Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF7611

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2003
Datum publicatie
23-04-2003
Zaaknummer
02/496 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum intrekking uitkering van jonggehandicapte die rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Overgangsrecht Wet sociale zekerheidsrechten gedetineerden.

Wetsverwijzingen
Wet socialezekerheidsrechten gedetineerden XV, geldigheid: 2003-02-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2003/151

Uitspraak

02/496 WAJONG

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 24 augustus 2000 heeft gedaagde de uitkering van appellant ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) met ingang van 1 juni 2000 ingetrokken.

Bij besluit van 26 september 2000 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat de Wajong-uitkering over de periode van 1 juni 2000 tot 1 juli 2000 onverschuldigd is betaald en dat een bedrag van ? 1.835,26 (€ 832,80) van hem wordt teruggevorderd.

Namens appellant heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Groningen, tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 december 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde deze bezwaren ongegrond verklaard.

De rechtbank Leeuwarden heeft bij uitspraak van 11 december 2001 het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. Brouwer voornoemd van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 november 2002, waar voor appellant is verschenen mr. Brouwer voornoemd en waar namens gedaagde -zoals tevoren was bericht- niemand is verschenen.

II. MOTIVERING

De intrekking van de Wajong-uitkering van appellant is gebaseerd op artikel 17, vijfde lid, van de Wajong waarin is bepaald dat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt indien de jonggehandicapte rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze vrijheidsbeneming één maand heeft geduurd.

Op grond van artikel XV van het overgangsrecht in het kader van de Wet sociale zekerheidsrechten gedetineerden (WSG) wordt voorts, voor zover hier van belang, ten aanzien van een persoon wiens vrijheid op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van de artikelen in deze wet reeds rechtens was ontnomen, voor de toepassing van artikel 17, vijfde lid, Wajong als eerste dag waarop de vrijheidsontneming plaatsvindt, aangemerkt de dag van inwerkingtreding van laatstgenoemd artikel.

Appellant was sinds eind december 1998 gedetineerd en artikel 17, vijfde lid, Wajong is in werking getreden op 1 mei 2000, zodat laatstgenoemde dag als eerste dag wordt aangemerkt waarop de vrijheidsontneming van appellant heeft plaatsgevonden. De uitkering wordt na een maand ingetrokken, dat wil zeggen met ingang van 1 juni 2000.

Gedaagde raakte in juni 2000 bekend met het feit dat appellant gedetineerd was. De betaling van de uitkering is vanaf de maand juli 2000 feitelijk stopgezet. Bij de besluiten van 24 augustus 2000, respectievelijk 26 september 2000, is aan appellant medegedeeld dat hij vanaf 1 juni 2000 geen recht meer had op uitkering en dat de uitkering over de maand juni 2000 van hem werd teruggevorderd.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellant tegen die besluiten ongegrond verklaard.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak.

Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat gedaagde heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel door de uitkering pas bij het besluit van 24 augustus 2000 in te trekken terwijl de detentie al in juni 2000 bij gedaagde bekend was. Voorts is aangevoerd dat appellant er niet van op de hoogte was dat er een wetswijziging had plaatsgevonden waardoor een gedetineerde niet langer recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het kan appellant dan ook niet worden toegerekend dat hij zijn detentie als van belang zijnde factor voor het recht op de Wajong-uitkering niet aan gedaagde heeft gemeld. Gedaagde heeft daarom volgens appellants gemachtigde ten onrechte de uitkering met terugwerkende kracht beëindigd.

De Raad is van oordeel dat er geen sprake is van een onnodig lang uitgebleven besluit om de uitkering in te trekken. Gedaagde heeft voldoende alert gereageerd op het in juni 2000 bekend geworden feit dat appellant gedetineerd was door de betaling van de uitkering per 1 juli 2000 te staken en vervolgens minder dan twee maanden daarna het besluit af te geven dat de uitkering met ingang van 1 juni 2000 wordt ingetrokken. Voorts onderschrijft de Raad de stelling van gedaagde dat aan de WSG in ruime mate publiciteit is gegeven, waardoor appellant er van op de hoogte had kunnen zijn dat ook voor hem sprake zou zijn van intrekking van zijn Wajong-uitkering. De intrekking met terugwerkende kracht komt dan ook niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Voorts is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat gedaagde op grond van artikel 55 Wajong het teveel betaalde bedrag diende terug te vorderen. Van dringende redenen om daarvan op de voet van het vierde lid van dit artikel geheel of gedeeltelijk af te zien, is de Raad niet gebleken.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2003.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.H.A. Jenniskens.