Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF7530

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2003
Datum publicatie
18-04-2003
Zaaknummer
00/5540 BZ e.a.
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2003, 109
USZ 2003/163
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/5540 BZ

00/5541 BZ

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te [woonplaats],

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen (L), gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellanten heeft ing. P.S.J. van Lier, werkzaam bij LLTB Advies B.V. te Roermond, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Roermond op 12 september 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 februari 2003, waar voor appellanten is verschenen ing. Van Lier, terwijl gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

Op 22 februari 1999 heeft gedaagde aan appellanten bijstand verleend ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal ten bedrage van f 187.000,--, in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek.

Bij besluit van 5 juli 1999 heeft gedaagde met toepassing van artikel 8, eerste lid, van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) de aan appellanten verstrekte lening van f 187.000,-- tot een bedrag van f 7.565,42 omgezet in een bedrag om niet. Bij besluit van 13 december 1999 heeft gedaagde het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het namens appellanten tegen het besluit van 13 december 1999 ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd wegens een onjuiste wettelijke grondslag, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten alsook een beslissing gegeven inzake griffierecht.

Appellanten kunnen zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen, voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de door appellant in het gekozen boekjaar ontvangen uitkering uit hoofde van een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering van f 13.769,16 door gedaagde terecht als inkomen in de zin van artikel 47, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) is aangemerkt.

De Raad overweegt als volgt.

In het geval dat bijstand in de vorm van een geldlening ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal is verleend, wordt op grond van artikel 8, eerste lid, van het Bbz deze bijstand geheel of gedeeltelijk omgezet in een bedrag om niet indien het netto inkomen in het boekjaar van de aanvraag dan wel in het daaraan voorafgaande jaar lager is dan de jaarnorm. Het bedrag om niet bedraagt het verschil tussen de jaarnorm en het netto inkomen doch ten hoogste het verschil tussen het eigen vermogen en de van toepassing zijnde vermogensgrens.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van het Bbz wordt onder netto inkomen verstaan het over het boekjaar verworven inkomen, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, paragraaf 2, van de Abw.

In het eerste artikel van deze paragraaf, artikel 47, is aangegeven wat onder inkomen wordt verstaan. In onderdeel a van het eerste lid worden onder meer genoemd socialezekerheidsuitkeringen, dan wel uitkeringen die naar hun aard met deze uitkeringen overeenkomen. De door appellant ontvangen uitkering uit hoofde van een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering, welke is bedoeld om een als gevolg van arbeidsongeschiktheid optredend inkomensverlies op te vangen, moet naar het oordeel van de Raad worden aangemerkt als inkomen als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Abw.

Hetgeen namens appellanten is aangevoerd, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. De Raad merkt naar aanleiding daarvan op dat bij de beoordeling van de vraag of de betreffende uitkering inkomen is in de zin van artikel 47, eerste lid, van de Abw niet van belang is om welke reden de zelfstandige een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft afgesloten.

De stelling van appellanten dat deze uitkering gesaldeerd dient te worden met de (negatieve) bedrijfswinst, waarbij appellanten verwijzen naar een uitspraak van de Raad van 9 december 1997, gepubliceerd in JABW 1998/30, treft geen doel. Die uitspraak heeft betrekking op een geval waarin de (oude) Algemene Bijstandswet en het daarop berustende Bijstandsbesluit Zelfstandigen nog van toepassing waren. In het geval van appellanten is overigens niet aangetoond dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering over het relevante boekjaar 1998 geheel is aangewend voor kosten van vervangende arbeid.

Uit het vorenstaande volgt dat gedaagde terecht de door appellant in het gekozen boekjaar ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft betrokken bij de vaststelling van het netto inkomen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Bbz.

Voor een veroordeling in de proceskosten acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 april 2003.

(get.) G.A.J. van den Hurk

(get.) M.C.M. Hamer

FB/18/3