Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AF2991

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2003
Datum publicatie
17-01-2003
Zaaknummer
00/4543 AW en 00/4547 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit bezoldiging politie 6
Besluit bezoldiging politie 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2003/93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/4543 AW en 00/4547 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

1. [appellant I], wonende te [woonplaats],

2. [appellant II], wonende te [woonplaats], appellanten,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [regio], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Appellanten hebben op bij beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Arnhem van 18 juli 2000, nrs. 98/458 en 98/459, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 28 november 2002, waar appellanten in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. W. de Klein, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Haverkamp en H.G.D.M. Kiezebrink, beiden werkzaam bij de politieregio [regio].

II. MOTIVERING

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraken. De Raad volstaat met vermelding van de volgende, als vaststaand aangenomen, gegevens.

1.1. Appellanten zijn, na de reorganisatie van de Nederlandse politie in 1994, benoemd in de functie van tactisch rechercheur B, met salarisschaal 8, in één van de districten van de politieregio [regio]. Nadat zij door gedaagde bij circulaire van 11 april 1997 waren gewezen op de mogelijkheid van (achterstallig) functie-onderhoud over de periode van 1 april 1994 tot 1 januari 1997, hebben zij op 29 maart 1997 onderscheidenlijk 28 april 1997 een daartoe strekkend verzoek ingediend. Daarbij hebben zij aangevoerd dat zij in 1994 zijn aangewezen om werkzaam te zijn als tactisch coördinator van de Recherche Assistentie Eenheid (RAE) of het Recherche Bijstands Team (RBT) en dat zij in de praktijk die werkzaamheden permanent uitoefenen.

1.2. Bij besluiten van 8 juli 1997, na bezwaar gehandhaafd bij de bestreden besluiten van 28 januari 1998, heeft gedaagde geweigerd de beschrijving van de functie van appellanten aan te passen. Daartoe heeft gedaagde in hoofdzaak overwogen dat de werkzaamheden als tactisch coördinator in een RAE/RBT voor appellanten neventaken zijn in een incidenten-organisatie, dat appellanten binnen die organisatie geen budgetbeheer of personele zorg hebben en dat de feitelijk door hen verrichte werkzaamheden hun organieke functie van tactisch rechercheur B niet (structureel) overstijgen.

1.3. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

2. In hoger beroep hebben partijen hun hiervóór aangeduide standpunten nader uiteengezet. De Raad overweegt daaromtrent als volgt.

2.1. Ingevolge artikel 6, zevende lid, van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) kan de ambtenaar bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om, indien de feitelijk opgedragen werkzaamheden gedurende langere tijd wezenlijk afwijken van zijn functie, de werkzaamheden en de functie met elkaar in overeenstemming te brengen. Deze taak van het bevoegd gezag pleegt te worden aangeduid als organisatie-onderhoud of functie-onderhoud. Uit de Nota van toelichting bij het Bbp komt naar voren dat onder "langere tijd" een periode van circa 1 jaar wordt verstaan en dat "in overeenstemming brengen" inhoudt dat ofwel de organieke functie(-beschrijving) wordt aangepast aan de feitelijke opgedragen werkzaamheden, ofwel de van de organieke functie afwijkende werkzaamheden niet meer worden opgedragen. Kiest het bevoegd gezag voor de eerstbedoelde mogelijkheid, dan volgt uit het stelsel van het Bbp dat de aangepaste functie opnieuw moet worden gewaardeerd.

2.2. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting wordt een RAE/RBT geformeerd voor het oplossen van een concreet ernstig misdrijf ("kapitaal delict") met een nog onbekende dader. Bij deze projectmatige aanpak wordt politiepersoneel uit meerdere districten van de regio of uit meerdere regio's betrokken. Binnen de formatie worden de algemene organisatorische aspecten van deze onderlinge bijstandverlening behartigd door een kleine vaste kern van functionarissen. Iedere RAE/RBT bestaat zo mogelijk uit een of meer leden van deze vaste kern en voor het overige uit politiepersoneel van elders, dat daartoe tijdelijk aan zijn vaste standplaats wordt onttrokken. Dit personeel wordt van geval tot geval uitgekozen, maar daarbij gaat wel een voorkeur uit naar degenen die op voorhand voor deze taak zijn geselecteerd. Tot laatstbedoelde groep behoren ook appellanten: zij zijn in 1994 na sollicitatie aangewezen om gedurende een periode van 6 jaar in voorkomende gevallen deel uit te maken van een RAE/RBT. Binnen zo'n RAE/RBT treden zij op als tactisch coördinator. Dit is een - niet in de gewone formatie voorziene - functie binnen de projectorganisatie, die ook wel wordt vervuld door een groepschef met salarisschaal 9.

2.3. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat - kort samengevat - de door appellanten binnen een RAE/RBT verrichte werkzaamheden niet afwijken van de functiebeschrijving welke geldt voor hun organieke functie van tactisch rechercheur B en dat, voor zover dit wel het geval mocht zijn, die afwijking gezien de aard van een RAE/RBT niet structureel is. In dit verband spreekt gedaagde van een "incidenten-organisatie", daarmee doelend op het karakter van een RAE/RBT als een tijdelijk organisatorisch verband voor de oplossing van een bepaald delict.

2.4. De Raad kan gedaagde niet volgen in zijn opvatting die erop neerkomt dat de werkzaamheden binnen RAE/RBT-verband, omdat zij niet structureel zijn, nimmer aanleiding kunnen geven tot functie-onderhoud. De in artikel 6, zevende lid, van het Bbp aangegeven maatstaf is niet of de afwijkende werkzaamheden binnen een vast organisatorisch kader worden verricht, maar of zij feitelijk gedurende langere tijd (circa 1 jaar) aan de betrokkene worden opgedragen. Als niet of onvoldoende weersproken is voor de Raad komen vast te staan dat appellanten gedurende een periode van (veel) meer dan een jaar, onmiddellijk voorafgaande aan de door gedaagde gehanteerde peildatum 1 januari 1997, bij voortduring in RAE/RBT-verband werkzaam zijn geweest, behoudens verlof en compensatie voor gemaakte overuren tussen twee opdrachten in. Na de peildatum is deze situatie niet veranderd. De Raad acht bovendien aannemelijk dat de voortdurende inzet van appellanten niet los kan worden gezien van de wijze waarop het bevoegd gezag de organisatie van de RAE/RBT-werkzaamheden heeft ingericht en van de prioriteiten die in dat verband worden gesteld, waarbij met name de grote beroepservaring van appellanten een rol speelt. Onder deze omstandigheden brengt een redelijke uitleg van genoemd artikellid met zich dat het feit dat iedere RAE/RBT op zichzelf bezien een tijdelijk karakter draagt - en dat bij de instelling niet valt te voorspellen hoe lang appellanten erin zullen functioneren - niet wegneemt dat moet worden gesproken van langdurig aan appellanten opgedragen werkzaamheden. Dat in de praktijk wellicht vaker van het instrument RAE/RBT gebruik wordt gemaakt dan bij het opzetten van de politieorganisatie werd beoogd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

2.5. Wat betreft het criterium dat de feitelijk opgedragen werkzaamheden wezenlijk afwijken van de organieke functie, is de Raad niet overtuigd geraakt van de juistheid van het betoog van gedaagde dat appellanten, wanneer zij binnen een RAE/RBT optreden, slechts hun organieke werkzaamheden verrichten in een tijdelijk afwijkende organisatorische setting. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellanten juist vanwege hun grote ervaring en voor langere termijn zijn aangetrokken, alsmede dat zij binnen de projectorganisatie een functie bekleden die, naar zij onbetwist hebben gesteld, eigenlijk was toebedacht aan een groepschef. De Raad ziet daarin een aanwijzing dat de coördinerende taken van appellanten, die op zichzelf ook in de beschrijving van hun organieke functie zijn opgenomen, binnen de betrekkelijk informele organisatie van een RAE/RBT een zwaarder accent krijgen en opschuiven in de richting van beleidsbepaling en prioriteitstelling. In RAE/RBT-verband ligt ook minder voor de hand dat de dagelijkse leiding van het onderzoek vooral wordt gegeven aan medewerkers uit de basispolitiezorg, zoals - althans volgens één van de overgelegde versies van de organieke functie-beschrijving - het geval is in de functie van tactisch rechercheur B. Dat appellanten, anders dan de groepschef, niet zijn belast met de algemene apparaatszorg van een leidinggevende, doet aan deze verschillen op zichzelf niet af. Tenslotte kan de Raad er niet aan voorbijzien dat een onderzoek door een RAE/RBT naar zijn aard veelal zal zijn gericht op vormen van zware criminaliteit, terwijl de organieke functie van tactisch rechercheur B is beschreven als gelegen op het terrein van de middelzware criminaliteit.

2.6. Het vorenstaande brengt de Raad tot het oordeel dat het verzoek van appellanten om over te gaan tot functie-onderhoud zodanige aanknopingspunten bood voor het bestaan van gedurende langere tijd opgedragen afwijkende werkzaamheden dat - nu gedaagde geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid appellanten van die werkzaamheden te ontheffen - een nadere inventarisatie en beschrijving van de door appellanten in RAE/RBT-verband uit te oefenen taken niet achterwege had mogen blijven. Bij het voorbereiden en nemen van de bestreden besluiten heeft gedaagde dan ook gehandeld in strijd met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel.

3. De aangevallen uitspraken komen voor vernietiging in aanmerking. De inleidende beroepen moeten alsnog gegrond worden verklaard en de bestreden besluiten dienen te worden vernietigd. Gedaagde zal worden opgedragen nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen met inachtneming van 's Raads uitspraak.

4. De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding per appellant van een bedrag groot € 322,- aan kosten wegens in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en van een bedrag groot € 322,- aan kosten wegens in hoger beroep verleende rechtsbijstand, in totaal derhalve € 644,- aan appellant De Vries en € 644,- aan appellant Brink. De kosten van rechtsbijstand hebben betrekking op samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken;

Verklaart de inleidende beroepen alsnog gegrond en vernietigt de besluiten van 28 januari 1998;

Bepaalt dat gedaagde nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 644,- voor appellant De Vries en € 644,- voor appellant Brink, te betalen door de politieregio [regio];

Bepaalt dat de politieregio [regio] aan ieder van appellanten het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 249,58 (voorheen f 550,-) per appellant vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2003.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.W.J. Hospel.

Q