Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF6431

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2003
Datum publicatie
26-03-2003
Zaaknummer
00/5271 CSV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

00/5271 CSV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Appellante heeft op bij beroepschrift van 30 augustus 2000 aangevoerde gronden bij de Raad hoger beroep ingesteld van een door de rechtbank Amsterdam onder dagtekening 21 augustus 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een op 14 februari 2001 gedateerd verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 20 februari 2003, waar appellante niet is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.G.J. Reurings, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Bij het bestreden, na bezwaar genomen, besluit van 29 juli 1998 heeft gedaagde gehandhaafd de correctienota's premies werknemersverzekeringen van 13 december 1996 met betrekking tot de jaren 1991 tot en met 1996, voor zover deze zien op correcties inzake een door appellante in eigen beheer uitgevoerde spaarloonregeling.

De rechtbank heeft het beroep dat appellante tegen dit onderdeel van het bestreden besluit heeft ingesteld, ongegrond verklaard. Tevens heeft de rechtbank het door appellante gedane beroep op het vertrouwensbeginsel dat aan toepassing van de dwingendrechtelijke bepalingen in de weg zou staan, gemotiveerd verworpen.

In hoger beroep is uitsluitend de vraag aan de orde of bij appellante door gedaagde het in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat appellante door uitvoering te geven aan de spaarloonregeling zoals zij dit heeft gedaan, zij geen correctienota's behoefde te verwachten.

Met de rechtbank, op de door de rechtbank aangegeven gronden welke de Raad tot de zijne maakt, beantwoordt de Raad die vraag ontkennend.

De stelling van appellante dat aan haar door gedaagde niet de gevraagde informatie omtrent de uitvoering van de spaarloonregeling is verstrekt brengt in dit oordeel geen verandering. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad moet sprake zijn van ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen van de kant van gedaagde wil een beroep op het vertrouwensbeginsel in een situatie als de onderhavige, voor honorering in aanmerking kunnen komen. Hiervan is in casu evenwel niet gebleken.

Ook de omstandigheid dat de handelwijze van appellante niet heeft geleid tot fiscale correcties door de belastingdienst vomt voor de Raad geen grond voor een ander oordeel. Gedaagde immers is voor de premieheffing werknemersverzekeringen de bevoegde instantie en heeft in dat verband een eigen verantwoordelijkheid.

Gelet op het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van A.H. Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2003.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A.H. Huls.