Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF3863

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-01-2003
Datum publicatie
04-02-2003
Zaaknummer
01/2345 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:77
Algemene wet bestuursrecht 8:78
Algemene wet bestuursrecht 8:79
Grondwet 121
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/2345 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], te [vestigingsplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 26 oktober 1999 heeft appellant aan [naam werknemer], werknemer bij gedaagde (hierna: de werknemer) met ingang van 1 november 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Namens gedaagde heeft J.H.C. van Dongen, werkzaam bij het Bureau Metaalunie te Nieuwegein, tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Mr. M. van den Boom, eveneens werkzaam bij het Bureau Metaalunie te Nieuwegein, heeft de gronden voor het bezwaar aangevuld.

Bij besluit van 10 april 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Almelo heeft bij uitspraak van 28 februari 2001 het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Appellant is daarbij veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten en van het door gedaagde betaalde griffierecht.

Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Desgevraagd heeft de werknemer medegedeeld niet als partij aan het geding in hoger beroep te willen deelnemen. Daarbij heeft hij aangegeven geen toestemming te verlenen om stukken die medische gegevens bevatten ter kennis te brengen aan zijn werkgever.

Namens gedaagde heeft mr. Van den Boom voornoemd een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft bij brief van 25 januari 2002 aan mr. Van den Boom, onder verwijzing naar 's Raads uitspraak van 20 juli 2001, nr. 00/3816 WAO, medegedeeld dat de Raad van oordeel is dat toepassing moet worden gegeven aan artikel 8:32, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierin is bepaald dat inzage in de medische gegevens van de werknemer is voorbehouden aan een gemachtigde van de werkgever die arts of advocaat is, dan wel daartoe van de rechter bijzondere toestemming heeft gekregen. Aan mr. Van den Boom, die geen arts of advocaat is, is die bijzondere toestemming gegeven.

Desgevraagd heeft mr. Van den Boom nadere informatie verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 juni 2002, waar voor appellant is verschenen mr. K.D. van Someren, werkzaam bij het Uwv en waar namens gedaagde, zoals tevoren was bericht, niemand is verschenen.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 26 november 2002, waar voor appellant -zoals tevoren was bericht- niemand is verschenen, terwijl voor gedaagde is verschenen mr. M. Hoes, werkzaam bij het Bureau Metaalunie.

II. MOTIVERING

Bij besluit van 26 oktober 1999 heeft appellant aan de werknemer met ingang van 1 november 1999 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Appellant heeft van dit besluit tevens mededeling gedaan aan gedaagde in haar hoedanigheid van werkgever.

Namens gedaagde is bezwaar gemaakt tegen dat besluit. De werknemer heeft geen toestemming verleend om in het kader van de bezwaarschriftprocedure zijn medische gegevens aan gedaagde ter kennis te brengen. Gedaagde heeft D.W.M. Weesie als arts-gemachtigde aangewezen.

Appellant heeft bij het bestreden besluit medegedeeld dat de aangevoerde bezwaren niet leiden tot een andere beslissing.

De werknemer heeft ook in beroep geen toestemming verleend zijn medische gegevens aan gedaagde ter kennis te brengen. De rechtbank heeft het beroep van gedaagde gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd onder overweging dat de regeling met betrekking tot de medische gegevens als omschreven in artikel 88c van de WAO in strijd is met artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Trb. 1951, 154, hierna: het EVRM).

De rechtbank heeft dit oordeel nader onderbouwd met een drietal overwegingen, die hierna verkort worden weergegeven:

- De werkgever kan geen kennis dragen van een essentieel gedeelte van het dossier. De arts-gemachtigde die hem vervangt kan dat wel, doch deze mag omtrent de medische gegevens niet met de werkgever overleggen. Daar staat tegenover dat de werknemer en de uitvoeringsinstelling wel over alle stukken kunnen beschikken en daar ook onbeperkt inzage in hebben. Daardoor is in procedureel opzicht sprake van een ongelijke situatie tussen partijen.

- De regeling van de arts-gemachtigde strookt niet met het in onder meer de artikelen 2:1 en 8:24 van de Awb neergelegde beginsel dat een ieder zich in rechte kan laten bijstaan door de gemachtigde van zijn keuze.

- De medische besluitenregeling brengt met zich dat in een geval als het onderhavige de rechtbank een uitspraak zou moeten doen op basis van stukken die de werkgever niet mag kennen en dat de rechtbank in haar uitspraak niet zou mogen ingaan op de medische of arbeidsgezondheidskundige aspecten van het geschil. Dit betekent dan onder omstandigheden dat de rechtbank gehouden zou zijn een uitspraak te doen die niet wordt gedragen door een voor de werkgever kenbare motivering.

Appellant heeft in zijn hoger beroepschrift bestreden dat de medische besluitenregeling in strijd is met artikel 6 van het EVRM.

De Raad oordeelt als volgt.

In zijn uitspraak van 20 juli 2001, nr. 00/3816 WAO, onder meer gepubliceerd in USZ 01/199 en RSV 01/205, is de Raad tot het oordeel gekomen dat in verband met de uit artikel 6, eerste lid, van het EVRM voortvloeiende eisen met betrekking tot een eerlijk proces niet onverkort toepassing kan worden gegeven aan de medische besluitenregeling. Aan deze eisen wordt wel voldaan indien -de artikelen 88c en 88g van de WAO in zoverre buiten toepassing latend- in procedures in beroep en in hoger beroep door de rechter toepassing wordt gegeven aan artikel 8:32, tweede lid, van de Awb. Dit houdt in dat de rechter bepaalt dat de inzage dan wel de kennisneming of toezending van medische gegevens van de werknemer is voorbehouden aan een gemachtigde van de werkgever die arts of advocaat is dan wel van de rechter bijzondere toestemming heeft gekregen.

Door deze uitspraak van de Raad is het door appellant in zijn hoger beroepschrift ingenomen standpunt inmiddels achterhaald, hetgeen ook door appellants gemachtigde ter zitting van 11 juni 2002 is erkend. Appellant heeft echter belang gehouden bij zijn hoger beroep omdat de rechtbank is overgegaan tot het vernietigen van het bestreden besluit, zulks ten onrechte aldus appellants gemachtigde omdat de rechtbank met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb, de medische gegevens aan de gemachtigde van de werkgever had kunnen overleggen.

De Raad onderschrijft dit standpunt van appellant, waaraan de Raad nog toevoegt dat hij in zijn uitspraak van 13 februari 2002, gepubliceerd in ondermeer USZ 2002/101, blijk heeft gegeven van zijn opvatting dat een bestuursorgaan, anders dan de rechter, niet gehouden kan worden geacht om op grond van artikel 6 EVRM af te wijken van de medische besluitenregeling en met name van artikel 88c van de WAO, in het kader van de heroverweging van een eerder genomen besluit. De Raad merkt voorts nog het volgende op. De rechtbank heeft zijn oordeel dat de medische besluitenregeling in strijd is met artikel 6 van het EVRM onderbouwd met de drie overwegingen die hiervoor al zijn genoemd.

De eerste en de tweede overweging die betrekking hebben op de ongelijke positie van de procespartijen doordat de werkgever zelf geen inzicht heeft in de medische gegevens en daarvoor een arts-gemachtigde moet inschakelen, is door 's Raads uitspraak nr. 00/3816 WAO achterhaald. De werkgever kan weliswaar nog steeds niet zelf de medische gegevens inzien, maar kan zich wel laten bijstaan door een gemachtigde van zijn keuze, die met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb de beschikking kan krijgen over de medische gegevens.

De Raad heeft in die uitspraak onderkend dat de werkgever aldus nog niet op geheel gelijke voet als de werknemer en het bestuursorgaan aan het geding kan deelnemen, maar is van mening dat diens gemachtigde in staat moet worden geacht, al dan niet in samenwerking met een arts, de belangen van de werkgever in voldoende mate te behartigen, zodat er geen sprake is van een onevenredig nadelige positie van de werkgever.

De derde overweging van de rechtbank houdt in dat de medische besluitenregeling met zich mee brengt dat de rechtbank in zijn uitspraak niet zou mogen ingaan op de medische aspecten van het geschil en daardoor onder omstandigheden gehouden zou zijn een uitspraak te doen die niet wordt gedragen door een voor de werkgever kenbare motivering. De rechtbank heeft deze overweging laten meewegen bij haar oordeel dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Die conclusie kan de Raad niet onderschrijven. Afgezien van de vraag of een dergelijk algemeen geformuleerde overweging, zonder dat er een toetsing heeft plaatsgevonden aan de geldigheid daarvan in het concrete geval, kan leiden tot het vernietigen van het bestreden besluit, kan naar het oordeel van de Raad niet worden gesteld dat uit de medische besluitenregeling voortvloeit dat in de uitspraak de medische aspecten in het geheel niet aan de orde zouden kunnen komen. De medische besluitenregeling ziet immers, zoals de Raad onlangs heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 27 september 2002 gepubliceerd in USZ 2002/327, niet op de totstandkoming van de rechterlijke uitspraak.

De oplossing die door appellant in zijn aanvullend hoger beroepschrift is aangedragen, namelijk dat de motivering die betrekking heeft op medische gegevens in een aparte bijlage bij de uitspraak kan worden opgenomen, van welke bijlage de werkgever niet persoonlijk zal kunnen kennisnemen, is naar het oordeel van de Raad in strijd met artikel 121 van de Grondwet en de artikelen 8:77, 8:78 en 8:79 van de Awb, waaruit volgt dat de uitspraak de gronden van de beslissing bevat, dat de uitspraak openbaar is en partijen daarvan een afschrift krijgen. Met deze Grondwetsbepaling en de hiervoor genoemde wetsbepalingen verdraagt zich niet dat de werkgever van een deel van de uitspraak geen kennis zou mogen nemen.

Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat de rechtbank ten onrechte is overgegaan tot vernietiging van het bestreden besluit. Zoals in rubriek I is vermeld, zijn de medische gegevens inmiddels ter kennis gebracht van de gemachtigde van gedaagde. Nu de rechtbank zich nog niet over de inhoudelijke aspecten van de zaak heeft uitgesproken en de gemachtigde van gedaagde desgevraagd heeft medegedeeld prijs te stellen op de mogelijkheid om in twee rechterlijke instanties te kunnen procederen over de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden, acht de Raad termen aanwezig om het geding met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef, en onder b, van de Beroepswet terug te wijzen naar de rechtbank.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende. Nu de rechtbank zich omtrent de inhoudelijke aspecten van de zaak nog dient uit te spreken, ziet de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb voorwaardelijk -voor het geval het bestreden besluit niet in rechte stand kan houden- te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Wijst de zaak terug naar de rechtbank Almelo;

Veroordeelt appellant voorwaardelijk in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2003.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.H.A. Jenniskens.