Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF8431

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2003
Datum publicatie
12-05-2003
Zaaknummer
00/6002 ZW + 00/6071 WAO e.a.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/6002 ZW + 00/6071 + 00/6072 + 00/6073 WAO + 00/6074 + 00/6078 + 00/6079 + 00/6082 + 00/6083 AAW/WAO + 01/4895 + 01/4897 WAO

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsor-ganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 18 juni 1998 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsver-zekering (WAO) (besluit 1).

Bij brief van 7 juli 1998 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de WAO (besluit 2).

Bij brief van 8 juli 1998 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de AAW en de WAO (besluit 3).

Bij brief van 15 januari 1999 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de AAW en de WAO (besluit 4 ).

Bij brief van 1 september 1999 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de AAW en de WAO (besluit 5).

Bij brief van 3 mei 2000 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Ziektewet (besluit 6).

De rechtbank Groningen heeft bij twee uitspraken van 2 november 2000 (1 en 2) het beroep tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard, bij uitspraak van 2 november 2000 (3) het beroep tegen de besluiten 4 en 5 gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd met beslissing omtrent proceskostenvergoeding en griffierecht, en bij uitspraak 1 november 2000 (4) het beroep tegen besluit 6 ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. E.R.M. Russel, advocaat te Groningen, op in het aanvullend beroepschrift vermelde gronden tegen voormelde uitspraken hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft verweerschriften ingezonden.

Naar aanleiding van uitspraak 3 heeft gedaagde een tweetal nadere besluiten d.d. 4 juli 2001 ingezonden ter uitvoering van de WAO (besluiten 7 en 8), welke op grond van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het hoger beroep van appellant zijn betrokken.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad van 4 maart 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Russel als zijn raadsvrouw, en waar gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

1. Algemeen

Appellant, geboren in 1947, is voor zijn definitieve uitval op 5 juli 1978 in een drietal dienstbetrekkingen werkzaam geweest. Hij is vanaf augustus 1972 werkzaam geweest bij de Stichting [vestigingsplaats]chting] (hierna: [stichting]) als lid van de kernploeg Hoogovens. Deze kernploeg werd op alle afdelingen van de Hoogovens ingezet voor ongeschoold werk. Volgens het buitendienstrapport van 18 mei 1979 geschiedde dit werk binnen en buiten met temperatuurswisselingen, hitte en dampen, en was het dikwijls vuil en zwaar werk. Appellant heeft zich voor deze arbeid wegens gewrichtsklachten ziek gemeld van 9 september 1977 tot 25 maart 1978. Daarna heeft hij blijkens een dienstrooster in de 14 weken van 29 maart 1978 tot de definitieve uitval gedurende 61 dagen arbeid verricht in wisselende diensten.

De tweede dienstbetrekking van appellant - vanaf 1974 - betrof het verrichten van dienst als nachtportier bij [naam rustoord] te [vestigingsplaats] (hierna: [rustoord]). Appellant heeft hier blijkens de bij de rechtbank overgelegde pleitnota ingevolge een arbeidsovereenkomst de verplichting gehad om gedurende 3 weekenden per maand 1, 2 of 3 nachten dienst te doen. Hij heeft blijkens de dagloonrapporten in het jaar van 5 juli 1977 tot 5 juli 1978 gedurende 88 dagen dienst gedaan.

Appellant heeft in de derde plaats bij uitzendbureau Randstad als productiemedewerker bij Van Gelder Papier van 24 maart 1978 tot 16 juni 1978 gewerkt. Hij werkte bij dat bedrijf in dat tijdvak 65 dagen in ploegendienst. Blijkens het arbeidskundig rapport van 22 juni 1979 was zijn taak het verwisselen van rollen papier.

Appellant heeft zich per 5 juli 1978 ziek gemeld wegens psychische klachten, welke bestonden in ernstige persoonlijkheidsstoornissen met contactstoornissen. Hij is voor deze klachten gedurende een reeks van jaren psychiatrisch en psychotherapeutisch behandeld.

Aan appellant zijn na het verstrijken van de wachttijd van 52 weken per 4 juli 1979 AAW/WAO-uitkeringen toegekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100 %. De arbeidsongeschiktheidsuitkering is naar deze mate van arbeidsongeschikt-heid sedertdien gecontinueerd.

Bij de toekenning van deze uitkeringen heeft geen berekening van het maatmaninkomen plaatsgevonden. Volstaan is met de berekening van het dagloon op basis van de looninkomsten in de drie genoemde betrekkingen. Deze berekening resulteerde in een loon van f 263,42 per dag. Het dagloon is daarna vastgesteld op het toenmalige maximale dagloon van f 230,21.

Appellant heeft na de toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen een aantal keren arbeid verricht via uitzendbureaus. De met deze arbeid verworven inkomsten hebben geleid tot korting van de uitkeringen op grond van de artikelen 34 van de AAW en 45 van de WAO. Per 1 augustus 1993 zijn deze artikelen vervallen en is de kortingsregeling van de per 1 augustus 1993 nader vastgestelde artikelen 33 AAW en 44 van de WAO van toepassing. Deze kortingsregeling houdt in dat over de desbetreffende periode op basis van de inkomsten uit arbeid een fictieve schatting van het verlies aan verdiencapaciteit wordt vastgesteld. Ten behoeve van deze schatting dient de maatmanarbeid en het maatmaninkomen bepaald te zijn. De uitkering wordt over de periode uitbetaald naar het resultaat van deze fictieve schatting.

Appellant heeft in juli en augustus 1994, voor onderzoek naar de toepassing van de kortingsregeling in aanmerking komende, inkomsten verworven door uitzendarbeid. Per 9 september 1994 heeft hij zich ziek gemeld voor deze arbeid. Vanwege de toenmalige bedrijfsvereniging is in verband met de toepassing van de kortingsregeling op

13 januari 1995 het verzoek aan het Gemeenschappelijke Administratiekantoor (GAK) gericht om de maatman en het maatmaninkomen van appellant te bepalen.

De arbeidsdeskundige L.M.J. Stijnen heeft in een rapport van 2 maart 1995 verslag gedaan van zijn onderzoek. Hij stelt dat de maatman van appellant wordt gevormd door de gecombineerde functie van productiemedewerker bij Randstad (Van Gelder Papier) en nachtportier (St. Josef). Hij berekent de loonwaarde van deze twee betrekkingen en indexeert deze loonwaarde naar juli 1994. Hij stelt het maatmaninkomen per 1 juli 1994 op f 4.320,08 bruto inclusief vakantietoeslag per maand. Vergelijking van dit maatmaninkomen met de verdiensten in juli en augustus 1994 leidt tot de klasse 65-80% (fictieve) arbeidsongeschiktheid en dus tot korting van de uitkering.

Blijkens het rapport heeft de arbeidsdeskundige op 15 januari 1995 over deze bevindingen met appellant een gesprek gevoerd op het GAK-kantoor. Appellant kon zich niet verenigen met de toepassing van de kortingsartikelen over de maanden juli en augustus 1994. Hij meende een zodanig inkomen te hebben, dat er geen sprake kon zijn van korting.

Appellant heeft van 27 november 1995 tot 17 januari 1996 via een uitzendbureau arbeid verricht, waarna hij zich per 17 januari 1996 bij zijn toenmalige bedrijfsvereniging heeft ziek gemeld voor deze arbeid. De arbeidsdeskundige G. Timmermans heeft in een rapport van 11 april 1996 geconcludeerd dat de inkomsten over het tijdvak van

27 november 1996 tot 17 januari 1996 tot toepassing van de kortingsregeling moeten leiden. De gegevens over de inkomsten zijn desgevraagd door het uitzendbureau op 13 september 1996 aan appellant meegedeeld en vervolgens op 17 september 1996 door gedaagde ontvangen. De arbeidsdeskundige Stijnen heeft in een rapport van

16 oktober 1996 berekend dat de inkomsten moeten leiden tot de (fictieve) klasse 55-65%. Hij is daarbij uitgegaan van het in zijn rapport van 2 maart 1995 vastgestelde maatmaninkomen van f 4.320,08, welk maatmaninkomen hij heeft geïndexeerd naar het tijdvak waarin de inkomsten zijn verworven.

Bij besluit van 7 november 1996 is aan appellant meegedeeld dat de maatman wordt gevormd door de gecombineerde functie van produktiemedewerker bij Randstad en nachtportier en dat hij gezien de inkomsten vanaf 27 november 1995 (fictief) ingedeeld wordt in de klasse 55-65% (besluit a). Bij besluiten van 22 januari 1997 en 23 januari 1997 zijn de terugvorderingbesluiten ter zake aan appellant bekend gemaakt (besluiten b en c).

In het kader van het beroep van appellant tegen de besluiten a, b en c heeft de arbeidsdeskundige Stijnen blijkens rapporten van 2 april 1998 en 25 mei 1998 een nader onderzoek ingesteld naar de maatman en het maatmaninkomen van appellant. Hij concludeert dat voor de uitval per 5 juli 1978 sprake is geweest van een excessieve deelname aan het arbeidsproces. Hij adviseert nader de maatman van appellant vast te stellen op de combinatie van de arbeid bij [stichting] (Hoogovens) en bij St. Josef (nachtportier).

In verband met de ziekteperiode van appellant bij [stichting] van 9 september 1977 tot 25 maart 1978 rekent hij de inkomsten van appellant bij [stichting] over de 115 in het jaar van 5 juli 1977 tot 5 juli 1978 gewerkte dagen om naar een werkjaar zonder ziekte. Geactualiseerd naar einde wachttijd is het aldus berekende jaarinkomen bij [stichting] f 33.930,-. Het jaarinkomen bij St. Josef is, geactualiseerd naar einde wachttijd,

f 10.859,-. Per einde wachttijd stelt hij het totale jaarinkomen op f 44.789,-, hetgeen resulteert in een maandinkomen van f 3.732,42. In het rapport van 25 mei 1998 is de actualisering van dit inkomen tot de laatste vaststelling van de arbeidsongeschiktheid voor de inwerkingtreding van het Schattingsbesluit in augustus 1994 en vervolgens indexering naar de relevante data vastgelegd. Het resultaat van de berekeningen is dat het maatmaninkomen per november/december 1995 f 5.817,- per maand en in januari 1996 f 5.877,- bedraagt. Vergelijking van dit maatmaninkomen met de inkomsten uit arbeid leidt tot een (fictieve) arbeidsongeschiktheidsklasse van 65-80% van 27 november 1995 tot 15 januari 1997. Bij besluit 1 is dienovereenkomstig een korting over dat tijdvak aan appellant opgelegd. Besluit 2 bepaalt dat van 27 november 1995 tot 1 augustus 1996 f 10.763,01 bruto onverschuldigd is betaald door toedoen van appellant en daarom wordt teruggevorderd. Besluit 3 betreft de terugvordering van een bedrag van f 3.708,71 over het tijdvak van 1 augustus 1996 tot 1 november 1996.

De rechtbank heeft bij de uitspraken 1 en 2 het beroep tegen de besluiten a, b en c niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

De rechtbank verenigt zich in haar overwegingen met het standpunt van gedaagde dat de combinatie van het werk bij Stichting [stichting] (Hoogovens) en bij St. Josef wel vol te houden was, terwijl er geen indicatie is dat appellant in die arbeid niet naar behoren zou kunnen functioneren. Gedaagde heeft terecht de combinatie van deze twee betrekkingen als de maatman van appellant aangemerkt. De rechtbank acht de derde dienstbetrekking bij Randstad als produktiemedewerker bij Van Gelder Papier naast de eerdere twee excessief.

De rechtbank merkt op dat het maatmaninkomen van appellant pas is vastgesteld bij de voorbereiding van de in geding zijnde besluiten. De eerdere vaststelling van het dagloon houdt geen vaststelling van het maatmaninkomen in.

Met betrekking tot de terugvordering overweegt de rechtbank dat eerst met de rapportage van de arbeidsdeskundige Timmermans d.d. 11 april 1996 gedaagde geacht kan worden bekend te zijn met de arbeid van appellant vanaf 27 november 1995. Daarom is sprake van onverschuldigde betaling van uitkering door toedoen van appellant. Gedaagde is derhalve bevoegd het onverschuldigd betaalde terug te vorderen. De toepassing van de terugvorderingbevoegdheid acht de rechtbank niet in strijd met het recht.

Appellant heeft via uitzendbureaus van 24 maart 1997 tot 16 april 1997 gedurende 11 dagen arbeid verricht. Hij heeft zich vanaf 16 april 1997 voor deze arbeid ziek gemeld en ziekengeld ontvangen.

Gedaagde heeft bij besluit van 19 januari 1998 (besluit d) aan appellant meegedeeld dat hij in het tijdvak van 24 maart 1997 tot 16 april 1997 met het oog op de korting wegens inkomsten (fictief) ingedeeld wordt in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25-35%. Bij een tweede besluit van 19 januari 1998 (besluit e) is meegedeeld dat wegens onverschuldigde betaling f 2.457,24 wordt teruggevorderd. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen de besluiten d en e heeft de bezwaararbeidsdeskundige A.F.M. van Belkom een onderzoek ingesteld naar de maatmanproblematiek van appellant en daarvan in de rapporten van 13 juli 1998 en 7 december 1998 verslag gedaan. Hij berekent dat appellant in de 13 weken voor zijn uitval op 5 juli 1978, bij [stichting] (Hoogovens) 61 dagen van 8 uur, bij St. Josef 22 dagen van 8 uur en bij Randstad als produktiemedewerker bij Van Gelder Papier 65 dagen van 7.66 uur heeft gewerkt. De gemiddelde arbeidsduur per week in de tijd voor de uitval was daardoor 89.37 uur. Hij concludeert dat de deelname van appellant aan het arbeidsproces toen excessief is geweest en maximeert het maatmaninkomen op 50 uur per week maal het gemiddelde uurloon in de drie betrekkingen.

De bezwaarverzekeringsarts J. Jonker heeft in een rapport van 12 januari 1999 verslag gedaan van een onderzoek naar de medische toestand van appellant in de tijd voor zijn uitval per 5 juli 1978.

Zij wijst erop dat in een verslag van een intake op 3 en 10 mei 1978 bij het IMP Haarlem vermeld staat dat appellant er slecht en vermoeid uitziet en dat zijn ogen flets staan. Zijn verhalen doen wat verward aan. Hij praat binnensmonds. Aan een medisch rapport d.d. 20 juni 1979 van de Ziektewetarts ten behoeve van de melding AAW/WAO ontleent zij de gegevens: student fysiotherapie met bijbanen, al vaker arbeidsongeschikt geweest. Was arbeidsongeschikt van september 1977 tot april 1978 wegens gewrichtsklachten.

Zij concludeert dat er bij appellant in de periode van maart tot juli 1978 met een arbeid van ongeveer 13 uur per dag op zeven dagen van de week sprake is van een excessieve deelname aan het arbeidsproces. Appellant was in maart 1978 net genezen van zijn gewrichtsaandoening en behoorde door zijn psychische problemen niet tot de groep meest gezonden. Uitval was binnen enkele maanden te verwachten.

Bij besluit 4 heeft gedaagde het bezwaar tegen de besluiten d en e gegrond verklaard en de korting wegens inkomsten uit uitzendarbeid beperkt tot het tijdvak van 1 tot 16 april 1997. De (fictieve) arbeidsongeschiktheidsklasse is nader vastgesteld op 45-55%. Het bedrag van de terugvordering is nader bepaald op f 1.130,71.

Bij besluit van 12 februari 1999 heeft gedaagde in verband met het vanaf 16 april 1997 tot 1 mei 1997 ontvangen ziekengeld de AAW/WAO-uitkeringen van appellant gekort door hem (fictief) in te delen in de klasse 45-55% (besluit f). Bij een tweede besluit van 12 februari 1999 is het bedrag van de terugvordering ter zake bepaald op f 1.158,53 (besluit g). Bij besluit 5 op het bezwaar tegen de besluiten f en g is het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij uitspraak 3 de besluiten 4 en 5 vernietigd omdat zij de op basis van de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige Van Belkom aan die besluiten ten grondslag gelegde berekening van het maatmaninkomen en de korting in strijd met de wet acht. De terugvorderingbeslissingen zijn gebaseerd op die onjuiste berekening en zijn daarom eveneens vernietigd. Gedaagde heeft naar aanleiding van uitspraak 3 de besluiten 7 en 8 vastgesteld. De in deze besluiten vervatte korting over de maand april 1997 is gebaseerd op de berekening van het maatmaninkomen in de rapporten van Stijnen d.d. 2 april en 25 mei 1998, welke berekening de rechtbank in uitspraak 1 in overeenstemming met de wet heeft bevonden.

Appellant is bij besluit 7 (fictief) ingedeeld in de klasse 65-80%. De bij besluit 8 vastgestelde terugvordering bedraagt f 1.232,79.

In verband met een dienstverband via uitzendwerk dat volgens besluit 6 op 16 november 1998 zou zijn aangevangen, heeft appellant zich na een eerdere ziekteperiode van 25 november 1998 tot in januari 1999 per 7 juni 1999 ziek gemeld. Hij heeft van 16 november 1998 tot 7 juni 1999 in totaal 17 dagen als inpakker werkzaamheden verricht. Het afschrift van de medische kaart vermeldt als reden voor de ziekmelding per 7 juni 1999 nek- en schouderklachten door stress. Appellant heeft in 1996 een auto-ongeval gehad.

De verzekeringsarts die appellant met het oog op de Ziektewetaanspraken heeft beoordeeld, concludeert, na inlichtingen te hebben ingewonnen bij de huisarts, dat de uitval van appellant is te verwachten bij veel nekbelasting, naast het feit dat appellant op psychische gronden niet duurzaam in staat is tot arbeid.

Bij besluit van 15 oktober 1999 (besluit h) is op grond van artikel 47a van de Ziektewet de betaling van ziekengeld per 7 juni 1999 opgeschort. Bij besluit van 22 oktober 1999 (besluit i) heeft gedaagde op grond van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ziektewet, ziekengeld geweigerd per 7 juni 1999. Bij besluit 6 is het bezwaar tegen de besluiten h en i ongegrond verklaard. Bij besluit 6 is overwogen dat ingevolge de bedoelde bepaling in artikel 44 gedaagde bevoegd is uitkering van ziekengeld te weigeren, indien de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte bestond op het tijdstip dat de verzekering een aanvang nam. Gedaagde stelt in dat verband onder meer dat appellant sedert 1979 arbeidsongeschikt is, voornamelijk ten gevolge van psychische problematiek. Appellant wordt geacht geen duurzaam benutbare mogelijkheden tot het verrichten van loonvormende arbeid te hebben. Op basis van de in het dossier aanwezige medische rapporten concludeert gedaagde dat appellant bij aanvang van de Ziektewetverzekering ongeschikt was tot het verrichten van de in november 1998 aangevangen arbeid.

De rechtbank heeft bij uitspraak 4 het beroep tegen besluit 6 ongegrond verklaard.

2. Overwegingen.

De eerste vraag die in deze gedingen moet worden beantwoord, betreft de vaststelling van de maatman. Gedaagde heeft de arbeid van appellant bij uitzendbureau Randstad als produktiemedewerker bij Van Gelder Papier buiten aanmerking gelaten bij de vaststelling van de maatman van appellant en als maatman aangemerkt de combinatie van de functies bij de [stichting] (Hoogovens) en bij St. Josef. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat de derde functie van appellant bij Randstad tot een excessieve arbeidsomvang heeft geleid.

De Raad verenigt zich met dit standpunt.

Appellant heeft zijn uitzendwerk bij [stichting] vanaf 1972 vervuld en de dienstbetrekking als nachtportier bij St. Josef vanaf 1974. Deze combinatie heeft een bestendig karakter gehad. Appellant heeft blijkens de dagloonrapportages bij [stichting] in het laatste jaar voor zijn uitval op 5 juli 1978 inclusief vakantiedagen 115 van de buiten de ziekteperiode van 9 september 1977 tot 25 maart 1978 vallende 120 werkbare dagen gewerkt. In de 14 weken van 29 maart tot 5 juli 1978 heeft hij blijkens de desbetreffende specificaties van werktijden op 61 dagen in wisselende diensten feitelijk arbeid verricht. De arbeidstijd was acht uur per dag. Dit arbeidspatroon wijst op een vrijwel volledige werkweek in volgens de rapportages dikwijls vuile en zware werkzaamheden. Appellant heeft deze arbeid wegens gewrichtsklachten in de vermelde periode van 9 september 1977 tot 25 maart 1978 niet kunnen verrichten. In de dienstbetrekking als nachtportier bij St. Josef heeft appellant van 5 juli 1977 tot 5 juli 1978 88 nachten gewerkt. De rapporten vermelden dat appellant zich voor deze arbeid in dat jaar niet heeft ziek gemeld. Uitgaande van de mededeling vanwege appellant in de pleitnota bij de rechtbank dat de arbeidsovereenkomst van appellant met St. Josef inhield dat hij 3 weekeinden per maand 1, 2 of 3 nachten diende te werken, is gelet op de gewerkte 88 nachten, een ziekteperiode ook niet aannemelijk.

De arbeidsdeskundige Van Belkom berekent voor deze twee betrekkingen over de laatste 13 weken voor de uitval per 5 juli 1978 in totaal 488 en 176 uren. Dit leidt tot een arbeidsomvang van meer dan 50 uren per week. Appellant wijst er in dit verband terecht op dat de laatste 61 dagen bij [stichting] over 14 weken zijn verdeeld, hetgeen zou leiden tot een iets lagere wekelijkse urenomvang van de gecombineerde betrekkingen. Ook dan blijft er evenwel een gecombineerde urenomvang van meer dan 48 uren.

Bij de beoordeling van de voor appellant normaal te achten arbeidsinspanning in dat laatste tijdvak voor de uitval moet naast de urenomvang van de gecombineerde arbeid, ook de aard en zwaarte van de arbeid en de gezondheidstoestand en draagkracht van appellant in die tijd betrokken worden. Blijkens het rapport van de bezwaarverzekerings-arts Jonker was de gezondheidstoestand van appellant in dat laatste tijdvak reeds niet optimaal. Hij was net hersteld van een langdurige uitval wegens gewrichtsklachten en had psychische klachten.

Gezien deze gegevens is de Raad van oordeel dat gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant met de combinatie van de arbeid bij [stichting] (Hoogovens) en St. Josef de grens van zijn normale arbeidsvermogen heeft bereikt. De arbeid bij Randstad (Van Gelder Papier) in een omvang van nog eens 38,3 uren per week in de tijd van 24 maart 1978 tot 16 juni 1978 - welke arbeid ook slechts een beperkte tijd heeft geduurd en dus niet het bestendige karakter heeft van de twee andere betrekkingen - is daarom terecht excessief geacht. Het buitendienstrapport-WAO van 12 juni 1979, waarin verslag wordt gedaan van het onderzoek bij appellant zelf naar zijn arbeidsverleden, vermeldt ook de opmerking dat hij wat te veel hooi op de vork heeft genomen met het bekende resultaat.

De arbeidsdeskundige Stijnen heeft in zijn rapportage van 2 april 1998 bij de berekening van het maatmaninkomen aangenomen dat appellant in het refertejaar van 5 juli 1977 tot 5 juli 1978 bij St. Josef 88 dagen heeft gewerkt zonder ziekteperiode. Appellant heeft dat bestreden. Hij meent dat de ziekteperiode van 9 september 1977 tot 25 maart 1978 bij [stichting] ook geldt voor de arbeid bij St. Josef. De inkomsten uit de 88 gewerkte dagen bij St. Josef dienen conform de dagloonberekening toegerekend te worden aan de tijdvakken dat hij niet ziek is geweest. De Raad heeft hierboven al aangegeven dat hij een ziekteperiode met betrekking tot de arbeid bij St. Josef niet aannemelijk acht. Het dagloonrapport van 9 november 1979 op grond van gegevens van de administratie van St. Josef vermeldt uitdrukkelijk dat er geen ziektedagen zijn geweest. Het buitendienstrapport-WAO van 12 juni 1979 vermeldt naar aanleiding van onderzoek bij appellant zelf dat hij zich voor de betrekking bij St. Josef niet heeft ziek gemeld. Hierboven is ook reeds gesteld dat op grond van het arbeidscontract - inhoudende 3 weekeinden per maand 1, 2 of 3 nachten dienst - aannemelijk is dat de 88 gewerkte dagen het gehele refertejaar betreffen. Anderzijds leidt de door appellant ingenomen stelling dat de 88 dagen dienst bij St. Josef gelegen zouden zijn in de tijdvakken van 5 juli 1977- 8 september 1977 en van 25 maart 1978 - 5 juli 1978 tot onaannemelijke uitkomsten als men daarbij de overige arbeid van appellant in die tijdvakken betrekt.

De Raad acht daarom de aanname juist dat met betrekking tot de vaststelling van het maatmaninkomen bij [rustoord] geen ziekteperiode in aanmerking moet worden genomen.

De berekening van het maatmaninkomen bij St. Josef en de actualisering en indexering van dat inkomen naar de in geding zijnde tijdvakken, geeft de Raad geen aanleiding tot opmerkingen.

Stijnen gaat er in het rapport van 2 april 1998 van uit dat appellant bij [stichting] 115 dagen heeft gewerkt. In verband met de ziekteperiode van 9 september 1977 tot 25 maart 1978 heeft Stijnen het loon van f 15.024,85 over die dagen omgerekend naar een volledig gewerkt jaar en het jaarinkomen bij [stichting] vastgesteld op f 33.930,-. De Raad ziet ook geen aanleiding deze berekening onjuist te achten. Het dagloonrapport met betrekking tot de [stichting] d.d 18 mei 1979 vermeldt op grond van de gegevens die zijn verkregen van de administratie van de werkgeefster, herhaaldelijk dat appellant in het refertejaar 115 dagen heeft gewerkt. Alhoewel de relatie tussen dit gegeven en de specificaties van werktijden niet geheel duidelijk is, meent de Raad dat op grond van de stellige gegevens in het dagloonrapport uitgegaan kan worden van 115 dagen.

De Raad is van oordeel dat gedaagde bij het onderzoek naar en de vaststelling van het maatmaninkomen van appellant niet in strijd heeft gehandeld met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Tot 1 augustus 1993 is het niet nodig geweest het maatmaninkomen van appellant vast te stellen. Het onderzoek naar het maatmaninkomen van appellant is gestart naar aanleiding van de inkomsten uit uitzendarbeid in juli en augustus 1994. Naar aanleiding van een adviesaanvraag van de toenmalige bedrijfsvereniging van appellant heeft de arbeidsdeskundige Stijnen een rapport opgesteld en het maatmaninkomen op basis van de inkomsten uit twee dienstbetrekkingen (St. Josef en Randstad) voor de eerste keer vastgesteld op een lager bedrag dan bij de in geding zijnde besluiten is geschied. Stijnen heeft blijkens zijn rapport van 2 maart 1995 op 15 januari 1995 met appellant de resultaten van zijn onderzoek besproken. Appellant kon zich met die resultaten niet verenigen. Uit deze rapportage blijkt derhalve dat reeds bij het eerste onderzoek en voorafgaand aan de eerste daadwerkelijke vaststelling van het maatmaninkomen appellant bekend is met het feit dat deze vaststelling vanaf 1 augustus 1993 noodzakelijk is met het oog op de berekening van de korting van de uitkering wegens inkomsten uit arbeid en dat deze korting ook zou plaatsvinden.

De berekening van het maatmaninkomen in het rapport van 2 maart 1995 heeft ten grondslag gelegen aan het kortingsbesluit a met betrekking tot het eerste in geding zijnde tijdvak waarin appellant inkomsten heeft verworven. (27-11-1995 tot 16-01-1996). Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen dit besluit is het nadere onderzoek naar het maatmaninkomen op gang gekomen, welk onderzoek tijdens de beroepsprocedure bij de rechtbank tegen besluit a is uitgemond in de rapporten van Stijnen van 2 april en 25 mei 1998. De in deze rapporten vervatte berekening van het maatmaninkomen ligt ten grondslag aan de thans in geding zijnde besluiten. Deze gegevens maken duidelijk dat er geen sprake is geweest van onzorgvuldigheid bij gedaagde maar van een nadere standpuntbepaling ten voordele van appellant in het kader van een lopende procedure. Van schending van opgewekt vertrouwen is evenmin sprake.

Het bovenvermelde leidt de Raad tot de conclusie dat de kortingsbesluiten in geding (besluiten 1en 7) in rechte stand houden.

Naar aanleiding van het standpunt van appellant dat ten onrechte in besluit 2 (terugvordering over het tijdvak van 27 november 1995 tot 1 augustus 1996) is gesteld dat door zijn toedoen onverschuldigd uitkering is betaald vanaf 27 november 1995, wijst de Raad er op dat van door toedoen in de zin van onder meer artikel 57 (oud) van de WAO sprake is indien de uitkeringsgerechtigde zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen en daardoor onverschuldigd is betaald.

De toentertijd geldende wettelijke inlichtingenverplichting (onder meer artikel 80 WAO) hield in dat de uitkeringsgerechtigde verplicht is om de bedrijfsvereniging onverwijld eigener beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk is, dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag, dat daarvan wordt uitbetaald. Ook het jaarlijkse inlichtingenformulier-AAW/WAO, dat appellant in de jaren 1994 en volgende heeft ontvangen, vermeldt in de toelichting dat men inkomsten uit of in verband met arbeid onmiddellijk moet melden. Het invullen van het inlichtingenformulier betekent niet, zo wordt meegedeeld, dat men met dergelijke informatie mag wachten tot weer een formulier is gestuurd. Dat inlichtingenformulier bevat vragen over inkomsten uit arbeid en door uitkeringen, zoals ziekengeld, die men naast de AAW/WAO-uitkeringen ontvangt.

Daarnaast heeft, zoals opgemerkt, de arbeidsdeskundige Stijnen appellant op 15 januari 1995 geïnformeerd over de conclusies van zijn onderzoek naar aanleiding van de inkomsten van appellant in juli en augustus 1994. Een van deze conclusies was dat korting van de uitkering zou plaatsvinden. Dus ook in dat gesprek is appellant geconfronteerd met het gegeven dat inkomsten van invloed kunnen zijn op de hoogte van de uitkering of op de hoogte van het bedrag dat daarvan wegens korting wordt uitbetaald.

Uit het dossier blijkt niet dat appellant eigener beweging het GAK als administrateur van de toenmalige bedrijfsvereniging tijdig heeft ingelicht omtrent de aanvang van zijn arbeid per 27 november 1995 noch omtrent de hoogte van de te verwachten inkomsten. Het eerste stuk dat ter zake informatie bevat, is de mededeling van de verzekeringsarts van de bedrijfsvereniging d.d. 27 februari 1996 aan de GMD van de ziekmelding van appellant per 17 januari 1996 in verband met de uitzendarbeid.

Het volgende stuk betreft de conclusie van arbeidsdeskundige Timmermans in het rapport van 11 april 1996 dat van 27 november 1995 tot 17 januari 1996 de artikelen 33 AAW en 44 WAO toepassing moeten vinden. Gegevens omtrent de hoogte van de inkomsten uit arbeid ontbreken dan kennelijk nog, gezien de brief van 10 juli 1996 vanwege gedaagde aan appellant, waarin het verzoek wordt gedaan om opgave van de verworven inkomsten vanaf 27 november 1995. Blijkens een brief van 7 november 1996 van gedaagde aan appellant heeft appellant de gegevens over de inkomsten eerst op 17 september 1996 aan gedaagde verstrekt. Gedaagde heeft blijkens de brief van 7 november 1996 per

1 november 1996 de uitkering van appellant aangepast in verband met de inkomsten.

Op grond van het bovenvermelde concludeert de Raad dat gedaagde terecht heeft gesteld dat appellant zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen en dat door zijn toedoen onverschuldigd uitkering is betaald. Uit de stappen die gedaagde heeft genomen blijkt anderzijds dat niet onzorgvuldig is gehandeld nadat men bekend raakte met de op de AAW/WAO-uitkeringen van invloed zijnde inkomsten. De Raad verenigt zich dan ook met het oordeel van de rechtbank ten aanzien van besluit 2. De Raad verenigt zich ook met het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de terugvorderingsbeslissingen in de besluiten 3 en 8.

In verband met de beoordeling van besluit 6 - weigering van ziekengeld per 7 juni 1999 op grond van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ziektewet, omdat de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte bestond op het tijdstip dat de verzekering een aanvang nam - valt er op te wijzen dat appellant vanaf 1979 AAW/WAO-uitkeringen ontvangt omdat hij wegens zijn psychische problematiek niet geacht wordt duurzaam benutbare mogelijkheden te hebben tot het verrichten van loonvormende arbeid.

Uit de in paragraaf 1 vermelde gegevens blijkt ook dat appellant in uitzendarbeid telkens korte tijd werkzaam is en zich dan ziek meldt voor deze arbeid (na een korte periode van uitzendarbeid in 1994 ziekmelding per 9 september 1994; na uitzendarbeid van 27 november 1995 tot 16 januari 1996 ziekmelding per 16 januari 1996; na uitzendarbeid van 24 maart 1997 tot 16 april 1997 ziekmelding per 16 april 1997; na uitzendarbeid vanaf 16 november 1998 ziekmelding per 25 november 1998 en hersteldverklaring in januari 1999, waarna de ziekmelding per 7 juni 1999, waarbij appellant in het tijdvak van 16 november 1998 tot 7 juni 1999 in totaal 17 dagen heeft gewerkt).

Een volgend relevant gegeven betreft het verslag d.d. 25 november 1997 van een medisch onderzoek op 25 november 1997 in het kader van de herbeoordeling van de AAW/WAO-uitkeringsrechten van appellant. In dat verslag is na onderzoek van appellant vastgelegd dat appellant de bekende psychische klachten heeft - welke ertoe leiden dat hij iets opbouwt, bijvoorbeeld werken, waarna na een korte periode onrust ontstaat, en hij zich terugtrekt en het op niets uitloopt - en whiplash klachten heeft naar aanleiding van een ongeval. Bij spanningen en na lichamelijke inspanning heeft hij pijn en prikkelingen in nek, armen, en schouderregio.

De ziekmelding per 7 juni 1999 is daarna geschied op grond van nek- en schouderklachten door stress.

Uit deze gegevens blijkt dat bij de aanvang van de in geding zijnde Ziektewetverzekering per 16 november 1998 appellant leed aan psychische stoornissen en whiplashklachten welke meebrengen dat hij bij het vervullen van arbeidsverplichtingen zodanige spannings- en pijnklachten opbouwt dat hij na enige tijd die arbeid moet staken. Appellant heeft de arbeid per 7 juni 1999 ook wegens die spannings- en pijnklachten gestaakt en zich ziek gemeld.

De Raad is - gezien deze gegevens - van oordeel dat de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte welke heeft geleid tot de uitval op 7 juni 1999, al bestond op 16 november 1998, het tijdstip waarop de verzekering een aanvang nam. Gedaagde heeft daarom de bevoegdheid tot toepassing van de vermelde weigeringsgrond in artikel 44 Ziektewet. Daaraan doet niet af dat aan appellant kennelijk ziekengeld is verstrekt tijdens de ziekteperiode van 25 november 1998 tot in januari 1999.

De uitoefening van deze bevoegdheid kan ook de rechterlijke toets doorstaan. De Raad verenigt zich met de conclusie van de rechtbank.

De bovenstaande overwegingen voeren de Raad tot de eindconclusie dat de aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten, worden bevestigd en dat het hoger beroep dat geacht wordt mede gericht te zijn tegen de besluiten 7 en 8, ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen de besluiten 7 en 8 ongegrond.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 april 2003.

(get.) Ch. Van Voorst.

(get.) J. Verrips.

PK