Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF6434

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2003
Datum publicatie
26-03-2003
Zaaknummer
01/6243 CSV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/6243 CSV

U I T S P R A A K

met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[opposant], wonende te [woonplaats], opposant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij uitspraak van de Raad van 4 april 2002 is het namens opposant ingestelde hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 24 oktober 2001 niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft mr. S.J. Schaap, advocaat te Rotterdam, een verzetschrift ingediend.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 20 februari 2003, waar opposant noch zijn gemachtigde - zoals tevoren bericht - niet zijn verschenen. En waar geopposeerde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P.G.J. Reurings.

II. MOTIVERING

De uitspraak van de Raad van 4 april 2002 is kort samengevat, hierop gebaseerd dat bij het instellen van het hoger beroep de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift niet in acht is genomen en dat geen aanknopingspunten zijn gevonden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

In geding is de vraag of het hoger beroep van opposant terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn genoemde uitspraak gegeven.

In aansluiting op hetgeen in die uitspraak is overwogen merkt de Raad op dat hij in hetgeen namens opposant in verzet is aangevoerd geen aanknopingspunten heeft gevonden welke kunnen leiden tot de conclusie dat opposant zijn verzuim in de onderhavige zaak niet kan worden tegengeworpen.

De Raad overweegt in dit verband nog dat naar vaste rechtspraak de gevolgen van (processueel) handelen of van nalatigheid van de gemachtigde volledig voor rekening komen van degene die de behartiging van zijn belangen aan die gemachtigde heeft toevertrouwd.

Gelet op het vorenstaande bestaat er aanleiding het verzet met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid aanhef en onder b, van de Awb ongegrond te verklaren.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker in tegenwoordigheid van A.H. Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2003.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A.H. Huls.