Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF4011

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2003
Datum publicatie
06-02-2003
Zaaknummer
00/2909 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Werkloosheidswet 27
Werkloosheidswet 24
Werkloosheidswet 24
Werkloosheidswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2003, 139
JB 2003/55 met annotatie van C.L.G.F.H. A.
USZ 2003/97
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/2909 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant is op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank 's-Hertogenbosch op 25 april 2000 tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarbij het beroep tegen het door gedaagde op bezwaar gegeven besluit van 20 augustus 1999 (het bestreden besluit) gegrond is verklaard en dat besluit is vernietigd met bepaling dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven en met opdracht aan appellant is om het door gedaagde betaalde griffierecht en zijn proceskosten te vergoeden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 december 2002, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C.L. Kuipers, werkzaam bij het Uwv en waar gedaagde niet is verschenen.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de op die wet berustende bepalingen zoals die luidden ten tijde hier van belang.

Gedaagde, geboren in 1980, is vanaf 2 november 1998 werkzaam geweest in dienst van het klussenbedrijf van zijn vader [naam vader], een eenmanszaak. Op 29 januari 1999 is gedaagde op staande voet ontslagen, in welk ontslag hij heeft berust.

Naar aanleiding van de aanvraag van gedaagde om WW-uitkering zijn gedaagde en zijn werkgever door een functionaris van appellant gehoord. Gedaagde heeft daarbij onder meer meegedeeld dat de verstandhouding met zijn vader al langer niet goed was en dat hij op 29 januari 1999 een meningsverschil met hem kreeg, dat zo hoog opliep dat hij door zijn vader geschopt en geslagen werd. Vervolgens zou gedaagde voor de keus zijn gesteld om aan het werk te gaan of ontslag te nemen, waarna hij voor het laatste zou hebben gekozen. Vanwege de slechte relatie met zijn vader heeft hij naar zijn zeggen niet tegen het ontslag geprotesteerd. De werkgever heeft -samengevat- verklaard dat hij zijn zoon in dienst genomen heeft in verband met diens drugsverslaving en dat hij hem ondanks onder meer het plegen van enkele diefstallen op de bouwplaats in dienst gehouden heeft, waarvoor hij met zijn opdrachtgevers zou hebben "moeten praten als Brugman". Toen gedaagde op 29 januari 1999 een opdracht niet goed uitvoerde en weigerde dit te herstellen, zou de werkgever gedaagde "een schop onder zijn kont" hebben gegeven "als vader zijnde", maar hij zou hem niet hebben geslagen. Toen gedaagde tot driemaal toe de opdracht om weer te gaan werken weigerde uit te voeren, is ontslag op staande voet gevolgd, aldus de werkgever.

In het bijzonder op basis van die verklaring van de werkgever heeft appellant bij besluit in primo van 16 april 1999 vastgesteld dat gedaagde per 1 februari 1999 werkloos is geworden, maar de uitkering ingaande die datum blijvend geheel geweigerd in verband met verwijtbare werkloosheid. Appellant heeft geen reden aanwezig geacht om de in beginsel op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW verplichte maatregel van blijvend gehele weigering van de uitkering te matigen wegens het niet in overwegende mate verwijtbaar zijn van de overtreding.

Na bezwaar heeft appellant bij het bestreden besluit die maatregel gehandhaafd, hetgeen is gebaseerd op het niet nakomen van de verplichting van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, inhoudende dat de werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt, wat het geval is als hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

Appellant heeft daartoe doen wegen dat de werkgever gedaagde al meerdere keren had gewaarschuwd voor andere verwijtbare gedragingen en dat hij zich al enkele malen had moeten inspannen om gedaagde in dienst te kunnen houden toen zich het door de werkgever omschreven incident voordeed, en dat daarom vanuit het oogpunt van toepassing van de WW van hem verlangd mocht worden het werk te hervatten in plaats van het op ontslag te laten uitdraaien.

Hetgeen namens gedaagde in beroep tegen het bestreden besluit is aangevoerd komt erop neer dat hij niet meerdere keren, maar slechts één keer, op diefstal is betrapt en dat ook de weergave van de werkgever van de gang van zaken op 29 januari 1999 onjuist is, behalve voor zover die inhoudt dat de werkgever hem een schop heeft gegeven. Nu dit een gedraging vormt die in artikel 679, tweede lid, onder b, van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is aangemerkt als reden voor de werknemer om ontslag op staande voet te nemen, was het gedaagde volgens zijn toenmalige gemachtigde niet te verwijten dat hij niet meer aan het werk wilde gaan.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit vernietigd, maar bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. De vernietiging van het bestreden besluit is gebaseerd op de -door de rechtbank ter zitting aan de orde gestelde- overweging dat gedaagde niet in privaatrechtelijke dienstbetrekking tot zijn vader stond, omdat volgens haar geen sprake was van een gezagsverhouding nu de arbeidsverhouding in overwegende mate werd beheerst door de familieband. Voorts overwegende dat gedaagde ook niet werkzaam was in een arbeidsverhouding die anderszins tot verzekeringsplicht leidt, was hij naar het oordeel van de rechtbank niet verzekerd ingevolge de WW en had hij om die reden geen recht op uitkering.

Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank over de verkeringsplicht van gedaagde en, subsidiair, tegen de beslissingen van de rechtbank over vergoeding van griffierecht en proceskosten.

De Raad overweegt als volgt.

Nu de rechtbank met voorbijgaan aan de grondslag van het bestreden besluit haar uitspraak heeft gebaseerd op het oordeel dat gedaagde niet verzekerd was ingevolge de WW, is zij naar het oordeel van de Raad buiten de in artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omschreven grenzen van het haar voorgelegde geschil getreden. Uit geen enkel gedingstuk blijkt dat van de zijde van gedaagde de door appellant aangenomen verzekeringsplicht tot onderwerp van het geschil is gemaakt, terwijl het verzekerd zijn in het kader van de WW voorts niet is te beschouwen als een kwestie van openbare orde waaraan de rechtbank ambtshalve zou dienen te toetsen. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

De Raad heeft zich vervolgens beraden over de vraag of na vernietiging van de aangevallen uitspraak de zaak naar de rechtbank moet worden teruggewezen. Mede in aanmerking genomen dat gedaagde in hoger beroep geen verweer heeft gevoerd, ziet de Raad aanleiding om de zaak af te doen op basis van de in eerste aanleg door partijen ingebrachte gegevens en ingenomen standpunten.

De Raad stelt vervolgens vast dat gedaagde weliswaar de verklaring van de werkgever grotendeels heeft aangevochten maar dat hij op essentiële punten de juistheid ervan heeft erkend, namelijk wat betreft het feit dat hij diefstal op een bouwplaats heeft gepleegd en dat hij na een schop van de werkgever te hebben gekregen, geweigerd heeft het werk te hervatten. De Raad is van oordeel dat, als een werknemer na het plegen van diefstal tijdens de uitoefening van zijn functie toch in dienst wordt gehouden, hij dient te beseffen dat de kleinste volgende misstap tot beëindiging van de dienstbetrekking kan leiden. Derhalve had gedaagde zich kunnen en moeten realiseren dat zijn weigering op 29 januari 1999 om een opdracht uit te voeren hem zijn baan zou kunnen kosten.

De Raad ziet onder de omstandigheden van dit geval in de door de werkgever aan gedaagde toegediende "schop onder zijn kont" geen rechtvaardiging voor zijn weigering weer aan het werk te gaan.

Daargelaten of zo'n schop is te beschouwen als mishandeling bedoeld in artikel 679, tweede lid, onder a, van het BW, moet worden vastgesteld dat een dergelijk middel om een werknemer tot de orde te roepen in zijn algemeenheid niet in overeenstemming is met de verplichtingen van de werkgever in het kader van de arbeidsovereenkomst. In casu ligt dit echter anders nu het desbetreffende incident moet worden gezien in het licht van de persoonlijke verhouding van gedaagde met zijn vader. Temeer is die verhouding van belang nu juist door de familieband gedaagde in dienst is genomen en hem, naar alle waarschijnlijkheid, veel langer de hand boven het hoofd is gehouden dan normaal gesproken door een werkgever zou worden gedaan. De Raad acht voorts niet zonder betekenis dat gedaagde door niet tegen het ontslag te protesteren de schijn heeft gewekt dat hij het niet haalbaar heeft gevonden om tegen het beëindigen van de dienstbetrekking in actie te komen.

Op basis van het voren overwogene is de Raad tot het oordeel gekomen dat appellant gedaagde terecht verwijtbaar werkloos in de zin van artikel 24, tweede lid, onder a, van de WW heeft geacht. Evenmin als appellant ziet de Raad grond om te oordelen dat het niet nakomen van de desbetreffende verplichting gedaagde niet in overwegende mate is te verwijten, zodat de maatregel van blijvend gehele weigering van de uitkering in rechte stand kan houden.

Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad daarom het beroep tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond verklaren.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. Th.M. Schelfhout en

mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van mr. I. de Hartog als griffier, en uitgesproken op 22 januari 2003.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) I. de Hartog.