Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF5572

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-01-2003
Datum publicatie
12-03-2003
Zaaknummer
00/4611 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2003, 101
USZ 2003/100 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/4611 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 17 september 1999 heeft appellant de uitkering van gedaagde ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, met ingang van 18 november 1999 ingetrokken, op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde was afgenomen naar minder dan 15%.

Bij besluit van 26 november 1999 heeft appellant het door gedaagde tegen dat besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Almelo heeft bij uitspraak van 31 juli 2000 het namens gedaagde ingestelde beroep tegen het besluit van 17 september (lees: 26 november 1999 en hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is bepaald. Tevens heeft de rechtbank aanvullend beslist inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Appellant heeft op bij beroepschrift aangeven gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.

Namens de voormalige werkgever van gedaagde is desgevraagd meegedeeld dat deze geen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid als partij aan het geding deel te nemen.

Gedaagdes dochter heeft een rapport, gedateerd 31 mei 2002, ingezonden, bevattende de weergave van een door de psycholoog drs. E.K.E. Purperhart op 22 maart 2002 ingesteld onderzoek van gedaagde.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 9 juli 2002, waar namens appellant is verschenen mr. I.F. Pardaan, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde met voorafgaand bericht niet is verschenen.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad bij brief van 15 augustus 2002 vragen aan appellant gesteld, welke door appellant zijn beantwoord bij brief van 30 augustus 2002.

Het geding is ter hernieuwde behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 10 december 2002, waar partijen niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Gedaagde was - in een omvang van 38 uur per week - werkzaam als handvormer in dienst van [bedrijfsnaam], toen hij op 8 september 1998 wegens chronische longklachten uitviel. Appellant heeft gedaagde per einde wachttijd, met ingang van 7 september 1999, in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Naar het oordeel van appellants verzekeringsarts was gedaagde aangewezen op niet te zwaar energetisch belastende arbeid in een stofarme omgeving zonder te grote warmte en temperatuurswisselingen. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat gedaagde, gegeven de door de verzekeringsarts aangegeven beperkingen en in aanmerking genomen de belasting van zijn eigen werk, voor dat eigen werk niet langer - in volle omvang - geschikt was te achten, maar nog wel in staat was tot het verrichten van diverse andere functies, waarmee hij in vergelijking met het maatgevende inkomen een loonverlies lijdt van 12,1%.

Appellant heeft daarop bij besluit van 17 september 1999 gedaagdes WAO-uitkering met ingang van 18 november 1999 weer beëindigd op de grond dat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Bij het bestreden besluit is het bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft zich, gelet op de brief van gedaagdes behandelend longarts H.E.J. Sinnighe Damsté van 20 juli 1999 en voorts in aanmerking genomen dat van de zijde van gedaagde geen andere medische stukken in het geding zijn gebracht waaruit blijkt welke concrete beperkingen voor hem voortvloeien uit zijn verminderde longcapaciteit, kunnen verenigen met de door appellant ten aanzien van gedaagde in aanmerking genomen medische beperkingen.

De rechtbank heeft zich evenwel niet kunnen verenigen met de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank heeft in dit verband in de aangevallen uitspraak - waarin appellant als verweerder is aangeduid - onder meer het volgende overwogen:

"Uit het Besluit Uurloonschatting 1999 van verweerder volgt dat bij het duiden van functies voor de urenomvang van de maatman een bandbreedte wordt gehanteerd. Bij een urenomvang van de maatman van meer dan 30 uren (hetgeen hier het geval is) is de bandbreedte de urenomvang van de maatman plus 5 uren.

De door verweerder geduide functie met de hoogste loonwaarde is de functie van "samensteller printplaten". Uit de rapportage van de arbeidsdeskundige en de arbeidsmogelijkhedenlijst blijkt dat er 4 fulltime arbeidsplaatsen "samensteller printplaten" zijn en 3 parttime arbeidsplaatsen "samensteller printplaten". Het gaat hier, zo heeft verweerder ter zitting beaamd, om functies binnen hetzelfde bedrijf. Indien deze parttime functies fulltime zouden kunnen worden uitgevoerd (hetgeen niet is gebleken), zouden nog slechts 5,5 arbeidsplaatsen resteren, hetgeen in het licht van het minimumaantal plaatsen van zeven een niet acceptabel aantal zou opleveren. De urenomvang van de parttime functie valt tevens buiten de hiervoor genoemde bandbreedte. De parttimefunctie kan derhalve naar het oordeel van de rechtbank in het kader van de schatting niet worden beschouwd als een arbeidsplaats die voldoet aan de daaraan te stellen eisen: er moet immers worden uitgegaan van de urenomvang van de maatman. Het bij de parttime functie "samensteller printplaten" genoemde aantal arbeidsplaatsen dient derhalve bij de bepaling van het totaal aantal arbeidsplaatsen buiten beschouwing te worden gelaten."

De genoemde functie van samensteller printplaten vertegenwoordigt aldus naar het oordeel van de rechtbank slechts vier in aanmerking te nemen arbeidsplaatsen, en voldoet daarmee niet aan de te stellen eis van zeven arbeidsplaatsen per functie, in verband waarmee de rechtbank het bestreden besluit wegens strijd met zowel het schattingsbesluit als met appellants beleid heeft vernietigd.

Appellant heeft in hoger beroep evenvermelde zienswijze van de rechtbank bestreden. Hetgeen appellant heeft doen aanvoeren komt in de kern hierop neer dat appellant de opvatting is toegedaan dat, nu de voor de schatting gebruikte functiebestandscodes (fb-codes) alle drie functies kennen ter grootte van de maatgevende omvang, althans ter grootte van de bandbreedte als bedoeld in het Besluit uurloonschatting van 11 februari 1999, Stcrt. 1999/40 (hierna: BUS), en voorts een voldoende aantal arbeidsplaatsen vertegenwoordigen, deze fb-codes zonder meer voor de schatting gebruikt kunnen worden.

De omstandigheid dat bij de door de rechtbank gewraakte fb-code van samensteller printplaten het vereiste van zeven arbeidsplaatsen wordt bereikt door bij vier arbeidsplaatsen, behorende bij de voltijdse variant van die functie, een drietal arbeidsplaatsen op te tellen die behoren bij de deeltijdse variant daarvan, houdt niet in - zo begrijpt de Raad het gestelde in het beroepschrift - dat daarmee in strijd wordt gehandeld met het Schattingsbesluit, de jurisprudentie en/of het eigen beleid van appellant.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij geen aanknopingspunten heeft om met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat van de zijde van gedaagde ook in hoger beroep geen medische gegevens zijn ingebracht met betrekking tot zijn longproblematiek en de daaruit voortvloeiende beperkingen. In het licht van de wel beschikbare gegevens heeft ook de Raad geen aanknopingspunten gevonden om de juistheid van het verzekeringsgeneeskundig oordeel ter zake in twijfel te trekken. Voorts biedt ook het in hoger beroep ingebrachte psychologisch rapport geen aanleiding voor twijfel aan de medische grondslag van het bestreden besluit, reeds omdat dat rapport geen betrekking heeft op de gezondheidssituatie van gedaagde op de in dit geding van belang zijnde datum. Afgezien daarvan komt uit dat rapport geen wezenlijk ander beeld omtrent gedaagdes beperkingen en arbeidsmogelijkheden naar voren dan waarvan appellant is uitgegaan bij het nemen van het bestreden besluit.

Voorts staat voor de Raad genoegzaam vast dat gedaagde, gegeven de aldus voor hem van toepassing te achten medische beperkingen, terecht in staat is geacht tot het vervullen van de door appellants arbeidsdeskundige geselecteerde functies. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat de verwoordingen functiebelasting van die functies geen overschrijdingen laten zien van de voor gedaagde vastgestelde belastbaarheid.

Wat betreft de hiervoor weergegeven zienswijze van de rechtbank inzake de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit alsmede de bezwaren daartegen van appellant, als vervat in het ingediende beroepschrift, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 16 april 2002, onder meer gepubliceerd in RSV 2002/159, in welke uitspraak - waarin het eveneens ging om een verzekerde die was uitgevallen uit een functie met een omvang van 38 uur per week en waarin de schatting eveneens mede berustte op dezelfde fb-code 8538 (samensteller printplaten) als in het onderhavige geval - de Raad heeft blijk gegeven van zijn opvatting dat artikel 3, eerste lid, van het Schattingsbesluit WAO, Waz en Wajong betrekking heeft op de berekening van de resterende verdiencapaciteit, in verband waarmee uit deze bepaling niet kan worden afgeleid dat bij het selecteren van functies overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, tweede lid sub a en b, juncto artikel 4, eerste lid, van dat Schattingsbesluit de omvang van de maatgevende arbeid bepalend moet zijn. De Raad heeft daarbij gewezen op zijn constante rechtspraak inzake deeltijdwerkenden, waaruit naar voren komt dat bij de selectie van deeltijdfuncties de omvang van de deeltijdarbeid niet relevant is en overwogen dat uit zijn rechtspraak niet kan worden afgeleid dat de Raad ten aanzien van voltijdwerkenden een andere opvatting huldigt. De Raad is tot de conclusie gekomen dat, nu de door de rechtbank gewraakte functie van samensteller printplaten vier voltijdse arbeidsplaatsen omvat, vaststaat dat deze functie, ook als voltijdse functie, voldoende realiteitswaarde heeft om als basis te kunnen dienen voor de berekening van de resterende verdiencapaciteit, waarbij de Raad er nog op heeft gewezen dat de betreffende voltijdse en deeltijdse functies identiek zijn en (dus) ook een identieke beloning kennen, hetgeen een extra argument vormt om de samentelling van de arbeidsplaatsen aanvaardbaar te achten.

Evenvermelde overwegingen en de daarop berustende oordeelsvorming gelden in gelijke mate in het onderhavige geval. Hieruit volgt dat de grieven van appellant doel treffen.

Voorts overweegt de Raad het volgende.

De Raad heeft vastgesteld dat appellant aan de schatting - na het laten vervallen in de bezwaarfase van de onder de hierna genoemde fb-code 7738 ressorterende functie van medewerker panklaar - uiteindelijk de volgende functies ten grondslag heeft gelegd:

- fb-code 8538, 4 arbeidsplaatsen met een omvang van 38 uur per week, 3 arbeidsplaatsen met een omvang van 19 uur per week en een uurloon van f 22,04;

- fb-code 7738, 40 arbeidsplaatsen met een omvang van 37 uur per week, een niet-gereduceerd uurloon van f 22,03 en een met toepassing van de reductiefactor 37/38, behorende bij de zogeheten stap 3 uit het BUS, gereduceerd uurloon van f 21,45;

- fb-code 8463, 26 arbeidsplaatsen met een omvang van 38 uur per week en een uurloon van f 20,17.

Hierbij kan voorts worden geconstateerd dat:

- fb-code 8538 de toepassing behelst van stap 1b van het BUS, dat wil zeggen de binnen stap 1 voorkomende variant waarbij naast een functie binnen de omvang van de hier aan de orde zijnde bandbreedte van 38 tot en met 43 uur een functie met een omvang onder de bandbreedte is gebruikt om aan het vereiste aantal van 7 arbeidsplaatsen te komen;

- fb-code 7738 de toepassing behelst van stap 3 van het BUS, dat wil zeggen een fb-code met een functie of functies die onder de omvang van genoemde bandbreedte liggen;

- fb-code 8463 de toepassing behelst van de hoofdvariant van stap 1, dat wil zeggen een functie die wat betreft omvang binnen de genoemde bandbreedte valt.

Blijkens de arbeidsmogelijkhedenlijst zijn daarnaast nog vier andere fb-codes geselecteerd met elk meer dan zeven arbeidsplaatsen en een omvang van 38 uur per week (drie fb-codes), respectievelijk een omvang van 39 uur per week (één fb-code), welke fb-codes derhalve wat betreft omvang binnen de bandbreedte vallen en daarmee zijn te beschouwen als fb-codes als bedoeld in (de hoofdvariant van) stap 1 van het BUS. Deze vier fb-codes kennen elk een lager uurloon dan de drie hiervoor vermelde, bij de schatting gebruikte, fb-codes. Een schatting aan de hand van de drie functies die als hoogstbelonend naar voren komen bij selectie volgens (de hoofdvariant van) stap 1 van het BUS, zou leiden tot een mate van arbeidsongeschiktheid van: (24,86 - 19,57): 24,86 x 100% = 21,27%, en zou derhalve leiden tot indeling in de klasse 15 tot 25%.

In verband met vorenomschreven constateringen heeft de Raad, bij monde van zijn fungerend president, aan appellant de volgende vragen voorgelegd:

" Naar mijn voorlopig oordeel lijkt uit uw Besluit uurloonschatting 1999 (het Besluit) te volgen dat primair wordt gezocht naar functies die binnen de bandbreedte van de maatman vallen en dat, wanneer het vereiste van minimaal zeven arbeidsplaatsen per FB-code niet gehaald wordt, dan pas per FB-code functies met een urenomvang hoger dan de bandbreedte en zo nodig ook lager dan de bandbreedte worden geduid. Graag verneem ik uw standpunt met betrekking tot deze interpretatie van uw beleid, waarbij ik u verzoek -gelet op het feit dat de geselecteerde functies gerangschikt zijn naar hoogte van het uurloon- tevens in te gaan op de vraag hoe de functieduiding volgens het Besluit zich verhoudt tot het bepaalde in artikel 3, tweede lid, aanhef en sub a van het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong (SB).

Blijkens de beslissing op bezwaar van 26 november 1999 en het aanvullend beroepschrift heeft u zich op het standpunt gesteld dat het vervallen van de functie van medewerker panklaar (FB-code 7738) niet van invloed is op de vastgestelde verdiencapaciteit, waarbij met betrekking tot deze FB-code 7738 (de mediaan), gelet op de urenomvang van 37 uur per week van de produktie-medewerker pluimveeslachterij, is gehandeld overeenkomstig stap 3 van het Besluit. Naar mijn voorlopig oordeel lijkt uit uw Besluit te volgen dat slechts functies worden geduid volgens de in stap 3 beschreven criteria, indien respectievelijk stap 1 en vervolgens ook stap 2 onvoldoende FB-codes opleveren. Stap 3 lijkt derhalve eerst aan de orde indien zowel stap 1 als stap 2 onvoldoende FB-codes opleveren. Ook op dit aspect verneem ik graag uw visie ten aanzien van deze interpretatie van uw beleid, waarbij ik u verzoek daarbij tevens in te gaan op het bepaalde in artikel 3, tweede lid, aanhef en sub a van het SB."

Van de zijde van appellant zijn deze vragen bij brief van 30 augustus 2002 als volgt beantwoord;

"Op 1 januari 1998 is het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong in werking getreden (Besluit van 24 december 1997, Stb. 1997/802, hierna SB). In dit SB is de uurloonschatting voorgeschreven. Dit stelde het toenmalige Lisv voor de vraag hoe om te gaan met de nieuwe voorwaarde van artikel 3, lid 1 SB, dat bij de berekening van hetgeen de betrokkene met arbeid kan verdienen, wordt uitgegaan van de urenomvang van de maatman. Dit heeft geleid tot een beleidsnota voor het bestuur van het Lisv, waarin een voorstel werd gedaan voor een manier om uitvoering te geven aan het gestelde in genoemd artikel 3, lid 1 SB. Het heeft destijds niet in de bedoeling gelegen om wijzigingen aan te brengen in de uitvoering van het SB met betrekking tot het gestelde in artikel 3, lid 2 aanhef en sub a, waarin is voorgeschreven dat bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid in aanmerking wordt genomen die algemeen geaccepteerde arbeid waarmee betrokkene per uur het meest kan verdienen. Dit uitgangspunt is nimmer verlaten. Vervolgens heeft het Lisv deze beleidsnota gepubliceerd als het Besluit uurloonschatting 1999, Ned. Stcrt. 1999/140 (hierna BUS).

Een beleidsnota dient in de regel meerdere doelen dan alleen het juridische doel. Ook kunnen meerdere invalshoeken worden gekozen om dezelfde problematiek te benaderen. Het gevolg is dat de tekst van een beleidsnota, die vanuit een zuiver juridische invalshoek wordt gelezen, de jurist op het verkeerde been kan zetten.

Desgevraagd deelde een van de toenmalige opstellers van deze beleidsnota mede, dat het BUS dan ook niet gelezen dient te worden als uitvoeringsinstructie, in die zin dat de arbeidsdeskundige bij de functieduiding steeds de drie genoemde stappen in de gegeven volgorde dient te doorlopen. De drie stappen zijn veeleer bedoeld om drie mogelijkheden aan te geven, die zich bij de schatting kunnen voordoen: de arbeidsdeskundige kan functies selecteren met de juiste omvang, functies met een grotere omvang en functies met een kleinere omvang dan de omvang van de maatman. Per mogelijkheid worden vervolgens de voorwaarden aangegeven waaronder de desbetreffende functie aan de schatting ten grondslag mag worden gelegd.

Het gevolg van het vorenstaande is dat in de uitvoeringspraktijk de drie stappen door elkaar heenlopen. Dit heeft te maken met de wijze waarop in het FIS-systeem (en thans het CBBS-systeem) rekening is gehouden met de arbeid waarmee de betrokkene per uur het meest kan verdienen. Het FIS-systeem genereert de functies in volgorde van de hoogste te bereiken verdiencapaciteit (inclusief het effect van de reductiefactor). Dat betekent in het onderhavige geval, dat de volgende functieduiding heeft plaatsgevonden:

fb-code Functie- urenomvang mediane red.factor toelichting

Omschrijving /arbeidsplaat loon in

-sen gulden

8538 Samensteller 38/4 22,04 1 stap 1 BUS,

Printplaten 19/3 waarbij

aanvullend

functies zijn

geduid om aan

voldoende

arbeidsplaatsen

te komen

7738 Productie- 37/40 22,03 37/38 stap 3,

Medewerker (incl. reductiefactor

red.factor handmatig te

21,45) berekenen, omdat

in zelfde tb-code

een functie is

opgenomen met

een omvang van

38 uur, hetgeen

leidt tot een

reductiefactor 1

voor de hele fb-

code.

8463 Samensteller 38/26 20,17 1

8533 Monteur/sta- 38/20 19,57 1

Pelaar

8539 Monteur 38/50 19,57 1

Koffiezetters

9718 Inpakker 39/35 19,57 1

Koffiezetters

7746 Bandvriezer 39/24 19,44 1 urenomvang

binnen

bandbreedte

Uit deze opsomming blijkt, dat aan de schatting de drie hoogste loonwaardes ten grondslag zijn gelegd, waarbij bij de tweede geduide functie rekening gehouden moet worden met de reductiefactor 37/38. Hiermee is naar onze mening op de juiste wijze rekening gehouden zowel met de voorwaarde van artikel 3, lid 1 als artikel 3, lid 2 aanhef en sub a SB.

Doordat uit fb-code 8538 de functie van medewerker afdeling panklaar is komen te vervallen is het bedrag van de resterende verdiencapaciteit f 21,65 geworden in plaats van f 21,84. Dit leidt overigens niet tot indeling in een andere arbeidsongeschiktheidsklasse. De heer [gedaagde] is dan ook terecht minder dan 15% arbeidsongeschikt geacht."

De Raad is van oordeel dat appellant met de hiervoor weergegeven uitleg omtrent zijn beleid en de toepassing daarvan recht doet aan het in artikel 3, tweede lid aanhef en onder a, van meergenoemd Schattingsbesluit vervatte voorschrift dat bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid die algemeen geaccepteerde arbeid in aanmerking wordt genomen waarmee betrokkene per uur het meest kan verdienen. De Raad voegt daaraan toe dat appellant met een andersluidend(e) beleid (toepassing) in een geval als hier aan de orde in strijd zou zijn gekomen met evenvermelde bepaling van het Schattingsbesluit, nu immers de drie functies die als hoogstbelonend naar voren komen bij selectie volgens (de hoofdvariant van) stap 1 van het BUS niet kunnen worden aangemerkt als de drie hoogstbelonende functies in de zin van evenvermelde bepaling van het schattingsbesluit en, naar hiervoor is vermeld, tot indeling in een klasse zouden leiden, terwijl niet is kunnen blijken van enig in wet-, regelgeving en/of rechtspraak gelegen aanknopingspunt om ervan uit te gaan dat de thans gebruikte - op uurbasis hoger belonende - functies, gelet op de omvang en het aantal arbeidsplaatsen daarvan, een schattingsresultaat opleveren dat een voldoende realiteitswaarde zou dienen te worden ontzegd of anderszins zou leiden tot een rechtens niet aanvaardbaar te achten uitkomst.

De Raad wil in dit verband, ten slotte, niet nalaten op te merken dat de bewoordingen van het BUS zelf een striktere toepassing van de in acht te nemen stappenvolgorde lijken te suggereren dan kennelijk, blijkens de bovenstaande uitleg van zijn beleid, door appellant is beoogd, juist wordt geacht en in de praktijk wordt gevolgd.

De Raad concludeert dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is verklaard en dat besluit is vernietigd, komt mitsdien voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2003.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

AF