Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF6188

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-01-2003
Datum publicatie
24-03-2003
Zaaknummer
01/5406 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2003/124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/5406 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 21 juni 1999 heeft gedaagde geweigerd om appellante, in aansluiting op de wettelijke wachttijd, met ingang van 27 mei 1999 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 15% was.

Het namens appellante door mr. H. Cornelis, advocaat te Utrecht, tegen dat besluit gemaakte bezwaar is door gedaagde, nadat van de zijde van appellante beroep was ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op dat bezwaar, ongegrond verklaard bij besluit van 1 november 2000.

De rechtbank Utrecht heeft het vorenomschreven beroep met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen het besluit van 1 november 2000 (hierna: het bestreden besluit) en heeft bij uitspraak van 3 september 2001 onder meer het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Mr. Cornelis heeft namens appellante op bij aanvullend beroepschrift, met bijlagen, aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen evenvermelde uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift, met bijlage, ingediend.

De Raad heeft vragen aan gedaagde gesteld, welke door gedaagde zijn beantwoord bij schrijven van 29 augustus 2002, voorzien van bijlagen.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 26 november 2002, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Appellante is op 28 mei 1998 wegens schouderklachten uitgevallen voor haar in een omvang van 36 uur per week verrichte werkzaamheden als afdelingsassistente catering en haar daarnaast in een omvang van 10 uur per week verrichte werkzaamheden als schoonmaakster.

Bij besluit van 21 juni 1999 heeft gedaagde appellante in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 27 mei 1999, niet in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de WAO. Blijkens de aan dat besluit ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige gegevens berust dat besluit op een beoordeling volgens welke appellante in verband met de voor haar van toepassing geachte medische beperkingen weliswaar niet langer geschikt is te achten voor haar maatgevende arbeid, maar nog wel in staat is tot het verrichten van andere werkzaam-heden, waarmee zij een zodanig loon kan verwerven dat zij ten opzichte van het maatmaninkomen een voor de toepassing van de WAO niet relevant loonverlies lijdt van 13%.

In bezwaar tegen het besluit van 21 juni 1999 zijn namens appellante grieven van zowel medische als arbeidskundige aard naar voren gebracht. Gedaagdes bezwaarverzekeringsarts kwam op basis van het door haar ingestelde (dossier)onderzoek tot het oordeel dat bij appellante, ook bij specialistische verwijzing, weinig objectiveerbare afwijkingen zijn gevonden, dat desalniettemin door de verzekeringsarts forse beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van met name de linkerarm, welke niet de dominante arm is, dat er geen aanwijzingen zijn voor psychisch of energetisch verminderde belastbaarheid, dat er evenmin aanwijzingen zijn voor een urenbeperking en, ten slotte, dat bij geen der geduide functies sprake is van een ontoelaatbare belasting van de niet-dominante arm van appellante.

Gedaagdes arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 12 oktober 1999 aangegeven dat als gevolg van een rekenfout bij de primaire schatting abusievelijk is uitgegaan van een maatmaninkomen van f 17,21 per uur in plaats van f 16,76 per uur en dat een beoordeling van de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid aan de hand van het juiste bedrag - uiteraard - blijft resulteren in een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Voor het overige werd geen aanleiding gezien de bij de primaire besluitvorming aangehouden arbeidskundige uitgangspunten voor onjuist te houden.

Bij het bestreden besluit heeft gedaagde, daarbij de zienswijze van zijn bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige volgend, het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de namens appellante in beroep aangevoerde - medische en arbeidskundige - bezwaren verworpen en heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante haar eerdere grieven gehandhaafd. Deze komen, wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit, hierop neer dat appellante de opvatting is toegedaan dat de beperkingen die zij, in het bijzonder als gevolg van haar schouderklachten, ondervindt, te licht zijn ingeschat. In dit verband heeft zij erop gewezen dat, anders dan tot dan toe het geval was, de behandelend artsen de oorzaak van haar klachten inmiddels hebben kunnen vaststellen, ter ondersteuning waarvan appellante brieven d.dis 10 september en 19 oktober 2001 van haar behandelend orthopedisch chirurg H. van der Hoeven, heeft overgelegd. Voorts blijft appellante bestrijden dat zij op de hier in geding zijnde datum in staat zou zijn in de (maatgevende) omvang van 46 uur per week werkzaam te zijn.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag heeft appellante haar zienswijze gehandhaafd dat de schatting voldoende realiteitswaarde ontbeert, nu deze berust op functies met een omvang van - niet meer dan - 38 uur per week. Gelet op het feit dat zij voorafgaande aan haar uitval werkzaam was in een omvang van 46 uur per week, hadden naar de opvatting van appellante uitsluitend (combinaties van) functies - met ten minste 7 arbeidsplaatsen elk - in aanmerking mogen worden genomen met een omvang van 46 tot 51 uur, vallende binnen de zogeheten bandbreedte als bedoeld in het op 1 april 1999 in werking getreden Besluit uurloonschatting van 11 februari 1999, Stcrt. 1999,40. De schatting is naar het oordeel van appellante om die reden in strijd te achten met het in artikel 3, eerste lid, van het hier van toepassing zijnde Schattingsbesluit WAO, Waz en Wajong, Stb. 1997,801 vervatte voorschrift dat bij de berekening van hetgeen een betrokkene met arbeid kan verdienen wordt uitgegaan van de maatgevende urenomvang.

De Raad ziet deze grieven in navolging van de rechtbank geen doel treffen.

Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit is ook de Raad van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om de ten aanzien van appellante in aanmerking genomen medische beperkingen niet juist te achten. Zulke aanknopingspunten acht de Raad met name ook niet gelegen in de bij het beroepschrift gevoegde brieven van de orthopedisch chirurg Van der Hoeven. Afgezien van het feit dat deze arts appellante voor het eerst heeft gezien op 3 juli 2001 en zijn brieven geen uitspraken bevatten over de in dit geding van belang zijnde datum 27 mei 1999, blijkt uit die brieven niet meer dan dat bij appellante sprake is van chronische schouderklachten links op basis van subacromiaal impingment linkerschouder met mogelijke cufflaesie en dat, bij onvoldoende effect van conservatieve therapie en gezien de duur van de klachten, is besloten tot een bepaalde chirurgische behandeling. De Raad vermag hierin geen relevant oordeel te ontwaren omtrent de voor appellante op 27 mei 1999 uit haar aandoening voortvloeiende arbeidsbeperkingen.

Evenmin heeft de Raad enig objectief-medisch aanknopingspunt gevonden om appellante te kunnen volgen in haar eigen opvatting dat zij niet langer in staat is om in een omvang van 46 uur per week werkzaam te zijn.

Ook de Raad gaat er aldus vanuit dat de medische beperkingen van appellante door gedaagde niet zijn onderschat.

Voor de Raad staat voorts, mede gezien de toelichting die van de zijde van gedaagde desgevraagd nog bij rapport van 7 augustus 2002 is verschaft met betrekking tot de bij enkele functies voorkomende markeringen, vast dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies - zoals deze resteren nadat gedaagde enkele functies in verband met de daaraan verbonden opleidingseisen alsnog heeft laten vervallen - in medisch opzicht binnen het bereik van appellante liggen. Ook overigens heeft de Raad geen aanleiding gevonden om die resterende functies niet als een toereikende basis voor de onderhavige schatting te aanvaarden.

Wat betreft de hiervoor weergegeven bezwaren van appellante tegen de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 16 april 2002, onder meer gepubliceerd in RSV 2002/159, in welke uitspraak de Raad heeft blijk gegeven van zijn opvatting dat artikel 3, eerste lid, van het hiervoor vermelde schattingsbesluit betrekking heeft op de berekening van de resterende verdiencapaciteit, in verband waarmee uit deze bepaling niet kan worden afgeleid dat bij het selecteren van functies overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, tweede lid sub a en b, juncto artikel 4, eerste lid, van het schattingsbesluit de omvang van de maatgevende arbeid bepalend moet zijn. De Raad heeft daarbij gewezen op zijn constante rechtspraak inzake deeltijd-werkenden, waaruit naar voren komt dat bij de selectie van deeltijdfuncties de omvang van de deeltijdarbeid niet relevant is en overwogen dat uit zijn rechtspraak niet kan worden afgeleid dat de Raad ten aanzien van voltijdwerkenden een andere opvatting huldigt. De Raad heeft geen aanleiding om in een geval als hier aan de orde, waarin de maatgevende omvang meer bedraagt dan een normale voltijdse omvang, tot een andersluidend oordeel te komen.

De Raad constateert voorts dat de berekening van de mate van appellantes resterende verdiencapaciteit is verlopen aan de hand van de zogeheten stap 3 als bedoeld in het hiervoor vermelde Besluit uurloonschatting, waarbij aldus het door appellante benadrukte verschil tussen de omvang van de bandbreedte van 46 tot 51 uur enerzijds en de omvang van in aanmerking genomen functies anderzijds, in de berekening van de mate van haar arbeidsongeschiktheid is verdisconteerd door toepassing van een reductiefactor. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat niet is kunnen blijken dat appellante met de aldus toegepaste schattingsmethodiek tekort is gedaan.

Ten slotte overweegt de Raad dat hij voorbijgaat aan het verzoek van gedaagde om het bestreden besluit te lezen als ware daarin de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante alsnog bepaald op de klasse 15 tot 25%, reeds omdat voor die nadere opvatting geen steun kan worden gevonden in de voorliggende objectieve gegevens. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat bedoeld verzoek berust op een nadere berekening waarbij gedaagdes bezwaararbeidsdeskundige in diens rapport van 13 augustus 2002, abusievelijk is uitgegaan van een maatgevend inkomen van f 17,22 per uur. De bezwaararbeidsdeskundige heeft daarbij miskend dat genoemd maatgevend inkomen, naar hiervoor is aangegeven, reeds gecorrigeerd was en nader was vastgesteld op een bedrag van f 16,76 per uur. Uitgaande van dit laatste - door de Raad juist geachte - bedrag alsmede van een mediaan uurloon van f 14,34, zoals vermeld in bovengenoemd rapport van 13 augustus 2002, blijft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante gelegen beneden de grens van 15%.

De Raad komt tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak, in zoverre daarbij het beroep tegen dat besluit ongegrond is verklaard, komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2003.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

AF