Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF7612

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2003
Datum publicatie
23-04-2003
Zaaknummer
00/5068 OSV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/5068 OSV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[naam V.O.F.], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan het Lisv.

Namens eiseres is mr. H.H. van Steijn, advocaat te Deventer, op de bij beroepschrift van 14 september 2000 aangevoerde gronden bij de Raad in beroep gekomen van een door verweerder op bezwaar genomen besluit van 15 augustus 2000 waarbij is bepaald dat [bedrijfsnaam I] en [bedrijfsnaam II] met ingang van 1 april 1999 aangesloten zijn bij sector 57, Stukadoorsbedrijf.

Bij brief van 16 november 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 maart 2003, waar eiseres zich heeft doen vertegenwoordigen door haar directeur A. Janssen, bijgestaan door mr. Van Steijn voornoemd als raadsman. Verweerder is bij die gelegenheid verschenen bij gemachtigde F.H. Zwijnenberg, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

In geding is de vraag of de onderneming van eiseres met ingang van 1 april 1999 ter uitvoering van het bepaalde in dan wel krachtens de Organisatiewet sociale verzekeringen terecht en op goede gronden is ingedeeld bij sector 57, zijnde Stukadoorsbedrijf.

De Raad beantwoordt die vraag anders dan eiseres met verweerder in bevestigende zin, omdat de hoofdzaak van de door eiseres ontplooide activiteiten en het voornaamste deel van de verloning betreffende het premieloon in de periode hier in geding naar aard in wezen bouwkundige verrichtingen betreffen ter zake van een - ook per 1 januari 2000 in hoofdzaak - op vloeibare wijze van aanbrengen van sport- en bedrijfskunststofbovenvloeren op niet gebruiksklare ondervloeren - met bewerkingen als gieten, smeren, uitwrijven en belijnen met behulp van allerhande materialen - technisch niet zonder meer met - een woning - stofferen vanaf de rol kunnen worden gelijkgesteld.

Om die reden dient volgens de Raad het standpunt van eiseres om haar onderneming te doen indelen bij sector 17, Detailhandel en ambachten te worden verworpen, nu hiervoor geen genoegzame feitelijke grondslag bestaat. De Raad ziet evenmin reden om de tot 1 april 1999 terugwerkende indeling ongedaan te maken, te minder nu hem anders dan eiseres van nadelige financiƫle consequenties ter zake van premieverplichtingen voor enig personeel te dien tijde in verhouding tot de door laatstgenoemde kennelijk meer aanvaardbaar geachte peildatum 1 januari 2000 niet is gebleken. Daarenboven heeft de Raad, gegeven ook de verdediging van verweerder blijkens de stukken en ter zitting van de Raad, niet kunnen vaststellen dat ter zake van ondernemingen als de onderhavige in streven en uitvoering van beleid een notoir willekeurige dan wel ongelijke behandeling zou zijn, althans worden gevolgd. Ook overigens heeft hetgeen vanwege eiseres is betoogd de Raad niet tot een andere overtuiging kunnen brengen. Daarbij is nog van belang dat in bedoelde perioden in geding het leggen van tennistapijten - nog - niet een groot deel van de activiteiten van eiseres besloeg.

Het beroep van eiseres kan op grond van het vorenoverwogene dan ook niet slagen.

De Raad acht deswege geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C. Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 april 2003.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A.H. Huls.