Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:2

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2003
Datum publicatie
23-06-2020
Zaaknummer
01/3988 MPW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling en mate van invaliditeit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/3988 MPW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 mei 2001, nr. AWB 00/11883 MPW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 maart 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P.M. Groenhart, verbonden aan ACOM, CNV-bond van Militairen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door

A.M.C. Crombach, werkzaam bij UWV-USZO.

II. MOTIVERING

In dit geding is de toepassing van de Algemene militaire pensioenwet (hierna: de Wet) aan de orde. De Wet is bij het ingevolge de Kaderwet militaire pensioenen gegeven koninklijk besluit van 29 mei 2001, Stb. 260, met ingang van 1 juni 2001 ingetrokken. De Raad is evenwel ingevolge overgangsrecht bevoegd van het geding kennis te nemen.

In dit geding is evenals in eerste aanleg de vraag aan de orde of de voor appellant vastgestelde invaliditeit met dienstverband met 50% is onderschat.

De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft aangenomen.

Appellant kan zich met de aangevallen uitspraak, waarin voornoemde vraag ontkennend is beantwoord, niet verenigen. Evenals bij de rechtbank voert appellant in hoger beroep aan dat het onderzoek naar de mate van invaliditeit met dienstverband niet volledig en zorgvuldig is geweest, althans dat nieuwe feiten niet of onvoldoende zijn meegewogen, en dat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt hoe aan de hand van de WPC-schaal (vergelijkenderwijs) is geschat.

Voorts is appellant van mening dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor een nadere bespreking van de klacht met betrekking tot de inschatting van de mate van invaliditeit als gevolg van de kaakfractuur, welke volgens appellant ten onrechte op nihil is gesteld. Ook de visie van gedaagde dat het invaliditeitspercentage van de slijtage van het gewrichtskraakbeen op 10% moet worden gesteld, is naar mening van appellant ten onrechte door de rechtbank aanvaard.

De Raad overweegt het volgende.

Uit de stukken blijkt dat de Commissie Geneeskundig Onderzoek Militairen zowel in augustus 1996 als in januari 1998 ten aanzien van appellant geneeskundig onderzoek heeft verricht, waarbij appellant onder meer is onderzocht door de orthopedisch chirurg drs. H. Yard en waarbij de uitvoerige informatie van de artsen die appellant hebben behandeld is betrokken. Van het onderzoek dat de Commissie Geneeskundig Onderzoek Militairen in januari 1998 heeft verricht, is rapport uitgebracht op 6 mei 1998. Daarin zijn ook de door de appellant behandelend kaakchirurg S.J.T. Warringa bij schrijven van

17 maart 1998 verstrekte inlichtingen verwerkt. Van onzorgvuldig of onvolledig onderzoek is de Raad dan ook niet gebleken.

Overigens kan de Raad zich verenigen met het door de rechtbank ingenomen standpunt ten aanzien van appellants klacht met betrekking tot de schatting van de mate van invaliditeit als gevolg van zijn kaakfractuur, waarbij de Raad opmerkt dat de rechtbank zich over die schatting wel ten overvloede inhoudelijk heeft uitgelaten. Ook de aan die schatting gewijde inhoudelijke overwegingen onderschrijft de Raad.

De rechtbank heeft voorts gemotiveerd aangegeven waarom zij van oordeel is dat voldoende inzichtelijk is gemaakt hoe aan de hand van de WPC-schaal (vergelijkender-wijs) is geschat. Ook hiermee kan de Raad zich verenigen. Appellant heeft zijn stelling dat de rechtbank ten onrechte dat standpunt heeft ingenomen niet nader geadstrueerd.

De Raad merkt ten slotte op met betrekking tot de slijtage van het gewrichtskraakbeen dat gedaagde een oorzakelijk dan wel verergerend dienstverband in zijn algemeenheid niet heeft aanvaard. Evenals de rechtbank ziet de Raad in de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten dat standpunt onjuist te achten. Voor zover de aandoening van het gewrichtskraakbeen veroorzaakt is door de veranderde statiek als gevolg van de slechte functie van de rechterknie, (waarvoor dienstverband is aangenomen) is overigens wel dat verband aangenomen en verdisconteerd in de aan rug- en heupklachten toegekende invaliditeit van 10%. Waarom dit percentage een te lage schatting zou zijn heeft appellant niet aangegeven.

Gezien het vorenstaande moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om met toepassing artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2003.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

03.04