Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF5868

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2003
Datum publicatie
17-03-2003
Zaaknummer
01/92 AW + 01/1364 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:2, geldigheid: 2003-02-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

01/92 AW en 01/1364 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, appellante,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellante heeft op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 23 november 2000, nr. AWB 99/767 AW V01, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend, waarop namens appellante is gereageerd. Partijen hebben een nader besluit van 8 februari 2001 (hierna: besluit 2) ingezonden, dat appellante ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft genomen. Namens gedaagde zijn nog nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 5 december 2002, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.El Hamdaoui, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep (IBG). Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. K.F. Hofstee, juridisch adviseur te Groningen.

II. MOTIVERING

1. De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.

1.1. In het kader van een reorganisatie van de IBG heeft appellante op 5 januari 1999 een "oud-nieuwlijst" vastgesteld. In dit aan de medewerkers bekendgemaakte stuk is vermeld welke functies geheel of in overwegende mate in de nieuwe organisatie zouden terugkeren (1:1 functies) en welke functies zouden vervallen. In het laatste geval was volgens de toelichting sprake van opheffing van de functie. De datum waarop de opheffing inging - na afronding van de plaatsingsfase - zou later aan de betrokken medewerker(s) worden meegedeeld.

1.2. Gedaagde, bij het begin van de reorganisatie medewerker Beroep II (schaal 10), heeft tegen de oud-nieuwlijst bezwaar gemaakt omdat die functie volgens de lijst verviel. Zij achtte dat ten onrechte omdat de naar haar oordeel vrijwel gelijke functie van medewerker Beroep I (schaal 11) in de nieuwe organisatie wel terugkeerde, te weten in de functie van medewerker SO 4 (Second Opinion 4) (schaal 11). Bij besluit van 29 juni 1999 is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Volgens dit besluit zoals het na wijziging bij besluit van 28 oktober 1999 is komen te luiden (hierna: besluit 1), was gedaagde geen belanghebbende bij het besluit tot vaststelling van de oud-nieuw lijst, omdat zij daardoor niet rechtstreeks in haar belang getroffen was. Gedaagde heeft hiertegen beroep ingesteld.

1.3. Vervolgens is gedaagde bij besluit van 12 november 1999, met vermelding van de mogelijkheid van bezwaar tegen dat besluit, meegedeeld dat:

- besloten was haar op een nader te bepalen datum (transitiedatum) te plaatsen in de functie van medewerker bedrijfsadministratie 1 bij de Directie Diensten;

- zij, hoewel zij geschikt was voor de functie van medewerker SO 4, haar eerste voorkeur, niet daarin werd geplaatst omdat er voldoende kandidaten waren voor wie die functie een 1:1-functie was;

- haar aanstelling als medewerker Beroep II tot de transitiedatum, waarover zij nader geïnformeerd zou worden, niet zou veranderen.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen besluit 1 gegrond verklaard. De rechtbank overwoog dat gedaagde als gevolg van de oud-nieuwlijst, anders dan degenen wier functie wel terugkeerde, bij de IBG een andere functie moest zien te verkrijgen waarvoor een een test en een selectiegesprek vereist waren. De rechtbank achtte gedaagde hierdoor in haar ambtelijke rechtspositie geraakt. Dit leidde tot vernietiging van besluit 1 en - onder het treffen van bepalingen inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht - tot de opdracht aan appellante om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de aangevallen uitspraak was overwogen.

3.1. Appellante betoogt in hoger beroep dat gedaagdes rechtspositie door de vaststelling van de oud-nieuwlijst niet is gewijzigd. Het enige rechtsgevolg dat door die vaststelling is ontstaan, is dat een volgende fase van de reorganisatie is ingetreden, te weten de selectie- en plaatsingsprocedure. Eerst door het, in de loop van die fase genomen, plaatsingsbesluit van 12 november 1999 acht appellante gedaagde rechtstreeks in haar belang geraakt.

3.2. De Raad kan appellante niet volgen. Reeds eerder (zie de in TAR 1997, 85 gepubliceerde uitspraak) heeft de Raad overwogen dat de belangen van degene die een functie die wordt opgeheven laatstelijk vervult, rechtstreeks betrokken zijn bij het besluit tot opheffing van die functie, nu betrokkene als gevolg van de opheffing de hem krachtens zijn aanstelling geboden mogelijkheid tot het verrichten van het desbetreffende samenstel van werkzaamheden verliest. Dat het opheffingsbesluit zou worden gevolgd door een besluit tot het opdragen van andere werkzaamheden dan wel bijvoorbeeld tot ontslagverlening, acht de Raad net als in aangehaalde uitspraak van onvoldoende gewicht voor een andersluidend oordeel. Het besluit van 5 januari 1999 tot vaststelling van de oud-nieuwlijst hield mede een besluit tot opheffing van de functie van medewerker Beroep II in. Gedaagde was naar het oordeel van de Raad belanghebbende bij dat besluit, nu die functie op dat tijdstip (onder meer) door haar werd vervuld. De omstandigheid dat de ingangsdatum van de opheffing eerst later zou worden vastgesteld en dat gedaagde haar functie van medewerker Beroep II derhalve nog enige tijd behield, doet hieraan niet af.

3.3. De rechtbank heeft geconcludeerd dat, gelet op het feit dat gedaagde bij de oud-nieuwlijst belanghebbende was, besluit 1 in strijd is met de wet. Appellantes stelling dat die conclusie een motiveringsgebrek vertoont nu zij geen wetsartikel vermeldt, mist elke grond. De conclusie vormt immers het sluitstuk van een beschouwing die expliciet over artikel 1:2 van de Awb handelt.

3.4. Appellante stelt vervolgens dat de rechtbank ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan het feit, dat gedaagde tegen het plaatsingsbesluit van 12 november 1999 geen bezwaar had gemaakt. De Raad neemt aan dat appellante wil betogen dat gedaagde, door tegen de in dat besluit vervatte weigering haar in de functie van SO 4 te plaatsen geen bezwaar te maken, haar procesbelang bij het reeds tegen besluit 1 ingestelde beroep had verloren.

3.5. Uit 3.2. volgt dat gedaagde belanghebbende was bij het besluit van 5 januari 1999 tot opheffing van haar functie en het daaromtrent genomen besluit 1. Daartoe heeft zij tegen besluit 1 beroep ingesteld. Haar processuele belang bij een beoordeling van dat besluit is naar het oordeel van de Raad niet verloren gegaan, doordat zij zich niet verzet heeft tegen de uit die opheffing logisch volgende plaatsing in een andere functie. Gedaagde heeft dienaangaande ter zitting verklaard dat die plaatsing, uitgaande van de opheffing als voldongen feit, bij haar ook niet op bezwaren stuitte.

3.6. Appellante betoogt tenslotte dat de rechtbank niet had behoren te volstaan met een vernietiging van de niet-ontvankelijkverklaring, maar zich tevens, ten overvloede dan wel met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb had moeten uitspreken over het geschil ten gronde.

3.7. Deze stelling faalt, reeds omdat er geen grond was de rechtbank gehouden te achten na de vernietiging van het bestreden besluit zich tevens uit te spreken over de inhoud van het nieuw te nemen besluit op bezwaar.

3.8. Dit leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. Derhalve wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.

4. Ter uitvoering van de in de aangevallen uitspraak gegeven opdracht heeft appellante op 8 februari 2001 besluit 2 genomen. Daarbij is gedaagdes bezwaar weer niet-ontvankelijk verklaard. Appellante heeft daartoe overwogen dat gedaagde bij een nieuw besluit op haar bezwaar geen belang meer had, omdat zij bij besluit van 1 februari 2001 per 1 maart 2001 alsnog in de functie van SO 4 was aangesteld.

4.1. De Raad betrekt besluit 2 op de voet van artikel 6:19 van de Awb bij het onderhavige geding nu dat besluit blijkens het door gedaagde ingenomen standpunt niet volledig aan het bezwaar tegemoet komt.

4.2. Gedaagde betoogt in tegenstelling tot appellante dat zij ten tijde van het nemen van besluit 2 - waarbij haar bezwaar opnieuw niet-ontvankelijk is verklaard - nog steeds procesbelang had bij een inhoudelijke beoordeling van het opheffingsbesluit van

5 januari 1999.

4.3. De Raad stelt vast dat gedaagde alsnog in de door haar geambieerde functie van SO 4 is aangesteld. Maar, nu zij in die functie (aanmerkelijk) later is aangesteld dan het geval zou zijn geweest als de functie van medewerker Beroep II niet was opgeheven en de Raad voorts aan de hand van de beschikbare gegevens niet heeft kunnen vaststellen dat gedaagde door die latere aanstelling geen nadeel met betrekking tot haar inschaling heeft geleden, is door die aanstelling haar procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit tot opheffing van de functie van medewerker Beroep II niet verloren gegaan.

4.4. Appellante heeft derhalve - wederom - ten onrechte nagelaten om inhoudelijk op het bezwaar te beslissen. Derhalve is het beroep dat gedaagde geacht moet worden tegen besluit 2 te hebben ingesteld, gegrond, zodat de Raad dat besluit zal vernietigen. Appellante dient op het bezwaar tegen het besluit van 5 januari 1999 tot opheffing van de functie van medewerker Beroep II alsnog inhoudelijk te beslissen, met inachtneming van de overwegingen van 's Raads onderhavige uitspraak.

4.5. Bij het nieuwe besluit op het bezwaar dient appellante tevens te beslissen op gedaagdes verzoek om vergoeding van de als gevolg van (de handhaving van) het opheffingsbesluit geleden materiële en immateriële schade.

5. De Raad ziet grond appellante te veroordelen in gedaagdes proceskosten terzake van in hoger beroep en in het beroep tegen besluit 2 verleende rechtsbijstand, ten bedrage van in totaal € 622,-. Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep dat gedaagde geacht wordt tegen besluit 2 te hebben ingesteld, gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat appellante, met inachtneming van de overwegingen van de onderhavige uitspraak, alsnog inhoudelijk op gedaagdes bezwaar tegen het besluit van 5 januari 1999 tot opheffing van de functie van medewerker Beroep II dient te beslissen;

Veroordeelt appellante in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van € 622,-, te betalen door de Informatie Beheer Groep;

Bepaalt dat van de Informatie Beheer Groep een griffierecht wordt geheven ten bedrage van € 348-.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van L. Savas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2003.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M. Pijper.