Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF6193

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2003
Datum publicatie
24-03-2003
Zaaknummer
01/2599 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2003-02-25
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18, geldigheid: 2003-02-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2003/123 met annotatie van Redactie
RSV 2003, 102

Uitspraak

01/2599 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 18 juni 1999 heeft gedaagde de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 24 juni 1999 ingetrokken, onder overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 15% was.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 12 mei 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Assen heeft bij uitspraak van 4 april 2001 het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellante is mr. C.M.E.F. Theuns, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft gedaagde nadere stukken ingezonden en informatie verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 24 september 2002, waar voor appellante is verschenen mr. Theuns, voornoemd, en waar namens gedaagde niemand is verschenen.

De Raad heeft het onderzoek na de zitting heropend. Partijen hebben vervolgens desgevraagd toestemming gegeven de nadere behandeling van het geding ter zitting van de Raad achterwege te laten.

II. MOTIVERING

Gelet op de vanwege partijen gegeven toestemming daartoe heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Appellante, laatstelijk werkzaam als schoonmaakster gedurende 13,75 uur per week, is op 12 juli 1996 uitgevallen met surmenageklachten. Daarnaast lijdt appellante aan pijnklachten aan schouders en armen, fibromyalgie en staar. Bij einde wachttijd is zij volledig arbeidsongeschikt geacht, in verband waarmee haar een uitkering ingevolge de WAO werd toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante op 24 juni 1999 weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie functies met de hoogste lonen met het voor haar geldende maatmaninkomen resulteert volgens gedaagde in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%, zodat haar uitkering met ingang van 24 juni 1999 wordt ingetrokken.

In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend.

Wat betreft het medisch aspect van de in geding zijnde beoordeling overweegt de Raad dat de belastbaarheid van appellante, zoals door gedaagdes verzekeringsarts weergegeven in het formulier "Functie informatie systeem VG/AD" van 11 februari 1999 niet is overschat. De verzekeringsarts heeft bij de vaststelling van de belastbaarheid rekening gehouden met de bij appellantes behandelend neuroloog H.G. Lim ingewonnen inlichtingen. De Raad heeft uit de beschikbare medische stukken niet kunnen afleiden dat er op de in geding zijnde datum, 24 juni 1999, sprake was van ernstiger beperkingen dan de verzekeringsarts heeft aangegeven. Aan het op verzoek van appellante opgemaakte en in hoger beroep overgelegde rapport van dr. J.D. Visser, orthopedisch chirurg, van 19 juli 2001 kent de Raad geen doorslaggevende betekenis toe, aangezien dit rapport dateert van een beduidend latere datum, hetgeen - zo geeft dr. Visser in zijn rapport aan - het bepalen van appellantes gezondheidstoestand op de datum in geding heeft bemoeilijkt. Voorts kan de Raad zich vinden in het commentaar van gedaagdes bezwaarverzekeringsarts dat de stelling van dr. Visser, dat appellante niet meer dan 1 kilogram kan tillen, onwaarschijnlijk is bij afwezigheid van verlammingen.

De Raad is voorts tot de overtuiging gekomen dat de aan appellante voorgehouden functies in overeenstemming zijn met de aangegeven belastbaarheid, waarbij de Raad acht heeft geslagen op de door gedaagdes bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige gegeven toelichtingen.

De Raad is evenmin gebleken dat de in geding zijnde beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellante wat het arbeidskundig aspect betreft niet op goede gronden zou berusten.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat gedaagde zijn beleid, geformuleerd in de bijlage bij het Besluit uurloonschatting 1999 (Besluit van 11 februari 1999, Stcrt. 1999, 40, hierna te noemen: het BUS), op onjuiste wijze heeft toegepast. Volgens appellante dient de schatting te worden gebaseerd op de drie fb-codes met het hoogste uurloon, hetgeen volgens appellante in het onderhavige geval leidt tot de toepassing van een reductiefactor, aangezien in de derde fb-code uitsluitend functies voorkomen met een urenomvang die kleiner is dan de urenomvang van de maatgevende functie. Toepassing van de reductiefactor leidt volgens appellante minimaal tot indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.

De Raad kan appellante in deze stelling niet volgen. Uit het BUS volgt dat gedaagde primair tracht functiebestandscodes (fb-codes) te selecteren met functies met een urenomvang binnen een bandbreedte, waarvan de ondergrens wordt gevormd door de urenomvang van de maatgevende functie per week en waarvan de bovengrens wordt gevormd door een aan de omvang van de maatgevende functie gerelateerde opslag van 3, 4 of 5 uur. Indien aldus, in het BUS aangeduid als stap 1, onvoldoende fb-codes worden gevonden, selecteert gedaagde (daarnaast) fb-codes waarin zowel functies voorkomen met een urenomvang groter dan de bandbreedte als functies met een urenomvang kleiner dan de bandbreedte (stap 2). Slechts indien de stappen 1 en 2 onvoldoende fb-codes opleveren, gaat gedaagde over tot het selecteren van fb-codes met een urenomvang die kleiner is dan de urenomvang van de maatgevende functie (stap 3), waarbij de mediane loonwaarde wordt vermenigvuldigd met een reductiefactor.

In het onderhavige geval heeft stap 1 van de functieselectie twee fb-codes opgeleverd, te weten de fb-codes 6211 (melkmonsternemer) en 5427 (voedingsassistent). Stap 2 van de functieselectie heeft één fb-code opgeleverd, te weten de fb-code 9855 (bestelautochauffeur). Aangezien deze drie fb-codes gezamenlijk minimaal 30 en afzonderlijk minimaal 7 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen, bestaat op grond van het BUS geen aanleiding functies te selecteren conform stap 3. Toepassing van een reductiefactor is dan ook niet aan de orde. Gedaagde heeft derhalve geheel conform zijn beleid de volgens stap 3 geselecteerde functie niet aan de schatting ten grondslag gelegd, zodat appellantes grief geen doel treft.

De Raad acht het hierboven beschreven aspect van gedaagdes beleid en de toepassing daarvan in het onderhavige geval rechtens aanvaardbaar, te meer daar deze wijze van toepassing in het onderhavige geval leidt tot de vaststelling van een zo laag mogelijke mate van arbeidsongeschiktheid, hetgeen aansluit bij de ratio van het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong zoals die onder meer blijkt uit artikel 3, tweede lid, aanhef en onder h, van dat besluit.

De Raad ziet voorts geen aanleiding de toepassing in strijd te achten met artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong, waarin weliswaar wordt gesteld dat bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid die algemeen geaccepteerde arbeid in aanmerking wordt genomen waarmee betrokkene per uur het meest kan verdienen, doch zulks laat onverlet dat gedaagde op een bepaalde wijze functies zal dienen te selecteren alvorens uit die selectie de hoogst verlonende functie kan worden gekozen.

Tot slot overweegt de Raad, met verwijzing naar zijn uitspraak, gepubliceerd in RSV 2002/159, de toepassing van de bandbreedtemethode en de functieselectie conform stap 1 van het BUS rechtens aanvaardbaar te hebben geacht. In zijn uitspraak van 18 februari 2003 in de zaak met nummer 01/5147 WAO, waarvan ten behoeve van partijen een afschrift aan deze uitspraak is gehecht, heeft de Raad de functieselectie conform stap 2 van het BUS aanvaardbaar geacht. De Raad ziet geen aanleiding de conform de stappen 1 en 2 toegepaste functieselectie in het onderhavige geval niet aanvaardbaar te achten.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2003.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W. Engelhart.

AF