Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF8436

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2003
Datum publicatie
12-05-2003
Zaaknummer
02/282 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:47
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Wet op de studiefinanciering 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2003, 158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/282 WSF

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (België), appellant,

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 21 juli 2000 heeft gedaagde aan appellant studiefinanciering krachtens de Wet op de studiefinanciering (WSF) toegekend met ingang van 1 juli 2000.

Nadat appellant tegen dat besluit bij schrijven van 15 september 2000 bezwaar had gemaakt, heeft gedaagde bij besluit van 9 november 2000 dat besluit gedeeltelijk herzien en alsnog met ingang van 1 mei 2000 aan appellant studiefinanciering krachtens de WSF toegekend. Voor het overige heeft gedaagde het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

De rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 29 november 2001 het tegen het besluit van 9 november 2000 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat de rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit in stand blijven.

Appellant heeft bij beroepschrift, gedateerd 28 december 2001, tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 22 februari 2002, ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 februari 2003, waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep, als zijn gemachtigde.

II. MOTIVERING

In verband met het bepaalde in artikel 8:69 van de Awb, welke bepaling door hem als van openbare orde is aangemerkt, ziet de Raad aanleiding ambtshalve het volgende te overwegen.

Het bestreden besluit van 9 november 2000 is blijkens de daarin vermelde overwegingen gebaseerd op artikel 32, tweede lid, van de WSF in samenhang met artikel 1, eerste lid, sub g, van die wet.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak overwogen dat het geschil tussen partijen de strikte toepassing van artikel 32 van de WSF betreft, nu zijdens appellant was aangevoerd dat bij het bestreden besluit ten onrechte was geweigerd met terugwerkende kracht tot 1 september 1996 studiefinanciering toe te kennen. Na een aantal overwegingen, gewijd aan europees-rechtelijke bepalingen en daarop gebaseerde jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG), heeft de rechtbank geoordeeld dat de strikte toepassing van artikel 32 van de WSF niet met die bepalingen in strijd is te achten, maar dat, nu gedaagde bij het bestreden besluit aan die bepalingen geen aandacht heeft besteed, dat besluit wegens een ontoereikende motivering voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad begrijpt het oordeel van de rechtbank zo, dat gedaagde naar haar oordeel de strikte toepassing van artikel 32 van de WSF in het voorliggende geval mede had dienen te baseren op een verwijzing naar europees-rechtelijke bepalingen, welke verwijzing evenwel achterwege is gebleven. Door ambtshalve aan het bepaalde in artikel 3:47 van de Awb te toetsen, is de rechtbank naar het oordeel van de Raad buiten de grenzen van het aan haar voorgelegde geschil getreden, zodat de aangevallen uitspraak reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking komt.

Voor de Raad ligt thans ter beantwoording voor de vraag of het bestreden besluit, waarbij gedaagde onder toepassing van artikel 32, tweede lid, van de WSF studiefinanciering heeft toegekend met ingang van 1 mei 2000, in rechte stand kan houden.

De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden, zoals die zijn vermeld in de aangevallen uitspraak.

De Raad beantwoordt de hierboven weergegeven vraag bevestigend. Naar zijn oordeel heeft gedaagde bij het bestreden besluit terecht toepassing gegeven aan artikel 32, tweede lid, van de WSF. Evenals het College van beroep studiefinanciering in zijn uitspraak van 26 juni 2000, geregistreerd onder nummer WSF 10002100, ziet de Raad in het arrest van het HvJ EG van 8 juni 1999 (Meeusen), gepubliceerd in AB 1999/362, geen grond voor het oordeel dat de thans aan de orde zijnde, in artikel 32, tweede lid, van de WSF neergelegde voorwaarde voor toekenning van studiefinanciering niet gelijkelijk zou gelden voor zowel Nederlandse studerenden als voor studerenden afkomstig uit andere lid-staten van de Europese Economische Ruimte, aan wie ingevolge laatstgenoemd arrest aanspraak op studiefinanciering ingevolge de WSF toekomt.

De Raad is voorts niet gebleken van (zeer) bijzondere omstandigheden op grond waarvan kan worden gezegd dat door gedaagde in afwijking van de wettelijke bepalingen in het voorliggende geval met ingang van een eerdere datum aan appellant studiefinanciering had moeten worden toegekend. De omstandigheid dat uit bovengenoemd arrest van het HvJ EG voortvloeit dat appellant op zichzelf bezien wel met ingang van een eerdere datum dan 1 mei 2000 aanspraak op studiefinanciering had kunnen maken, kan er niet toe leiden dat, nu appellant niet eerder dan in april 2000 een aanvraag om studiefinanciering heeft ingediend, de toekenning van studiefinanciering met ingang van een eerdere datum had dienen plaats te vinden. In dat verband overweegt de Raad tevens dat het enkele feit dat door een rechterlijke uitspraak aan een wettelijk voorschrift een bepaalde uitleg wordt gegeven, niet betekent dat alle voorafgaande toepassingen van dat voorschrift in overeenstemming met die (nieuwe) uitleg moeten worden gebracht. Dergelijke verstrekkende gevolgen van rechterlijke uitspraken zouden het - ook ten behoeve van gedaagde - geldende beginsel van rechtszekerheid te zeer aantasten. Het feit dat appellant er van heeft afgezien om eerder een aanvraag om studiefinanciering ingevolge de WSF in te dienen, omdat hij, op grond van het feit dat hij in België woonde en studeerde, te goeder trouw meende geen recht te hebben op deze voorziening, dient voor zijn rekening en risico te blijven.

Gelet op bovenstaande overwegingen moet worden beslist als hieronder is vermeld.

De Raad ziet geen termen om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep alsnog ongegrond;

Bepaalt dat de Informatie Beheer Groep het in hoger beroep betaalde griffierecht ad € 82,- aan appellant vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en

mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 april 2003.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.

MH