Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF5811

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2003
Datum publicatie
14-03-2003
Zaaknummer
00/2982 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 65, geldigheid: 2003-02-18
Algemene bijstandswet 52, geldigheid: 2003-02-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2003/129
JABW 2003, 81

Uitspraak

00/2982 NABW

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante heeft mr. S.J. Cats, advocaat te Emmen, op de in het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Assen op 20 april 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 januari 2003, waar appellante is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Cats, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A. Teune, werkzaam bij de gemeente Emmen.

II. MOTIVERING

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Gedaagde heeft appellante bij besluit van 27 april 1998 met ingang van 16 februari 1998 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Daarbij is haar vermogen vastgesteld op f 1.377,43.

Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 19 maart 1999, nadat was gebleken dat appellante begin mei 1998 een uitkering van Zwitser Leven ten bedrage van f 17.819,-- had ontvangen, de uitkering van appellante over de periode van 1 mei 1998 tot en met 31 augustus 1998 ingetrokken met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw en de over die periode teveel verstrekte bijstand ad f 7.634,75 van haar teruggevorderd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 18 juni 1999 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 18 juni 1999 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen het oordeel van de rechtbank gekeerd.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw doet de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.

Vaststaat dat appellante bij gedaagde geen melding heeft gemaakt van het bestaan van een mede op haar naam staande en/of rekening bij de SNS Bank en evenzeer dat zij niet heeft gemeld dat begin mei 1998 door Zwitser Leven op die rekening een haar toekomend bedrag van f 17.819,-- is geboekt. Door dit na te laten heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw geschonden.

De enkele omstandigheid dat appellante nadien tijdens een heronderzoek desgevraagd alsnog een toelichting heeft gegeven op evenvermelde boeking maakt dit niet anders reeds omdat appellante gehouden was dit gegeven onverwijld, eigener beweging en op de voorgeschreven wijze (primair via de rechtmatigheidsonderzoek-formulieren) aan gedaagde kenbaar te maken.

Nu deze schending van de inlichtingenverplichting ertoe heeft geleid dat appellante ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand is verleend, heeft gedaagde terecht achteraf aan de hand van de ten tijde in geding geldende materiƫle bepalingen van de Abw beoordeeld of en zo ja, in hoeverre de eerder verleende uitkering moest worden herzien of ingetrokken. Daarbij is het volgende van belang.

Artikel 7 van de Abw bepaalt dat iedere Nederlander en de daarmee gelijk gestelde vreemdeling die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand heeft van overheidswege.

Deze middelentoets is uitgewerkt in de artikelen 26, eerste lid, in verbinding met de artikelen 42 en volgende van de Abw. Artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, bepaalt dat recht op bijstand bestaat indien er geen in aanmerking te nemen vermogen is. In artikel 51 en volgende is neergelegd wat onder vermogen wordt verstaan en welke vermogensbestanddelen, die bij de aanvang van de bijstandverlening aanwezig zijn dan wel tijdens de bijstandverlening worden ontvangen, als vermogen in aanmerking worden genomen.

Volgens artikel 51, eerste lid, van de Abw wordt onder vermogen verstaan:

a. de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin bij de aanvang van de bijstandverlening beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden;

b. de op grond van paragraaf 1 in aanmerking te nemen middelen die worden ontvangen tijdens de periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, voorzover deze geen inkomen zijn als bedoeld in artikel 47 Abw.

In geval van (her)beoordeling van het recht op uitkering in het onder b. bedoelde geval dienen, zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 2 mei 2000, gepubliceerd in USZ 2000/171 en RSV 00/158), naast de ontvangen positieve vermogensbestanddelen tevens de negatieve ontwikkelingen in het vermogen tijdens de periode van bijstandsverlening in aanmerking te worden genomen.

Artikel 52, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw bepaalt dat niet als vermogen in aanmerking wordt genomen het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voorzover dit minder bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 54 van de Abw, zijnde voor appellante ten tijde in geding f 9.700,--.

Ingevolge artikel 52, eerste lid, aanhef en onder c, van de Abw geldt hetzelfde voor het vermogen dat tijdens de bijstandsperiode wordt ontvangen, tot het bedrag dat het bij de aanvraag om bijstand aanwezige vermogen minder bedroeg dan de toepasselijke grens, genoemd in artikel 54 Abw.

Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Raad staat vast dat de uitkering van Zwitser Leven als een aan appellante toekomend vermogensbestanddeel moet worden aangemerkt. Evenmin is in geschil dat gedaagde de positieve bestanddelen van het vermogen van appellante ten tijde in geding terecht heeft vastgesteld op f 17.819,--.

Namens appellante is echter betoogd dat dit bedrag dient te worden gesaldeerd met een schuld van f 15.000,-- aan de heer [A.] en een schuld van f 9.000,-- aan haar zoon.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedaagde met deze schulden terecht geen rekening heeft gehouden. Naar vaste rechtspraak kunnen bij de vaststelling en beoordeling van een vermogen immers slechts schulden in aanmerking worden genomen waarvan het bestaan in voldoende mate aannemelijk is gemaakt en waarvan vaststaat dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden. Ten aanzien van beide door appellante gestelde schulden is aan deze cumulatieve eisen niet voldaan. De door appellante in het geding gebrachte brief van 9 juli 1997 waarin het bedrag van

f 15.000,-- is genoemd, is in dat verband bepaald ontoereikend. Allereerst blijkt niet door wie deze brief is ondertekend en voorts blijkt niet van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting (terugbetaling wanneer "beter bij kas" duidt immers op een toekomstige onzekere gebeurtenis). Ook kan er niet aan worden voorbij gezien dat appellante bij haar aanvraag om bijstand in februari 1998 van de gestelde schulden geen melding heeft gemaakt, ondanks dat daar op het inlichtingenformulier expliciet naar is gevraagd, en dat zij geen bezwaar heeft aangetekend tegen de in de toekenningsbeschikking van 27 april 1998 vervatte vermogensvaststelling. Bovendien staat de stelling dat een schuld van f 15.000,-- aan [A.] zou bestaan haaks op hetgeen appellante aanvankelijk ten tijde van de aanvraag om bijstand heeft verklaard terzake van de intering op nog voorhanden spaargeld. Het door appellante nog in geding gebrachte bankafschrift van de SNS Bank, waaruit blijkt dat op 29 mei 1998 een bedrag van f 15.000,-- van haar toenmalige en/of rekening is afgeboekt, werpt geen ander licht op de zaak, reeds omdat daaruit niet blijkt aan wie en op welke grond dit bedrag is overgemaakt. De beweerdelijke schuld aan de zoon ten slotte kan niet worden meegenomen reeds omdat van een dergelijke schuld uit geen enkel schriftelijk stuk is gebleken.

De Raad stelt verder vast dat gedaagde bij de herziening van het recht op uitkering terecht op het positieve vermogen van appellante - met inachtneming van artikel 52, eerste lid, aanhef en onder c, van de Abw - het nog resterende deel van het bij de toekenning ingevolge artikel 54 vrijgelaten vermogen (derhalve f 9.700,-- - f 1.377,43

= f 8.322,57) in mindering heeft gebracht. Nu aldus een vermogen resteert dat uitgaat boven het vrij te laten vermogen was gedaagde gehouden ingevolge artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw de uitkering van appellante in te trekken. De Raad is niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw, op grond waarvan gedaagde de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van intrekking van het recht op uitkering af te zien.

Met betrekking tot de terugvordering stelt de Raad vast dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw op grond waarvan gedaagde geheel of ten dele van terugvordering kon afzien is, niet gebleken.

Het hoger beroep kan derhalve niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een veroordeling in de proceskosten acht de Raad ten slotte geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken op 18 februari 2003.

(get.) Th.C. van Sloten

(get.) P.C. de Wit

FB/12/02