Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF3991

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2003
Datum publicatie
05-02-2003
Zaaknummer
01/2783 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 99 met annotatie van F.J.L. Pennings
RSV 2003, 71
JB 2003/54 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/2783 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 20 mei 1999 heeft appellant geweigerd aan gedaagde een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toe te kennen, onder overweging dat gedaagde na afloop van de wachttijd op 8 juni 1999 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

Bij besluit van 18 augustus 1999, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 20 mei 1999 ongegrond verklaard.

De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 6 april 2001 het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde met ingang van 8 juni 1999 15 tot 25% bedraagt, met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden tegen die uitspraak in hoger beroep ingesteld.

Namens gedaagde heeft mr. M.H.J.M. Stassen, advocaat te Valkenburg, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 november 2002, waar voor appellant is verschenen mr. M.M. de Boer-Veerman, werkzaam bij het Uwv en waar gedaagde en haar gemachtigde, met schriftelijk bericht, niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden die als zodanig zijn vermeld in de aangevallen uitspraak van 6 april 2001.

In dit geding is aan de orde of de rechtbank het bestreden besluit van 18 augustus 1999 terecht heeft vernietigd en met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde per 8 juni 1999 terecht heeft vastgesteld op 15 tot 25%.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat gedaagde per 8 juni 1999 weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden, verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie functies met de hoogste lonen resulteert volgens appellant in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%.

De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met de door appellant ten aanzien van gedaagde in aanmerking genomen medische beperkingen. Met betrekking tot de arbeidskundige kant van de schatting heeft de rechtbank vastgesteld dat uit de verwoordingen functiebelasting van een aantal functies is gebleken van markeringen en dat hierover overleg heeft plaatsgevonden tussen de arbeidsdeskundige en de verzekeringsgeneeskundige. Nu zich echter bij de stukken geen verslag van voornoemd overleg bevindt, heeft de rechtbank de enkele akkoordverklaring van deze functies door de verzekeringsgeneeskundige zonder een nadere toelichting respectievelijk inzichtelijke motivering onvoldoende geacht. Om die reden heeft de rechtbank deze functies met restricties alsmede de functie van lederbewerker, die slechts 5 arbeidsplaatsen vertegenwoordigt, buiten aanmerking gelaten. Op basis van de akkoord bevonden resterende functies heeft de rechtbank vervolgens de (mediane) resterende verdiencapaciteit vastgesteld op f 16,72 per uur en, na vergelijking van die resterende verdiencapaciteit met het maatmaninkomen van f 21,97 per uur, de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde per 8 juni 1999 met toepassing van 8:72, vierde lid, van de Awb -na gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het bestreden besluit- vastgesteld op 15 tot 25%.

Appellant heeft daartegen in hoger beroep het navolgende aangevoerd:

"Vooropgesteld zij, dat in het dossier inderdaad een nadere toelichting respectievelijk inzichtelijke motivering ontbreekt waarmee antwoord wordt gegeven op de vraag waarom de belasting die de functies, waarin sprake is van met een asterisk gemarkeerde punten, met zich meebrengen, binnen de belastbaarheid van mevrouw [gedaagde] blijft.

Een dergelijke motivering wordt door uw Raad in zijn jurisprudentie wel geëist: Gewezen zij op de uitspraken, gepubliceerd in RSV 1996/136 en RSV 1997/225. Het ontbreken van bedoelde nadere toelichting is te beschouwen als een onzorgvuldige voorbereiding van de beslissing dan wel een gebrek aan motivering, welke naar het oordeel van ondergetekende zou hebben kunnen leiden tot een uitspraak van de rechtbank waarin het besluit het besluit van 18 augustus 1999 op grond van een motiveringsgebrek was vernietigd met de opdracht aan ondergetekende om een nieuw besluit te nemen.

De rechtbank heeft er echter voor gekozen om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb, zelf in de zaak te voorzien en haar uitspraak in de plaats te stellen van het vernietigde deel van het besluit.

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling blijkt echter dat het door de rechter zelf voorzien in een zaak slechts in beperkte mate mogelijk is. Zie de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel Voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie (Tweede Kamer 1991-1992, 22 495, nr. 3) blz. 140: "Het gezichtspunt dat de procedure niet langer dan strikt noodzakelijk moet duren, leidt er eveneens toe, de rechter de bevoegdheid te geven, om waar dat mogelijk is, zelf in de zaak te voorzien. Daarbij geldt uiteraard in beginsel de grens, dat de rechter slechts dan zelf in de zaak kan voorzien indien na vernietiging rechtens slechts één beslissing mogelijk is". In dit verband verwijst ondergetekende naar de uitspraak van uw Raad, gepubliceerd in RSV 1996/5.

Naar het oordeel van ondergetekende waren in het onderhavige geval na vernietiging van het besluit van 18 augustus 1999 echter meerdere beslissingen mogelijk.

In de eerste plaats had ondergetekende alsnog een nadere toelichting van de medische dienst kunnen vragen waaruit zou blijken dat de met een asterisk gemarkeerde functies - zowel de direct voor de schatting gebruikte functies van assemblagemedewerker (stamperij) en modinette tricotage-industrie als de andere van omboeker (machinaal) en productiemedwerker kunststof - toch voor mevrouw [gedaagde] geschikt zijn en derhalve terecht bij de WAO-schatting gebruikt waren, waarna een besluit genomen had kunnen worden met dezelfde uitkomst (minder dan 15% arbeidsongeschikt) maar met een betere motivering. In de tweede plaats (in het geval bedoelde nadere toelichting niet gegeven zou kunnen worden) hadden er wellicht nieuwe functies geduid kunnen worden die in het verlengde liggen van de eerder geduide functies (in dit kader verwijst ondergetekende naar de uitspraak van uw Raad, gepubliceerd in RSV 1998/212), op grond waarvan een indeling in arbeidsongeschiktheidsklasse van minder dan 15% gerechtvaardigd kon worden.

Het Schattingsbesluit schrijft immers voor - in artikel 9 onder a en eerder in artikel 3, tweede lid - dat bij de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit die functies in aanmerking moeten worden genomen waarmee de belanghebbende het meest kan verdienen. De rechtbank beschikte echter over onvoldoende gegevens om te kunnen vaststellen of aan deze eis werd voldaan. Pas als er ook geen nieuwe functies geduid hadden kunnen worden, zou ondergetekende tot eenzelfde besluit zijn gekomen als de rechtbank in haar uitspraak."

De Raad is van oordeel dat dit hoger beroep doelt treft.

Daargelaten dat het in de rede zou hebben gelegen dat de rechtbank appellant zou hebben verzocht om een nadere motivering van de toelaatbaarheid van de gemarkeerde functies alvorens tot een uitspraak te komen, verenigt de Raad zich met de visie van appellant dat na een vernietiging van het bestreden besluit verschillende besluiten mogelijk waren en dat de rechtbank derhalve niet met toepassing van 8:72, vierde lid, van de Awb kon bepalen dat haar uitspraak in de plaats zou treden van het vernietigde besluit. Mitsdien komt de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

Daarmee komt de Raad toe aan de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit met name in arbeidskundig opzicht stand kan houden.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en neemt daarbij in aanmerking dat de stafverzekeringsarts A.G.W. Burggraaff in zijn rapport van 26 september 2001 voldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom de met een asterisk gemarkeerde functies, voor gedaagde geschikt moeten worden geacht. Hetgeen daartegen in het verweerschrift in hoger beroep is aangevoerd, leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

Vergelijking van het voor gedaagde geldende maatmaninkomen met het loon dat zij nog kan verdienen met de voor haar passend te achten werkzaamheden resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.

De Raad concludeert uit het voorgaande dat er per 8 juni 1999 geen sprake was van een relevant verlies aan verdiencapaciteit, dat de aangevallen uitspraak derhalve ook voor zover daarbij het beroep gegrond is verklaard, voor vernietiging in aanmerking komt en dat het inleidend beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

Tot slot acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2003.

(get.) J. Janssen.

(get.) A.C.W. van Huussen.