Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF6699

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2003
Datum publicatie
02-04-2003
Zaaknummer
00/598 ALGEM
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/598 ALGEM

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Appellante is op bij aanvullend beroepschrift van 22 mei 2000 aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Amsterdam onder dagtekening 4 januari 2000 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft onder dagtekening 20 juni 2000 een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 13 februari 2003, waar appellante zich niet heeft laten vertegenwoordigen, en waar voor gedaagde is verschenen mr. M. Mulder werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Appellante heeft tezamen met ongeveer 100 Poolse arbeidskrachten de [naam V.O.F.] opgericht, welke per 1 september 1993 als zodanig is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken. Voor dit bedrijf is sedert de oprichting een groot aantal Poolse werkkrachten op basis van de vennootschapsovereenkomst bij derden werkzaam geweest in de agrarische sfeer.

Naar aanleiding van een door gedaagde verricht onderzoek, waarbij gedaagde mede gebruik heeft gemaakt van verklaringen door diverse Poolse werkkrachten afgelegd tegenover inspecteurs van de Inspectiedienst SZW in het kader van het toezicht op de naleving van voorschriften, gesteld bij en/of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen, heeft gedaagde bij besluit van 12 september 1995 aan appellante medegedeeld dat de Poolse arbeidskrachten verzekeringsplichtig worden geacht primair op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten en subsidiair op grond van artikel 5 aanhef en onder d van deze wetten juncto artikel 3 van het Koninklijk besluit van 24 december 1986, Stb. 655 (hierna: het Besluit). Meer subsidiair is de verzekeringsplicht gebaseerd op artikel 5, aanhef en onder d van deze wetten in samenhang met artikel 5 van het Besluit.

Bij besluit van 17 september 1998 heeft gedaagde de namens appellante tegen het besluit van 12 september 1995 ingediende bezwaren ongegrond verklaard.

De rechtbank 's-Gravenhage heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat feitelijk geen sprake was van een gelijkwaardige verhouding tussen appellante en de Poolse vennoten van [naam vennoot] en dat er derhalve geen sprake was van het gezamenlijk drijven van een onderneming. Verder heeft de rechtbank overwogen dat voldaan is aan de voorwaarden voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De rechtbank heeft dit oordeel gegrond op de overwegingen dat de Poolse arbeidskrachten gehouden waren de werkzaamheden persoonlijk te verrichten en dat zij blijkens de vennootschapsovereenkomst per gewerkt uur een vast bedrag ontvingen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op de feitelijke gang van zaken, hierin bestaande dat appellante de contracten met de opdrachtgevers regelde en bepaalde wie, wanneer en waar ging werken, moet worden gesteld dat sprake was van gezagsuitoefening van appellante over de Poolse arbeidskrachten.

Van deze uitspraak is appellante bij de Raad in hoger beroep gekomen. Daarbij is namens appellante - kort samengevat - aangevoerd dat [naam V.O.F.] een zelfstandige onderneming is en dat binnen dat verband de vennoten, waaronder appellante, als zelfstandigen opereerden. Verder is aangevoerd dat de genoemde verklaringen onvolkomenheden bevatten, waardoor aan deze verklaringen in bewijsrechtelijke zin geen waarde mag worden gehecht.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Ook de Raad is van oordeel dat de vennootschapsovereenkomst, waaruit de overheersende invloed van appellante op het reilen en zeilen binnen de vennootschap blijkt, alsmede de feitelijke omstandigheden waaronder de Poolse arbeidskrachten hebben gewerkt, waarbij de Raad kortheidshalve wijst naar hetgeen hierover door de rechtbank is opgemerkt, uitwijst dat voldaan is aan de voorwaarden voor het aannemen van privaatrechtelijke dienstbetrekkingen, te weten persoonlijke arbeidsverrichting, loonbetaling en de aanwezigheid van een gezagsverhouding.

Uit het voorgaande volgt tevens dat de vennoten naar het oordeel van de Raad niet als zelfstandigen opereerden. Dat de betrokken Poolse arbeidskrachten met appellante een vennootschap onder firma vormden - wat daarvan overigens zij - doet aan het voorgaande niet af.

Ten slotte is de Raad van oordeel dat de door de Poolse werkkrachten afgelegde verklaringen op het vorenstaande geen ander licht werpen.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Derhalve wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Roeland als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2003.

(get.) .B.J. van der Net.

(get.) R. Roeland.