Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF5807

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2003
Datum publicatie
14-03-2003
Zaaknummer
00/4680 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Ziektewet 29, geldigheid: 2003-02-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2003/119
RSV 2003, 96

Uitspraak

00/4680 ZW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsor-ganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Alkmaar onder dagtekening 8 augustus 2000 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr. K.J. Harting, werkzaam bij het Bureau Rechtshulp Alkmaar, bij schrijven van 30 november 2000 van verweer gediend.

Het geding is ter zitting van de Raad, gehouden op 7 januari 2003, gevoegd behandeld met de gedingen bij de Raad geregistreerd onder de nummers 00/5234 ZW, 02/3336 ZW, 00/5232 ZW, 00/5233 ZW en 00/5188 ZW. Appellant heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. K.D. van Someren, werkzaam bij het Uwv. Gedaagde is verschenen bij gemachtigde mr. Harting, voornoemd.

II. MOTIVERING

Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen bij de aangevallen uitspraak door de rechtbank is weerge-geven. Kortheidshalve vermeldt de Raad hier het volgende.

Op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is gedaagde in augustus 1994 in dienst getreden van [bedrijfsnaam] te [vestigingsplaats]. Sindsdien is zij gedurende 50 uur per vier weken als caissière werkzaam geweest in een kantine van de Koninklijke Marine te Den Helder. Vanaf 7 oktober 1997 is het aantal arbeidsuren uitgebreid naar 92 uur per vier weken en vanaf 1 januari 1998 naar 114 uur per vier weken tot 27 juni 1998. Gedaagde is tijdens de extra uren in een andere functie (medewerkster spoelkeuken) werkzaam geweest en op een andere locatie op het marineterrein ingezet. Op

16 februari 1998 heeft gedaagde haar werkzaamheden in de spoelkeuken wegens ziekte gestaakt. De werkgever heeft het loon van gedaagde tijdens deze ongeschiktheid doorbetaald tot 27 juni 1998. Haar werkzaamheden als caissière heeft gedaagde voortgezet tot medio december 1998. Per 27 juni 1998 heeft de werkgever alleen het loon betaald over de door gedaagde gedurende 50 uur per vier weken als caissière verrichte werkzaamheden.

Gedaagde heeft jegens appellant per 27 juni 1998 aanspraak gemaakt op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) over 16 uur per week, omdat haar dienstbetrekking in die omvang was geëindigd.

Bij het bestreden besluit heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat gedaagde terzake geen aanspraak op ziekengeld kan ontlenen aan het bepaalde in artikel 29, tweede lid, sub c, van de ZW. Daaraan is ten grondslag gelegd dat er geen aanwijzingen bestaan dat er sprake is van aparte dienstbetrekkingen, in het bijzonder van een dienstbetrekking voor bepaalde tijd als medewerker spoelkeuken (die eindigde op 27 juni 1998) naast de dienstbetrekking voor onbepaalde tijd als caissière. Nu geen dienstbetrekking valt aan te wijzen die op 27 juni 1998 is geëindigd, voldoet gedaagde niet aan de in evenvermelde bepaling opgenomen voorwaarde dat de dienstbetrekking moet zijn geëindigd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van de Wet uitbreiding loondoorbetaling bij ziekte (WULBZ), in het bijzonder de Memorie van Toelichting (TK, vergaderjaar 1995-1996, 24439, nr. 3, p. 29), overwogen dat met het opnemen van artikel 29, tweede lid, van de ZW is beoogd om in de situatie dat de aard van de arbeidsovereenkomst ertoe leidt dat op de werkgever geen loondoorbetalingsverplichting (meer) rust, de betrokken werknemer bescherming te bieden bij ziekte. Aan deze personen komt eenzelfde bescherming toe als aan degenen met een reguliere arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dit houdt in, dat ook zij recht hebben op 52 weken financiële compensatie na de eerste arbeidsongeschiktheids-dag, hetzij betaald door de werkgever, hetzij door appellant.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het beëindigen van de urenuitbreiding zoals thans aan de orde naar inhoud en gevolgen voor gedaagde geheel vergelijkbaar is met de wel geregelde situatie dat er een vast dienstverband is, dat wordt beëindigd. Hierin heeft de rechtbank aanleiding gezien het geval van gedaagde binnen de werking van artikel 29, tweede lid, van de ZW te brengen.

Gelet op hetgeen in hoger beroep is aangevoerd staat in dit geding centraal de vraag of per 27 juni 1998 sprake was van een situatie waarop het bepaalde in artikel 29, tweede lid, onder c, van de ZW ziet, te weten dat aan gedaagde ziekengeld dient te worden uitgekeerd omdat haar dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de ZW, binnen 52 weken na aanvang van de ongeschiktheid tot werken eindigt. Gedaagde heeft daartoe nog aangevoerd dat sprake was van twee afzonderlijke dienstbetrekkingen, zodat artikel 29, tweede lid, onder c, van de ZW rechtstreeks van toepassing is. In het geval dat gezegd zou moeten worden dat sprake is van een (tijdelijk) uitgebreid dienstverband, heeft, aldus gedaagde, de wetgever verzuimd een regeling te treffen en dient daarin te worden voorzien op de wijze zoals de rechtbank heeft gedaan.

Naar de Raad eerder heeft overwogen (vide zijn uitspraak van 6 juni 2001, gepubliceerd in RSV 2001/197) is er geen grond een splitsing in twee dienstbetrekkingen te maken als de werkzaamheden in de extra uren niet wezenlijk verschillen van het werk binnen de contractueel vastgelegde uren en ook overigens geen verschillende arbeidsvoorwaarden gelden.

Tussen partijen is niet in geschil dat de uitbreiding van uren van tijdelijke aard andersoortige werkzaamheden (in de spoelkeuken) betrof dan waarvoor gedaagde zich voor onbepaalde tijd had verbonden (werkzaamheden als caissière). De Raad wijst er voorts op dat die werkzaamheden op een andere locatie werden verricht en dat de werktijden in de twee functies niet op elkaar aansloten.

Toepassing van evenvermeld criterium leidt de Raad tot het oordeel dat de overeengekomen uitbreiding van arbeidsuren moet worden aangemerkt als een tweede dienstbetrekking voor bepaalde tijd, naast de tussen de werkgever en gedaagde bestaande arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Artikel 29, tweede lid, onder c, van de ZW vereist voor de uitkering van ziekengeld dat sprake is van het eindigen van de dienstbetrekking. Nu de tweede dienstbetrekking van gedaagde per 27 juni 1998 is geëindigd, is aan de voorwaarden voor toepassing van deze bepaling voldaan.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, zij het op andere gronden, voor bevestiging in aanmerking komt. De uitspraak van heden in de met dit geding gevoegd behandelde gedingen met kenmerk 00/5234 ZW, 02/3336 ZW, 00/5232 ZW, 00/5233 ZW en 00/5188 ZW, waarin de Raad tot een ander oordeel is gekomen, hecht de Raad in afschrift aan deze uitspraak.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze worden begroot op € 644,- voor de kosten van verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 306,30 wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2003.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.W.P. van der Hoeven.

PK