Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF5518

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2003
Datum publicatie
13-03-2003
Zaaknummer
02/5098 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 24
Werkloosheidswet 24
Werkloosheidswet 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2003, 104
USZ 2003/108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/5098 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante heeft mr. A.J.J. Kreutzkamp, advocaat te Valkenburg, op de in het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) op 22 augustus 2002, met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 december 2002, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Kreutzkamp, voornoemd, terwijl gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

Appellante was vanaf 15 juli 1991 als administratief medewerkster in dienst van [werkgever] te [vestigingsplaats] voor 10,4 uur per week. Op 28 november 2001 hebben appellante en haar werkgever een overeenkomst ondertekend, waarbij zij verklaren de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen per 1 januari 2002. Als reden hiervoor is aangevoerd dat de werkgever per genoemde datum zou gaan stoppen met de bedrijfsvoering.

Bij het op bezwaar genomen bestreden besluit van 21 mei 2002 heeft gedaagde het besluit van 30 januari 2002 gehandhaafd, waarbij appellante per 1 januari 2002 blijvend geheel een uitkering ingevolge de WW wordt geweigerd. Daarbij is het volgende overwogen.

" Naar onze mening kan niet worden gezegd dat aan de voortzetting van de dienstbetrekking na 1 januari 2002 zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting niet van u zou kunnen worden gevergd. Immers werd het bedrijf overgenomen door [bedrijfsnaam] en bestond ten aanzien van de nieuwe eigenaar tevens een overnameplicht van het personeel. Indien men u niet wenste over te nemen dan wel geen werk meer voor u aanwezig was omdat een andere medewerker deze werkzaamheden zou gaan verrichten dan had het voor de hand gelegen dat ten aanzien van u een ontslagprocedure zou zijn gestart. Door te vertrouwen op de mededeling van uw werkgever en door in te stemmen met de beëindiging van de dienstbetrekking dan wel door akkoord te gaan met het niet voortzetten van de dienstbetrekking hebt u onnodig meegewerkt aan de beëindiging van de dienstbetrekking, terwijl aan de voortzetting daarvan als zodanig geen bezwaren van dien aard waren verbonden dat deze voortzetting niet van u zou kunnen worden gevergd. Wij zijn van mening dat u met succes het ontslag per 1 januari 2002 had kunnen aanvechten doch u liet dit na, ook nadat u bij de aanvraag om WW-uitkering hierop gewezen werd door de medewerker van CWI.".

Gedaagde heeft appellante daarom verwijtbaar werkloos geacht in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, in verbinding met artikel 24, tweede lid, onder b, van de WW. Vervolgens heeft gedaagde vastgesteld dat ingevolge artikel 27, eerste lid, van de WW de uitkering in een dergelijk geval blijvend geheel moet worden geweigerd, tenzij het niet nakomen van de verplichting -te voorkomen dat hij werkloos wordt- de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. Van laatstbedoelde situatie, waarin de maatregel gematigd zou moeten worden, acht gedaagde evenwel geen sprake.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak -samengevat- geoordeeld dat in de onderhavige situatie geen sprake is van bedrijfsbeëindiging maar van overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het bestreden besluit in stand gelaten.

In hoger beroep is het oordeel van de rechtbank bestreden. Namens appellante is de stelling betrokken dat de rechtbank met het aannemen van overgang van onderneming in plaats van bedrijfsbeëindiging een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. Voorts heeft de rechtbank, in de visie van appellante, ten onrechte overwogen dat appellante in overwegende mate kan worden verweten dat zij werkloos is geworden en dat er geen aanleiding is om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen. Ten slotte wordt namens appellante aangevoerd dat bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid moet worden betrokken de vraag of bij het in acht nemen van de juiste formaliteiten in het kader van het einde van de dienstbetrekking, die dienstbetrekking thans nog aanwezig zou zijn geweest. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord, aldus appellante.

In dit geding is de vraag aan de orde of het appellante moet worden verweten dat zij met ingang van 1 januari 2002 werkloos is geworden door in te stemmen met de beëindiging van haar dienstbetrekking zonder dat aan voortzetting daarvan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van haar zou kunnen worden gevergd.

Anders dan appellante, maar evenals de rechtbank, is de Raad van oordeel dat in de onderhavige situatie sprake is geweest van overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 van het BW. De Raad onderschrijft de overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben geleid en maakt deze tot de zijne.

Hieruit volgt dat ten aanzien van appellante een overnameverplichting als bedoeld in artikel 7:663 van het BW heeft bestaan. Door in te stemmen met haar ontslag, waarbij zij zonder meer is afgegaan op informatie van haar werkgever en diens accountant heeft zij naar het oordeel van de Raad zodanig lichtvaardig gehandeld, dat zij de hierboven omschreven verplichting ingevolge artikel 24, eerste lid, onder a, in verbinding met artikel 24, tweede lid, onder b, van de WW heeft geschonden en verwijtbaar werkloos is geworden. Het inwinnen van informatie bij een onafhankelijke derde had haar kunnen leren dat aan deze handelwijze wel degelijk consequenties voor haar recht op WW waren verbonden.

Op grond van het voorgaande diende gedaagde ingevolge artikel 27, eerste lid, van de WW de uitkering blijvend geheel te weigeren, tenzij het niet nakomen van de verplichting appellante niet in overwegende mate zou kunnen worden verweten, in welk geval het uitkeringspercentage over een periode van 26 weken zou moeten worden verlaagd van 70 naar 35%. Anders dan gedaagde en in tegenstelling tot de rechtbank, acht de Raad in casu van laatstbedoeld geval sprake.

De Raad gaat hiervoor uit van de feiten zoals die te zijner zitting nader zijn gebleken.

Appellante was werkzaam in een klein bedrijf. Naast de werkgever waren daar tevens nog de echtgenote van de werkgever en appellantes echtgenoot werkzaam. Appellante heeft meer dan 10 jaar voor [naam werkgever] gewerkt, haar echtgenoot 35 jaar.

Na de pensionering van appellantes echtgenoot had de werkgever meerdere malen te kennen gegeven dat hij problemen ondervond bij het voortzetten van het bedrijf omdat hij moeite had om een nieuwe medewerker als vervanger voor haar echtgenoot aan te trekken. De werkgever heeft appellante voorgehouden dat het bedrijf mede om die redenen verkocht zou gaan worden. Het is aan haar niet medegedeeld dat hij na de beoogde verkoop als medewerker bij de koper in dienst zou treden. Mede in dat licht acht de Raad het begrijpelijk dat eiseres is afgegaan op de mededelingen van de juridisch adviseur van de werkgever. In dat verband merkt de Raad voorts nog op dat het op voorhand niet vaststaat dat, gelet op de gecompliceerdheid van de in casu aan de orde zijnde problematiek van overgang van onderneming en het recht op WW, een onafhankelijk juridisch adviseur een correcte beoordeling van de situatie zou hebben gemaakt, waarbij verder nog meespeelt dat het, gelet op het feit dat de werkgever geen open kaart heeft gespeeld ten opzichte van appellante, niet in de rede ligt om te veronderstellen dat de werkgever zijn volledige medewerking zou hebben verleend aan een eventueel onderzoek door een juridisch adviseur. Dat neemt echter niet weg dat door het volledig afgaan op de informatie van de zijde van de werkgever, appellante te lichtvaardig heeft gehandeld, zoals zij overigens ter zitting van de Raad ook heeft erkend, doch anderzijds doet dit alles wel in aanzienlijke mate af aan de mate van verwijtbaarheid van appellantes handelwijze.

De Raad neemt hierbij tevens in aanmerking dat het niet onaannemelijk is dat [bedrijfsnaam] als opvolgend werkgever een ontslagvergunning zou hebben verkregen, indien appellante zou zijn overgenomen en er, zoals gesteld en niet bestreden, voor haar geen werk meer beschikbaar zou zijn.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen. Ook de aangevallen uitspraak komt mitsdien, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beide instanties. Deze worden begroot op € 966,-- aan kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,-- aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, derhalve in totaal op € 1.610,--.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van het in deze uitspraak van de Raad overwogene;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot in totaal

€ 1.610,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het gestorte recht van in totaal € 140,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. Th.M. Schelfhout en

mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van mr. I. de Hartog als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2003.

(get.) M.A. Hoogeveen

(get.) I. de Hartog

FB/27/01