Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF3870

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-01-2003
Datum publicatie
04-02-2003
Zaaknummer
01/1258 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Ziektewet 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2003/73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

01/1258 ZW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 11 juni 1999 is appellante vanwege gedaagde in kennis gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Ziektewet.

De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 11 januari 2001 het beroep tegen voormeld besluit ongegrond verklaard.

Namens appellante is mr. J.P.E. Lousberg, werkzaam bij FNV-Ledenservice te Bergen op Zoom, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, op de inhoud waarvan de gemachtigde van appellante heeft gereageerd.

Partijen hebben de Raad nog stukken doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 november 2002, waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

In de aangevallen uitspraak zijn de voor dit geding relevante feiten als volgt weergegeven:

"Eiseres was aanvankelijk voor gemiddeld 29 uren per week werkzaam als verkoopster in dienst van Hema B.V. Voor dat werk is eiseres in april 1991 ongeschikt geworden vanwege klachten aan rug en nek. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder aan eiseres een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) en de (toenmalige) Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (hierna: AAW) toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

De klachten hebben voor eiseres reden gevormd de omvang van haar dienstbetrekking bij Hema B.V. terug te brengen tot gemiddeld 14 uren per week. Gelet hierop heeft verweerder de uitkering ingevolge de WAO en de AAW met ingang van 29 april 1992 (lees: 1 januari 1993) verlaagd, en per die datum gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij besluit van 31 januari 1997 heeft verweerder met ingang van 10 maart 1997 de AAW-uitkering ingetrokken en de WAO-uitkering herzien en gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Op het daartegen gerichte beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 17 november 1997 met kenmerk 97/366.

In voornoemde uitspraak heeft de rechtbank enerzijds geoordeeld dat de verzekeringsarts bij eiseres niet te geringe medische beperkingen heeft vastgesteld en dat niet kan worden getwijfeld aan de geschiktheid van eiseres voor de geduide functies, maar anderzijds dat verweerder het voor eiseres geldende maatvrouwinkomen op een te laag bedrag heeft bepaald en dat een schatting op basis van het correcte maatvrouwinkomen leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Gelet hierop heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 31 januari 1997 gegrond verklaard en het betreffende besluit vernietigd, alsmede zelf in de zaak voorzien door de uitkering ingevolge de AAW en de WAO van eiseres met ingang van 10 maart 1997 te herzien en vast te stellen naar een mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35% en te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 31 januari 1997. Beide partijen hebben in de uitspraak van 17 november 1997 berust.

Eiseres ontving naast haar WAO-uitkering ook een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW) voor 15 uren per week. Vanuit die situatie heeft eiseres zich per 17 februari 1998 ziek gemeld wegens een operatie aan de rechterknie. Die operatie hield rechtstreeks verband met de door eiseres geuite klachten aan beide knieën."

Gedaagde heeft bij zijn besluit van 11 juni 1999 het bezwaar van appellante tegen een besluit van 20 oktober 1998, waarbij aan haar met ingang van 21 september 1998 geen uitkering ingevolge de Ziektewet meer is toegekend, ongegrond verklaard. Het besluit van 20 oktober 1998 berustte, blijkens de in een brief van gedaagde van 11 december 1998 vervatte motivering, op de grond dat appellante op en na 21 september 1998 niet meer ongeschikt was tot het verrichten van passende arbeid als telefoniste, consultatiebureauassistente en verkooptelefoniste, welke functies laatstelijk waren geselecteerd bij een beoordeling van haar arbeidsongeschiktheid per 10 maart 1997.

De rechtbank heeft het door appellante tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard en heeft daarbij, in navolging van gedaagde, als maatstaf voor de arbeid aangemerkt de functies, die ten grondslag zijn gelegd aan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 10 maart 1997.

Namens appellante is in hoger beroep de ook reeds in eerste aanleg opgeworpen grief herhaald, dat gedaagde bij zijn besluitvorming ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat zij ten tijde in geding 14 uur per week werkzaam was bij de Hema, waar zij na haar ziekmelding van 17 februari 1998 haar werk in aangepaste vorm gedeeltelijk had hervat.

Naar het oordeel van de Raad wordt deze grief terecht opgeworpen.

Uit de gedingstukken blijkt dat appellante al vanaf november 1992 bij de eigen werkgever in aangepast werk voor 50% werkzaam was en dat zij, blijkens een arbeidskundig rapport van 8 januari 1997, ook ten tijde van de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen per 10 maart 1997 dit werk nog verrichtte. De onderhavige ziekmelding had kennelijk ook betrekking op dit werk, dat appellante echter blijkens een verzekeringsgeneeskundig rapport van 17 september 1998 na enige tijd weer heeft hervat. De hersteldverklaring per 21 september 1998 ziet dan ook slechts op de ziekmelding, voorzover deze in het kader van de Werkloosheidswet was gedaan.

In zijn jurisprudentie ( gewezen wordt onder meer op de uitspraak gepubliceerd in RSV 1995/179) heeft de Raad beslist dat in een situatie waarin sprake is van een hersteldverklaring voor werk dat werd verricht in combinatie met werk in een andere betrekking de in dit andere werk voorkomende belasting buiten aanmerking kan blijven, maar alleen indien de betrokkene die andere werkzaamheden ten tijde van de hersteldverklaring feitelijk niet verrichtte en ook met redelijke mate van zekerheid vaststond dat hervatting daarin niet op korte termijn viel te verwachten. Daarbij heeft de Raad tevens overwogen dat het uit een oogpunt van zorgvuldigheid in het algemeen aanbeveling verdient dat de verzekeringsgeneeskundigen zich oriënteren omtrent aard en omvang van de arbeid in de andere werkkring alvorens tot hersteldverklaring over te gaan.

De Raad ziet in de onderhavige situatie, waarin sprake is van een hersteldverklaring voor in het verleden geduide functies, welke moeten worden vervuld in combinatie met het inmiddels bij de eigen werkgever van appellante ten dele hervatte werk reden voor een vergelijkbare beoordeling.

De Raad moet constateren dat in dit geval het door appellante op en na 21 september 1998 bij de Hema voor 14 uur per week verrichte werk van de zijde van gedaagde bewust buiten beschouwing is gelaten. Dit blijkt met name uit het rapport van 4 juni 1999 van de bezwaarverzekeringsarts P. Bavelaar. In eerste aanleg en bij verweerschrift in hoger beroep is ook nadrukkelijk bevestigd dat het door gedaagde niet relevant wordt geacht dat appellante nog aangepast werk bij de Hema verrichtte. Mede in aanmerking nemend dat voormeld arbeidskundig rapport aanwijzingen bevat dat appellante dit aangepaste werk slechts met moeite heeft kunnen volhouden, is de Raad van oordeel dat gedaagde niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft gehandeld door bij zijn besluitvorming met de aan dit werk verbonden belastende aspecten in het geheel geen rekening te houden.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en deswege, evenals de aangevallen uitspraak, niet in stand kan blijven. Gedaagde dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellante zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betaalde griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, in eerste aanleg tot een bedrag groot € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat gedaagde aan appellante het betaalde recht van € 104.37,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2003.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.