Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF5505

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2003
Datum publicatie
11-03-2003
Zaaknummer
00/2633 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 35
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 42
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2003/99
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/2633 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 7 januari 1998 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat hij met ingang van 1 januari 1985 als volledig arbeidsongeschiktheid wordt beschouwd en dat zijn uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), onder toepassing van artikel 35, tweede lid, van de WAO, met ingang van 18 december 1990 wordt herzien en wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 8 december 1998 heeft gedaagde het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 30 maart 2000 appellants beroep tegen het besluit van 8 december 1998 ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, bij beroepschrift van 9 mei 2000, tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Op 4 september 2000 zijn namens appellant aanvullende beroepsgronden ingediend.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 oktober 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. de Roy van Zuydewijn voornoemd, en waar gedaagde, zoals aangekondigd, niet is verschenen.

II. MOTIVERING

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant is met ingang van 20 maart 1975 in aanmerking gebracht voor een uitkering krachtens de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 1 december 1977 heeft gedaagde deze uitkering herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Appellant heeft hierin berust. Op 18 december 1991 heeft appellant gedaagde verzocht om een herkeuring. Na een op verzoek van gedaagde door onder andere de toenmalige Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) ingesteld onderzoek heeft gedaagde vervolgens besluiten van 20 april 1994 en 8 december 1995 genomen. Bij deze besluiten heeft gedaagde appellants uitkering ingevolge de WAO op uitsluitend arbeidskundige gronden per 1 januari 1985 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% en per 1 januari 1989 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. De rechtbank heeft bij uitspraak van 16 juli 1997 het tegen deze besluiten ingestelde beroep op arbeidskundige gronden gegrond verklaard en het besluit van 20 april 1994 gedeeltelijk, en dat van 8 december 1995 geheel vernietigd.

Bij zijn besluit van 7 januari 1998 heeft gedaagde opnieuw in de zaak voorzien en de WAO-uitkering van appellant met ingang van 18 december 1990 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Gedaagde heeft vervolgens bij het besluit van 8 december 1998 de bezwaren van appellant tegen het besluit van 7 januari 1998 ongegrond verklaard. Gedaagde heeft daartoe overwogen dat appellants uitkering ingevolge de WAO eerst met ingang van 18 december 1990 wordt herzien, aangezien appellant op 18 december 1991 een verzoek tot herziening heeft ingediend. Naar het oordeel van gedaagde is in dit verband niet gebleken van zodanige omstandigheden dat een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de WAO kan worden aangenomen. Het feit dat gedaagde bij de besluiten van 20 april 1994 en 8 december 1995, abusievelijk en zonder enige afweging terzake van het al dan niet aanwezig zijn van een bijzonder geval, appellants uitkering met ingang van 1 januari 1985 en 1 januari 1989 heeft verhoogd, betekent niet dat om díe reden sprake is van een bijzonder geval. Van andere omstandigheden die tot het oordeel kunnen leiden dat appellant niet eerder in staat was om herziening van zijn uitkering aan te vragen, is gedaagde niet gebleken.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 8 december 1998 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat gedaagde in redelijkheid heeft kunnen weigeren gebruik te maken van zijn bevoegdheid af te wijken van het bepaalde in de eerste volzin van artikel 35, tweede lid, van de WAO. De rechtbank is van oordeel dat door appellant tegen de opvatting van gedaagde dat er voor hem geen belemmeringen waren tijdig(er) een aanvraag in te dienen, te weinig is ingebracht om gedaagdes beslissing dat er geen sprake is van een bijzonder geval onhoudbaar te achten. De rechtbank is van oordeel dat niets appellant in de weg stond eerder een aanvraag te doen. De rechtbank overweegt voorts dat nu in de besluiten van 20 april 1994 en 8 december 1995 een motivering ontbreekt op grond waarvan wordt gekomen tot de desbetreffende ingangsdata van de verhogingen, hieruit niet volgt dat er dus sprake was van het aannemen van een bijzonder geval. Het behoort tot de bevoegdheid van gedaagde om terug te komen op dit eerder ingenomen standpunt, tenzij algemene beginselen van behoorlijk bestuur zich daartegen verzetten, waarvan de rechtbank niet is gebleken. De rechtbank overweegt voorts dat er geen sprake is van reformatio in peius nu appellant door het instellen van beroep materieel niet in een slechtere positie is gekomen aangezien in het besluit van 8 december 1998 is overwogen dat de reeds tengevolge van de vernietigde besluiten van 20 april 1994 en 8 december 1995 uitbetaalde bedragen niet van appellant worden teruggevorderd.

In hoger beroep is namens appellant als zijn standpunt naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat gedaagde speelruimte had te weigeren om de uitkering eerder te verhogen dan met ingang van 18 december 1990. Appellant is van oordeel dat nu gedaagde berust heeft in de uitspraak van de rechtbank van 16 juli 1997, gedaagde de verplichting op zich heeft geladen de uitkering te verhogen per 1 januari 1985. Voorts is appellant van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het gedaagde, nu is afgezien van terugvordering, is toegestaan met het besluit van 8 december 1998 het arbeidsongeschiktheidspercentage terug te brengen naar een lager percentage dan vastgesteld met de besluiten van 20 april 1994 en 8 december 1995. De rechtbank heeft bovendien ten onrechte overwogen dat er geen sprake is van een bijzonder geval, nu hij door de gecompliceerdheid van de materie niet direct het inzicht had in zijn vermeerderde arbeidsongeschiktheid. Appellant meent in dit verband dat zijn situatie gelijk te stellen is met die van een sluipende arbeidsongeschiktheid veroorzakende ziekte.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt vast dat het geschil zich toespitst op de vraag of ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 16 juli 1997 de vraag of er al dan niet sprake is van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de WAO alsnog aan de orde kan komen. De Raad is van oordeel dat, nu de rechtbank in deze uitspraak zich uitsluitend heeft uitgesproken over de medische en arbeidskundige aspecten van de besluiten van 20 april 1994 en 8 december 1995, en niet over de ingangsdatum van de toename van appellants arbeidsongeschiktheid, deze uitspraak gedaagde nog de ruimte bood om te toetsen of er met betrekking tot appellants verzoek om herziening van zijn uitkering ingevolge de WAO van 18 december 1991, sprake is van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de WAO, met dien verstande evenwel dat gedaagde uit het oogpunt van rechtszekerheid niet mocht afdoen aan de als zodanig door de besluiten van 20 april 1994 en 8 december 1995 gevestigde aanspraken van appellant.

In dit verband overweegt de Raad dat ingevolge artikel 35, tweede lid, in samenhang met artikel 42, tweede lid, van de WAO, de herziening van de uitkering niet vroeger kan ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag om deze herziening werd ingediend. Gedaagde kan in bijzondere gevallen van het bepaalde in de eerste zin afwijken. Van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de WAO is onder meer sprake, indien een betrokkene ter zake van een te late aanvraag redelijkerwijs moet worden geacht niet in verzuim te zijn. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat er geen sprake is van een bijzonder geval, in deze zin. De Raad overweegt hiertoe dat niet gebleken is dat er belemmeringen waren voor appellant tijdig een aanvraag in te dienen. Het is de Raad in dit verband niet gebleken dat appellant niet in staat is geweest ten tijde hier in geding zijn belangen te behartigen. Niets stond appellant naar het oordeel van de Raad in de weg tijdig melding te maken van zijn toegenomen klachten. Appellants vergelijking van zijn situatie met de situatie van een sluipende arbeidsongeschiktheid veroorzakende ziekte gaat naar het oordeel van de Raad niet op, nu de mate van appellants arbeidsongeschiktheid niet op medische, maar op arbeidskundige gronden is toegenomen.

Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat gedaagde enerzijds terecht en op juiste wijze appellants uitkering ingevolge de WAO eerst met ingang van 18 december 1990 heeft opgehoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, doch anderzijds te kort heeft gedaan aan het rechtszekerheidsbeginsel door de herziening van de uitkering van appellant naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% ingaande 1 januari 1985 en naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% ingaande 1 januari 1989 niet te handhaven.

Op dit laatste punt zal de Raad zelf in de zaak voorzien.

Gezien het vorenstaande slaagt het hoger beroep en dient de aangevallen uitspraak evenals het bij deze uitspraak ten onrechte gehandhaafde bestreden besluit te worden vernietigd.

De Raad acht in verband met het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht termen aanwezig gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor in beroep verleende rechtsbijstand en op € 644,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

Het voorgaande leidt ertoe dat als volgt moet worden beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover het het recht op uitkering per 1 januari 1985, onderscheidenlijk per 1 januari 1989 betreft;

Bepaalt dat appellant met ingang van 1 januari 1985 recht heeft op een uitkering ingevolge de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% en met ingang van 1 januari 1989 van 45 tot 55%;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg tot een bedrag groot € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 104,37 voldoet.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van mr. N.E. Nijdam als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2003.

(get.) J. Janssen.

(get.) N.E. Nijdam.