Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF6191

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2003
Datum publicatie
24-03-2003
Zaaknummer
01/2071 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op ZW-uitkering tijdens ouderschapsverlof.

Appellante heeft met haar werkgever de afspraak gemaakt dat zij met ingang van 1 september 1999 onbetaald ouderschapsverlof neemt. Zij is met ingang van 13 augustus 1999 arbeidsongeschikt geworden. De werkgever heeft tot 1 september 1999 het loon doorbetaald. Gedaagde heeft ziekengeld geweigerd, omdat per 1 september 1999 het dienstverband van appellante met haar werkgever niet is geëindigd. Zij heeft daarom op grond van art. 29 van de ZW geen recht op ziekengeld. Bij het bestreden besluit heeft gedaagde nog toegevoegd dat zij evenmin recht heeft op ziekengeld op grond van art. 46 van de ZW. Het bezwaar is bij dat besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft tot 1 september 1999 loon ontvangen en is daarom tot die datum verzekerd geweest ingevolge de ZW, zij het dat, gelet op art. 29 van de ZW, aan haar over het tijdvak van 13 augustus 1999 tot 1 september 1999 geen ziekengeld wordt uitgekeerd. Vanaf 1 september 1999 heeft zij onbetaald voltijds ouderschapsverlof genoten. Daarom is vanaf 1 september 1999 de fictie van art. 6, tweede lid, van de ZW op haar van toepassing, dat ten tijde van dat verlof geen dienstbetrekking aanwezig wordt geacht. Bij de Wet onbetaald verlof is de uitzondering in onderdeel c vervallen. Geen van de andere uitzonderingen in art. 6, tweede lid, is overigens van toepassing. Appellante kan evenmin vanaf 1 september 1999 ingevolge art. 8 van de ZW als werknemer/verzekerde worden beschouwd. Zij heeft over het tijdvak van 13 augustus 1999 tot 1 september 1999 geen ziekengeld ontvangen en valt niet onder de ingevolge het onderdeel b van art. 8 aangewezen gevallen.

De conclusie is daarom dat ten aanzien van appellante vanaf 1 september 1999, conform de strekking van de Wet onbetaald verlof, geen dienstbetrekking aanwezig wordt geacht en geen verzekering meer bestaat.

De fictie van art. 6, tweede lid, van de ZW dat geen dienstbetrekking aanwezig wordt geacht, doet evenwel niet af aan het feit dat de privaatrechtelijke dienstbetrekking van appellante met haar werkgever formeel tijdens het onbetaald voltijds verlof is voortgezet en derhalve niet is geëindigd. Daarom is de bepaling van art. 29, tweede lid, onder c, van de ZW niet van toepassing. Hetzelfde geldt voor art. 46, eerste lid, van de ZW.

De Raad concludeert op grond van deze overwegingen dat gedaagde terecht aan appellante per 1 september 1999 ziekengeld heeft geweigerd en bevestigt de aangevallen uitspraak.

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut sociale verzekeringen, gedaagde.

mrs. Ch. Van Voorst, D.J. van der Vos, Ch.J.G. Olde Kalter

Wetsverwijzingen
Ziektewet 6
Ziektewet 29
Ziektewet 46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2003, 128
USZ 2003/120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/2071 ZW

U I T S P R A A K

In het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 3 mei 2000 heeft gedaagde appellante in kennis gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Ziektewet.

De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 22 februari 2001 het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellante heeft mr. P.J. van 't Hoff, werkzaam bij de stichting Rechtsbijstand te Tilburg, op in het aanvullend beroepschrift vermelde gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 7 januari 2003, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Van 't Hoff, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. G. Koopman, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Appellante heeft met haar werkgever de afspraak gemaakt dat zij met ingang van 1 september 1999 onbetaald ouderschapsverlof neemt. Zij is met ingang van 13 augustus 1999 arbeidsongeschikt geworden. De werkgever heeft tot 1 september 1999 het loon doorbetaald. Bij brief van 29 september 1999 heeft appellante een aanvraag ingediend voor ziekengeld met ingang van 1 september 1999. Per 15 oktober 1999 heeft zij zich hersteld gemeld.

Gedaagde heeft bij besluit van 12 november 1999 ziekengeld geweigerd, omdat per 1 september 1999 het dienstverband van appellante met haar werkgever niet is geëindigd. Zij heeft daarom op grond van artikel 29 van de Ziektewet geen recht op ziekengeld. Bij het bestreden besluit heeft gedaagde nog toegevoegd dat zij evenmin recht heeft op ziekengeld op grond van artikel 46 van de Ziektewet. Het bezwaar is bij dat besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

De Raad overweegt dat bij wet van 11 juni 1998 tot wijziging van de Ziektewet, de WAO, de WW en enkele andere wetten in verband met het wegnemen van belemmeringen in socialeverzekeringswetten bij het opnemen van onbetaald verlof,

Stb. 1998, 412 (hierna: Wet onbetaald verlof), welke wet per 1 oktober 1998 in werking is getreden, een aantal wijzigingen is aangebracht in de Ziektewet, waarvan de essentie is dat bij onbetaald verlof, met welk doel dan ook, geen dienstbetrekking en geen verzekering meer wordt aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 25618, nr. 3, blz. 7). Daartoe is onder meer in artikel 6, tweede lid, van de Ziektewet onderdeel c vervallen. De in dit onderdeel vervatte bepaling vormde één van de uitzonderingen op de regel van artikel 6, tweede lid, dat geen dienstbetrekking wordt geacht aanwezig te zijn op dagen, waarop geen arbeid wordt verricht en geen uitkering of een uitkering van minder dan de helft van het normale loon van de werkgever wordt genoten. De uitzondering in onderdeel c betrof bijzonder verlof, zolang dit verlof niet langer dan een maand had geduurd. Als een van de gevallen van bijzonder verlof is het onbetaald voltijds ouderschapsverlof beschouwd (25618, nr. 3, blz. 6).

In de memorie van toelichting op de Wet onbetaald verlof wordt verder opgemerkt dat aan de nawerking van de ziektewetverzekering tijdens onbetaald verlof evenmin behoefte lijkt te bestaan (25618, nr. 3, blz. 7). In verband daarmee is in artikel 46, eerste lid, van de Ziektewet de zin toegevoegd: Indien de verzekering berust op een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 ontstaat de in de eerste zin bedoelde aanspraak op ziekengeld eerst na het eindigen van die dienstbetrekking.

Appellante heeft tot 1 september 1999 loon ontvangen en is daarom tot die datum verzekerd geweest ingevolge de Ziektewet, zij het dat, gelet op artikel 29 van de Ziektewet, aan haar over het tijdvak van 13 augustus 1999 tot 1 september 1999 geen ziekengeld wordt uitgekeerd. Vanaf 1 september 1999 heeft zij onbetaald voltijds ouderschapsverlof genoten. Daarom is vanaf 1 september 1999 de fictie van artikel 6, tweede lid, van de Ziektewet op haar van toepassing, dat ten tijde van dat verlof geen dienstbetrekking aanwezig wordt geacht. Zoals opgemerkt bij de Wet onbetaald verlof is de uitzondering in onderdeel c vervallen. Geen van de andere uitzonderingen in artikel 6, tweede lid, is overigens van toepassing. Appellante kan evenmin vanaf 1 september 1999 ingevolge artikel 8 van de Ziektewet als werknemer/verzekerde worden beschouwd. Zij heeft over het tijdvak van 13 augustus 1999 tot 1 september 1999 geen ziekengeld ontvangen en valt niet onder de ingevolge het onderdeel b van artikel 8 aangewezen gevallen.

De conclusie is daarom dat ten aanzien van appellante vanaf 1 september 1999, conform de strekking van de Wet onbetaald verlof, geen dienstbetrekking aanwezig wordt geacht en geen verzekering meer bestaat.

De fictie van artikel 6, tweede lid, van de Ziektewet dat geen dienstbetrekking aanwezig wordt geacht, doet evenwel niet af aan het feit dat de privaatrechtelijke dienstbetrekking van appellante met haar werkgever formeel tijdens het onbetaald voltijds verlof is voortgezet en derhalve niet is geëindigd. Daarom is de bepaling van artikel 29, tweede lid, onder c, van de Ziektewet niet van toepassing. Hetzelfde geldt voor artikel 46, eerste lid, van de Ziektewet.

De Raad concludeert op grond van deze overwegingen dat gedaagde terecht aan appellante per 1 september 1999 ziekengeld heeft geweigerd en bevestigt de aangevallen uitspraak.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2003.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.W.P. van der Hoeven.

PK