Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF6404

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2003
Datum publicatie
26-03-2003
Zaaknummer
01/5147 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2003, 100

Uitspraak

01/5147 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 6 april 2000 heeft gedaagde geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat zij na afloop van de wachttijd op 5 mei 2000 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

Bij besluit van 8 december 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde appellantes bezwaar tegen het besluit van 6 april 2000 ongegrond verklaard.

De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 3 augustus 2001, verzonden op 9 augustus 2001, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellante is van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Gedaagde heeft bij brief van 29 april 2002 vragen beantwoord en nadere stukken ingezonden. Voorts heeft gedaagde bij brief van 13 mei 2002 nadere informatie verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 augustus 2002, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot, en waar namens gedaagde is verschenen mr. A.A.W. Zebregs, werkzaam bij het Uwv.

De Raad heeft het onderzoek na de zitting heropend. Partijen hebben vervolgens desgevraagd toestemming gegeven de nadere behandeling van het geding ter zitting van de Raad achterwege te laten.

II. MOTIVERING

Gelet op de vanwege partijen gegeven toestemming daartoe heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Appellante, voorheen gedurende 12 uur per week werkzaam als verkoopster in een slagerij, ontvangt sedert 10 augustus 1998 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Zij heeft zich op 7 mei 1999 ziek gemeld wegens oog-, oor- en (rechter)schouderklachten. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft gedaagde het in rubriek I genoemde besluit genomen.

In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Op grond van het navolgende beantwoordt de Raad deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend.

Wat betreft het medisch aspect van de in geding zijnde beoordeling overweegt de Raad dat de belastbaarheid van appellante met het belastbaarheidspatroon van 16 februari 2000, opgemaakt door de verzekeringsarts L. Moraca, niet is overschat. De Raad merkt in dit verband op dat de verzekeringsarts onder meer verregaande beperkingen heeft aangenomen ten aanzien van het gebruik van de rechterschouder. Van de zijde van appellante is geen medische informatie ingebracht welke twijfel doet rijzen omtrent de juistheid van de door gedaagdes verzekeringsarts vastgestelde beperkingen. Ook overigens is niet gebleken dat gedaagde de belastbaarheid van appellante op onzorgvuldige wijze dan wel onjuist heeft vastgesteld.

Wat betreft het arbeidskundig aspect van de in geding zijnde beoordeling overweegt de Raad het volgende. Gedaagde heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat één aan de schatting van appellantes mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag gelegde functie dient te vervallen, doch dat de schatting wordt gehandhaafd op de resterende functies, voorkomende in 4 functiebestandscodes (fb-codes), respectievelijk 10, 7, 11 en 7 arbeidsplaatsen vertegenwoordigend. Gedaagde heeft naar het oordeel van de Raad voldoende gemotiveerd aangegeven dat deze functies binnen de vastgestelde belastbaarheid van appellante vallen.

Met betrekking tot de urenomvang van de geselecteerde functies overweegt de Raad het volgende. Gedaagde heeft de functies geselecteerd overeenkomstig zijn beleid, neergelegd in de bijlage bij het Besluit uurloonschatting 1999 (hierna: BUS). Daarbij is gedaagde uitgegaan van een op de maatgevende arbeid gebaseerde bandbreedte van 12 tot en met 15 uur. In de fb-codes 5429, 6231 en 5427 komen functies voor met een urenomvang binnen de voormelde bandbreedte. Voor zover deze functies minder dan 7 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen, heeft gedaagde binnen de betreffende fb-codes aanvullende functies geselecteerd met een omvang groter dan de bandbreedte. De Raad acht het selecteren van deze functies ten behoeve van de schatting niet in strijd met het Schattingsbesluit WAO, Waz en Wajong, noch met enige andere toepasselijke rechtsregel. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 10 december 2002 in de zaak 00/2932 WAO, waarvan ten behoeve van partijen een afschrift aan deze uitspraak is gehecht en waarin de Raad bovenstaande wijze van functieselectie - in het BUS beschreven onder "Stap 1" - aanvaardbaar heeft geacht.

In verband met het in artikel 4, eerste lid van het Schattingsbesluit WAO, Waz en Wajong neergelegde vereiste dat de geselecteerde functies tezamen ten minste 30 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen, heeft gedaagde voorts een fb-code (4912) aan de schatting ten grondslag gelegd, die geselecteerd is op de in het BUS onder "Stap 2" beschreven wijze. In deze fb-code komt een functie voor met een urenomvang groter dan de bandbreedte, te weten 37 uur, 10 arbeidsplaatsen vertegenwoordigend. Voorts komt in deze fb-code een functie voor met een urenomvang kleiner dan de omvang van de maatgevende arbeid, te weten 8 uur, één arbeidsplaats vertegenwoordigend. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of deze fb-code aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd. De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge zijn vaste jurisprudentie, onder meer neergelegd in zijn uitspraak van 19 oktober 1999, gepubliceerd in RSV 2000/2, wordt met betrekking tot een deeltijdwerkende voor wie niet op medische gronden een urenbeperking geldt, niet de eis gesteld dat de voorgehouden functies in exact dezelfde omvang aanwijsbaar zijn als die waarin de maatgevende arbeid werd verricht. Wel dient vast te staan dat de voorgehouden functies op de in geding zijnde datum in deeltijd konden worden verricht. Van elk van de voor zulk een verzekerde geselecteerde voltijdfuncties is het voldoende dat wordt aangetoond dat zij op de datum in geding in een deeltijdvariant ten minste één arbeidsplaats vertegenwoordigden.

De bovenbedoelde deeltijdjurisprudentie is gevormd voordat het Schattingsbesluit met ingang van 31 december 1997 werd gewijzigd. De Raad ziet in de wijziging van het Schattingsbesluit per genoemde datum, noch in de inwerkingtreding van het Schattingsbesluit WAO, Waz en Wajong op 1 januari 1998 aanleiding zijn voorbedoelde jurisprudentie te verlaten. Daartoe overweegt de Raad dat de wijziging van het Schattingsbesluit en de invoering van het Schattingsbesluit WAO, Waz en Wajong ten aanzien van het selecteren van functies voor deeltijdwerkenden geen ter zake relevante wijziging hebben gebracht, zoals ook door de regelgever in de toelichting is aangegeven. De regelgever heeft met de wijziging van het Schattingsbesluit en de invoering van het Schattingsbesluit WAO, Waz en Wajong in essentie slechts beoogd te bewerkstelligen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van een voltijdswerkende wordt berekend op basis van een uurloonvergelijking, hetgeen voor deeltijdwerkenden reeds onder de "oude" redactie van het Schattingsbesluit geschiedde. Het door gedaagde op 1 april 1999 ingevoerde beleid, zoals neergelegd in de bijlage bij het BUS, vormt voor de Raad evenmin aanleiding zijn deeltijdjurisprudentie in zoverre te herzien.

De Raad stelt vast dat de in de onderhavige zaak overeenkomstig "Stap 2" van het BUS geselecteerde fb-code voldoet aan de uit bovenstaande deeltijdjurisprudentie voorvloeiende criteria, terwijl bovendien vaststaat dat het qua belasting en uurloon om dezelfde functies gaat. Naar het oordeel van de Raad kan deze fb-code derhalve aan de schatting ten grondslag worden gelegd. Daarmee handelt gedaagde niet in strijd met artikel 3, tweede lid sub a en b, juncto artikel 4 van het Schattingsbesluit WAO, Waz en Wajong, betreffende het selecteren van functies.

Het op basis van de geselecteerde functies vastgestelde mediane uurloon is hoger dan appellantes maatmaninkomen, zodat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. H.J. Simon en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2003.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W. Engelhart.