Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF6333

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-01-2003
Datum publicatie
26-03-2003
Zaaknummer
01/1795 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:32
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 88c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2003/139
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/1795 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde]., te [vestigingsplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 11 juni 1998 heeft appellant aan gedaagdes [naam werkneemster] (hierna: werkneemster), in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 29 juni 1998 een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Het namens gedaagde tegen het besluit van 11 juni 1998 gemaakte bezwaar is door appellant ongegrond verklaard bij besluit van 8 februari 1999.

De rechtbank Dordrecht heeft bij uitspraak van 26 januari 2001 het namens gedaagde door mr. Y.C.E. van der Moer-Lemmens, werkzaam bij FME-CWM-advocaten te Zoetermeer, ingestelde beroep tegen het besluit van 8 februari 1999 (hierna: het bestreden besluit), gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde, begroot op f 1.420, - voor kosten van rechtsbijstand en f 182,50 voor verletkosten en tevens bepaald dat appellant aan gedaagde het betaalde griffierecht van f 450,- vergoedt.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift uiteengezette gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Werkneemster heeft desgevraagd de Raad schriftelijk laten weten niet als partij aan het geding te willen deelnemen. Voorts heeft zij daarbij geen toestemming gegeven om haar medische gegevens aan gedaagde ter kennisname te brengen.

Namens gedaagde is meegedeeld dat P.C. van der Heijden, werkzaam bij Arboned te Dordrecht, als arts-gemachtigde zal optreden.

Namens gedaagde is vervolgens een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 november 2002, waar appellant met voorafgaand bericht niet is verschenen, en waar gedaagde is verschenen bij zijn directeur [naam directeur], met bijstand van mr. Van der Moer-Lemmens, voornoemd.

II. MOTIVERING

Werkneemster is op 30 juni 1997 uitgevallen voor haar werkzaamheden als administratief medewerkster in dienst van gedaagde. Bij besluit van 11 juni 1998 heeft appellant aan werkneemster per einde wachttijd, met ingang van 29 juni 1998, een uitkering ingevolge de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Een afschrift van dit besluit is aan gedaagde gezonden, in diens hoedanigheid van werkgever.

Namens gedaagde is bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 juni 1998. Met betrekking tot die bezwaarprocedure heeft werkneemster geen toestemming verleend om gegevens omtrent haar (sociaal-)medische toestand te verstrekken aan appellant. Gedaagde heeft vervolgens de bedrijfsarts Van der Heijden, voornoemd, aangewezen als arts-gemachtigde, als bedoeld in artikel 88c van de WAO.

Bij het bestreden besluit heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard.

Werkneemster heeft desgevraagd aan de rechtbank meegedeeld af te zien van deelname aan het geding. Voorts heeft zij ook in beroep geen toestemming verleend haar medische gegevens aan appellant ter kennis te brengen.

Op de daartoe in de aangevallen uitspraak aangegeven gronden - de Raad volstaat kortheidshalve met een verwijzing naar de aangevallen uitspraak - heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, als haar oordeel uitgesproken dat de rechtsgang met betrekking tot medische besluiten voorzover neergelegd in de artikelen 88c en 88d, in strijd is te achten met artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Trb. 1951,154, hierna: het EVRM).

De artikelen 88c en 88d van de WAO moeten naar het oordeel van de rechtbank dan ook onverbindend worden geacht. De rechtbank heeft het bestreden besluit om deze reden vernietigd.

Voorts heeft de rechtbank vergoeding van door gedaagde gevorderde schade, samenhan-gend met de gestelde (te) late toezending door appellant van het niet-medische gedeelte van het dossier tijdens de bezwaarprocedure alsmede vergoeding van de kosten van de door gedaagde ingeschakelde arts-gemachtigde afgewezen.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat en waarom de medische besluitenregeling naar zijn oordeel niet in strijd is te achten met artikel 6 van het EVRM.

Van de zijde van gedaagde is bij verweerschrift van 6 december 2001 in de eerste plaats aangegeven dat de door appellant in hoger beroep aangevoerde gronden inmiddels zijn achterhaald door de uitspraak van de Raad van 20 juli 2001, gepubliceerd in RSV 2001/205. In de tweede plaats heeft gedaagde aangegeven dat en waarom het in die uitspraak door de Raad ingenomen standpunt (primair) in zijn algemeenheid en (subsidiair) in het onderhavige geval onjuist is te achten, in die zin dat naar de zienswijze van gedaagde ook met de door de Raad in die uitspraak voorgestane toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het probleem van de achterstelling in procespositie van werkgevers in procedures als de onderhavige in het algemeen c.q. de achterstelling in procespositie van gedaagde in de onderhavige procedure in het bijzonder, niet wordt opgelost. Verder heeft appellant naar de opvatting van gedaagde in strijd gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door na te laten gedaagde te horen omtrent de (vermeende) arbeidsongeschiktheid van werkneemster. Ten slotte zijn grieven naar voren gebracht inzake de afwijzing door de rechtbank van de verzochte vergoeding van schade en van de kosten van de arts-gemachtigde.

De Raad overweegt als volgt.

In zijn hiervoor genoemde uitspraak van 20 juli 2001 heeft de Raad blijk gegeven van zijn oordeel dat en waarom artikel 88c van de medische besluitenregeling een schending oplevert van artikel 6 van het EVRM en dat wel aan de eisen van laatstgenoemde bepaling wordt voldaan indien - artikelen 88c en 88g van de WAO in zoverre buiten toepassing latend - in procedures in beroep en in hoger beroep door de administratieve rechter, met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb, wordt bepaald dat inzage in dan wel kennisneming of toezending van medische gegevens van de werknemer is voorbehouden aan een gemachtigde van de werkgever die arts of advocaat is dan wel daartoe van de rechter bijzondere toestemming heeft verkregen en dat deze gemachtigde(n) - voor zover het de medische aspecten betreft - in de plaats van de werkgever treedt (treden).

De Raad heeft ervan kennis genomen dat gedaagde, als aangegeven in het verweerschrift en door gedaagdes gemachtigde ter zitting herhaald, zich in evenvermeld oordeel van de Raad niet kan vinden, maar ziet daarin geen aanleiding dat oordeel te verlaten. De Raad heeft in hetgeen van de zijde van gedaagde naar voren is gebracht geen argumenten aangetroffen die niet reeds door de Raad in voormelde uitspraak bij zijn oordeelsvorming zijn betrokken. De Raad wijst er hierbij nog op dat hij in genoemde uitspraak expliciet heeft onderkend dat de werkgever ook met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb nog niet geheel op gelijke voet als de werknemer en het bestuursorgaan aan het geding kan deelnemen, maar tevens heeft blijk gegeven van het oordeel dat de gemachtigde van de werkgever in staat moet worden geacht, al dan niet in samenwerking met een arts, de belangen van de werkgever in voldoende mate te behartigen, zodat er geen sprake is van een onevenredig nadelige positie van de werkgever. De Raad heeft geen aanknopingspunten om in dit geding tot een andersluidend oordeel te komen.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat de door appellant in hoger beroep aangevoerde grieven op zich niet slagen. Zulks betekent evenwel niet dat de aangevallen uitspraak in rechte stand kan houden. De rechtbank heeft namelijk aan haar oordeel dat de medische besluitenregeling in strijd is te achten met artikel 6 van het EVRM ten onrechte als gevolg de vernietiging van het bestreden besluit verbonden. In dit verband volstaat de Raad met een verwijzing naar zijn uitspraak van 13 februari 2002, gepubliceerd in USZ 2002/101, waarin het oordeel is neergelegd dat een bestuursorgaan, anders dan de rechter, niet gehouden kan worden geacht om op grond van artikel 6 van het EVRM af te wijken van de medische besluitenregeling en met name van artikel 88c van de WAO, in het kader van de heroverweging in bezwaar van een eerder genomen besluit.

De Raad overweegt ten slotte dat hij niet toekomt aan een beoordeling van gedaagdes bij verweerschrift aangevoerde grieven inzake de afwijzing door de rechtbank van de verzochte schade en proceskosten, nu daarmee buiten de omvang van het geding in hoger beroep zou worden getreden. Het gaat hierbij immers om op zichzelf staande, van de door appellant in hoger beroep naar voren gebrachte grieven losstaande, beslissingen van de rechtbank, waartegen van de zijde van gedaagde niet zelfstandig is geappelleerd.

De Raad acht het, mede gelet op de aard van de onderhavige procedure, aangewezen dat in twee rechterlijke instanties geprocedeerd moet kunnen worden over de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden, in verband waarmee de Raad aanleiding ziet om met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet de zaak terug te wijzen naar de rechtbank. Bij haar oordeelsvorming zal de rechtbank tevens de hiervoor vermelde grief kunnen betrekken inzake de door gedaagde gestelde strijd van het bestreden besluit met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in verband waarmee de Raad zich (ook) van een oordeel dienaangaande zal onthouden.

De Raad ziet geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Wijst de zaak terug naar de rechtbank Dordrecht.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2003.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.H.A. Jenniskens.