracht dat, in geval sprake is van een verzekerde die om medische redenen nog slechts een beperkt aantal uren per dag en per week kan werken, anders dan bij een willekeurige parttime werkende verzekerde, niet kan worden volstaan met aannemelijk te maken dat de in aanmerking genomen arbeid op de datum in geding parttime kan worden vervuld, maar tevens moet komen vast te staan dat de voorgehouden functies aan de eis van de in medisch opzicht maximaal mogelijke omvang voldoen.

De Raad kan zich niet verenigen met het standpunt van het Uwv dat er aanleiding bestaat om in verband met de nieuwe schattingssystematiek aan de hand van de zogeheten bandbreedtemethode, waartoe het Uwv na de inwerkingtreding van het Schattingsbesluit WAO, Waz en Wajong (hierna: het Schattingsbesluit) en het BUS is overgegaan, niet langer onverkort vast te houden aan het in bedoelde rechtspraak neergelegde standpunt, als hiervoor weergegeven. Het gaat immers om verzekerden ten aanzien van wie door de verzekeringsarts op medische gronden een in een absoluut aantal uren per dag of per week uitgedrukte beperking is aangenomen in de omvang van de werktijd. Niet valt in te zien dat, zoals het Uwv kennelijk blijkens de onder punt 5 van de bijlage bij het BUS opgenomen beleidsuitgangspunten en de daarop in hoger beroep verstrekte toelichting tot algemeen uitgangspunt neemt, aan dergelijke verzekerden, met voorbijzien aan dat medische oordeel, in beginsel ook functies mogen worden voorgehouden waarin - zij het tot aan de bovengrens van de desbetreffende bandbreedte en mede afhankelijk van nader overleg met een arbeidsdeskundige - enkele uren per dag en/of per week meer moet worden gewerkt dan de aangegeven medische werktijdbeperking.

Indien de verzekeringsarts van oordeel is dat een werktijdbeperking niet op een precies aantal uren valt aan te geven, dan dient hij zich daarvan te onthouden en van meet af aan kenbaar te maken dat en in hoeverre er in medisch opzicht sprake is van een zekere marge. Indien hij daarentegen wel is overgegaan tot vaststelling van een strikte urenbeperking, dan dienen zowel de verzekerde als de toetsende instanties van de juistheid daarvan te kunnen uitgaan en is het niet aanvaardbaar te achten dat de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige, zulks uitsluitend in verband met de bandbreedtesystematiek, telkenmale achteraf overgaan tot een nadere beoordeling of het in eerste instantie met betrekking tot de urenbeperking vastgelegde medische uitgangspunt vatbaar is voor een zekere relativering.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat de functies die wat betreft urenomvang een overschrijding laten zien van de voor [betrokkene] vastgestelde medische urenbeperking van 6 uur per dag en 30 uur per week, buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Nu voorts eveneens buiten beschouwing dienen te blijven de functies waarvan op de verwoording functiebelasting markeringen voorkomen - het Uwv heeft zich uitdrukkelijk neergelegd bij het oordeel van de rechtbank dat een nadere motivering voor de geschiktheid van die functies ten onrechte niet is gegeven - stelt de Raad vast - zulks is ook ter zitting van de Raad desgevraagd van de zijde van het Uwv erkend - dat slechts een tweetal functies als grondslag voor de onderhavige schatting resteert, hetgeen in het licht van de getalsmatige eisen als vervat in het Schattingsbesluit ontoereikend is.

De Raad komt aldus tot de slotsom dat de herziening van [betrokkene] uitkering per

9 juli 2000 zomede de daaraan gekoppelde terugvordering van uitkering over de periode van 9 juli 2000 tot en met 31 juli 2000 in rechte geen stand kunnen houden. De aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is verklaard en dat besluit is vernietigd, komt voor bevestiging in aanmerking, met dien verstande dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad.

De Raad acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de in verband met het door het Uwv ingestelde hoger beroep aan de zijde van [betrokkene] gevallen proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 644, - voor verleende rechtsbijstand.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het door de Raad overwogene;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van [betrokkene] in hoger beroep tot een bedrag groot € 644, -, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van

€ 327, - wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2003.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

AF