Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:BJ3309

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-09-2002
Datum publicatie
22-07-2009
Zaaknummer
00/5771 AW + 00/5772 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belastingdienst maakt gebruik van bevindingen van een boekenonderzoek van een vof, dat op fiscale gronden is aangevangen, maar waarbij tevens de verboden bemoeienis van een belastingsambtenaar blijkt, waarna disciplinairemaatregel volgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/5771 AW en 00/5772 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], appellant,

en

de Staatssecretaris van Financiën, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 september 2000, nrs. SBR 99/1450, SBR 99/1591, SBR 99/1775 en SBR 00/114, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Op 7 februari 2001 zijn namens appellant de gronden waarop het hoger beroep berust, aangevuld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 25 juli 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.D. Brouwers-Wozniak, advocaat te Soest, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door L.P. de Jonge, werkzaam bij de Directie Personeels- en Arbeidsvoorwaarden van de Belastingdienst.

II. MOTIVERING

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was vanaf 1974 werkzaam als belastingambtenaar, laatstelijk bij de Belastingdienst Ondernemingen Utrecht.

1.2. Bij brief van 8 september 1993 heeft appellant gedaagde verzocht hem ontheffing te verlenen van het verbod van het drijven van een nering in verband met “uitlenen” van zijn middenstandsdiploma aan zijn echtgenote, ten einde samen met haar een vennootschap onder firma (v.o.f.) te kunnen oprichten. Bij besluit van 26 oktober 1993 heeft gedaagde dit verzoek op grond van artikel 61 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) gehonoreerd, onder de voorwaarden dat appellant zich onthield van elke bemoeienis met de administratie van de v.o.f. en dat er slechts sprake mocht zijn van een “papieren situatie”. De v.o.f. [naam v.o.f.] (verder: de v.o.f.) is per 1 april 1994 tot stand gekomen met als vennoten appellant en zijn echtgenote. Bij besluit van 1 juni 1995 is deze toestemming onder de genoemde voorwaarden verlengd.

1.3. Naar aanleiding van een in 1998 bij de v.o.f. door de Belastingdienst Ondernemingen Amersfoort uitgevoerd boekenonderzoek in verband met het fiscale gedrag van de v.o.f., is bij gedaagde het vermoeden gerezen dat appellant administratieve werkzaamheden voor de v.o.f. verrichtte. Gedaagde is hiernaar vervolgens een nader onderzoek gestart.

1.4. Dit onderzoek heeft er onder andere toe geleid dat gedaagde bij besluit van 7 mei 1999 (onder meer) appellant met toepassing van artikel 91, eerste lid, aanhef en b, van het ARAR heeft geschorst. Het hiertegen namens appellant ingestelde bezwaar is bij bestreden besluit van 5 augustus 1999 ongegrond verklaard.

1.5. Voorts heeft gedaagde bij brief van 26 mei 1999 onder meer het voornemen tot disciplinair ontslag kenbaar gemaakt, daartoe in hoofdzaak stellende dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, omdat hij in strijd met de gestelde voorwaarden gedurende lange tijd intensieve bemoeienis heeft gehad met de administratie van de v.o.f., hij opzettelijk onjuiste aangiften heeft gedaan van de loonbelasting over maart/april 1995 en de omzetbelasting van de maand november 1997 en onjuiste informatie heeft verschaft ten aanzien van de loonbelasting over 1995 in een bezwaarschrift, waardoor er vermoedelijk te weinig loonbelasting is betaald.

1.6. Nadat appellant in de gelegenheid was gesteld verantwoording af te leggen, heeft gedaagde hem bij besluit van 13 september 1999 wegens ernstig plichtsverzuim de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd met ingang van de tweede dag na dagtekening van dat besluit. Tegen dit besluit is namens appellant bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit van 21 december 1999 heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - voorzover hier van belang - de beroepen tegen de besluiten tot handhaving van het schorsingbesluit en het ontslagbesluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen door partijen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

4. Ten aanzien van het ontslagbesluit

4.1. Ingevolge artikel 80 van het ARAR kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair worden gestraft. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Naar vaste jurisprudentie dient de bestuursrechter in ambtenarenzaken die moet beslissen over een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf, vast te stellen of de betrokken ambtenaar zich schuldig heeft gemaakt aan het plichtsverzuim ter zake waarvan het bestuursorgaan hem de straf heeft opgelegd. De overtuiging dat sprake is van plichtsverzuim zal de rechter moeten ontlenen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit.

4.2. Namens appellant is gesteld dat gedaagde bij de besluitvorming geen gebruik had mogen maken van de gegevens uit het boekenonderzoek, nu was aangekondigd dat er een onderzoek zou worden gedaan naar de v.o.f., terwijl achteraf is gebleken dat de omvang van appellants nevenwerkzaamheden mede is onderzocht.

Wat er van de juistheid van deze stelling ook zij, de Raad acht het niet in strijd met het zorgvuldigheids- of enig ander beginsel dat gedaagde in casu gebruik heeft gemaakt van de bevindingen van het onderzoek dat op fiscale gronden was aangevangen, maar waarbij ook de - hem expliciet - verboden bemoeienis van appellant naar voren is gekomen.

4.3. Naar het oordeel van de Raad staat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting genoegzaam vast dat appellant naast zijn betrekking bij de Belastingdienst administratieve werkzaamheden in de v.o.f. heeft verricht. Appellant heeft zelf verklaard dat hij steeds verder is gegaan in alle handelingen voor de v.o.f. en uiteindelijk in verband met de ziekte van zijn echtgenote alle taken met betrekking tot de administratie heeft overgenomen, waaronder het invullen van de belastingaangiften.

Voorts meent de Raad, evenals de rechtbank, dat in voldoende mate is komen vast te staan dat appellant in ieder geval over de maand november 1997 opzettelijk een onjuiste aangifte omzetbelasting heeft gedaan.

Op 6 juli 1999 heeft appellant verklaard dat hij door de benarde financiële situatie tot het doen van de onjuiste aangifte is gebracht. Voorts heeft hij toen aangegeven dat hij aangiften verkeerd heeft ingevuld omdat hij overstelpt werd met financiële problemen, waardoor hij ondoordachte dingen is gaan doen. Ter zitting van de rechtbank heeft appellant ter zake van de aangifte over november 1997 nog verklaard dat hij de voorbelasting op hetzelfde bedrag heeft gezet als de afdracht om een einde te maken aan de aangifte. Dat appellant op een later tijdstip door middel van suppletie-aangiften een en ander heeft willen corrigeren doet naar het oordeel van de Raad niet af aan het feit dat appellant bewust de aangifte foutief heeft gedaan. Ook de ter zitting van de Raad namens appellant overgelegde, in het geschil tussen de echtgenote van appellant en het hoofd van de belastingdienst Ondernemingen Utrecht gegeven uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 30 januari 2002, maakt het oordeel van de Raad niet anders, nu in die uitspraak uitsluitend is geconcludeerd dat er sprake was van inkeer en dat derhalve ten onrechte boeten zijn opgelegd, hetgeen niet betekent dat appellant de aangifte wel juist heeft gedaan.

4.4. Appellant heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat hij onder administratie heeft verstaan het bijhouden van kas- bank- en giroboeken, zoals ook zou blijken uit zijn verzoek van 8 september 1993, waardoor hij meende bepaalde werkzaamheden voor de v.o.f. te mogen verrichten, ondanks de bij de toestemming gestelde voorwaarde dat hij geen bemoeienis mocht hebben met de administratie van de v.o.f.

Hierin kan de Raad appellant niet volgen. Al eerder had appellant gedaagde in kennis gesteld van het feit dat zijn echtgenote met ingang van 1 oktober 1992 als zelfstandig ondernemer werkzaam zou zijn en dat hij generlei bemoeienis met de onderneming zou hebben. Vervolgens vraagt appellant op 8 september 1993 om ontheffing van het verbod tot het drijven van een nering uitsluitend om zijn middenstandsdiploma uit te kunnen lenen aan zijn echtgenote, waarbij hij opmerkt dat er weinig in de situatie zal veranderen. Op grond van de daarna op 26 oktober 1993 door gedaagde gegeven ontheffing met de voorwaarde dat er slechts sprake mag zijn van een “papieren situatie” had het voor appellant, gezien in het licht van zijn voormelde brieven zonder meer duidelijk moeten zijn dat hij geen enkele bemoeienis mocht hebben met de werkzaamheden van de v.o.f. Dat appellant bedoelde voorwaarde ook aldus heeft begrepen blijkt mede uit zijn brief van 4 februari 1999, waarin hij heeft aangegeven dat hem toestemming is verleend, onder de voorwaarde dat hij zich zou onthouden van enigerlei bemoeienis met de onderneming.

4.5. Namens appellant is voorts gewezen op diverse omstandigheden op grond waarvan bij hem het vertrouwen zou zijn gewekt dat het verrichten van werkzaamheden voor de v.o.f. door gedaagde werd gedoogd.

4.5.1. Hij wijst daarbij onder meer op het feit dat bij de verlenging van de toestemming in 1995 en in de jaren 1996, 1997 en 1998 appellants nevenwerkzaamheden niet zijn getoetst aan het beleid ingevolge artikel 10.3.1.2, onder 3, van het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst.

Wat daarvan verder zij, hieruit kan naar het oordeel van de Raad niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden afgeleid dat het verrichten van de betreffende nevenwerkzaamheden door gedaagde is gedoogd.

De Raad acht in dit verband nog van belang dat appellant niet aannemelijk heeft kunnen maken dat zijn leidinggevenden vóór eind juni 1998 op de hoogte waren van het feit dat hij (administratieve) werkzaamheden verrichtte voor de v.o.f. Voor gedaagde was er toen derhalve geen noodzaak aanwezig om te onderzoeken of appellant al of niet bemoeienis had met de v.o.f., nu gedaagde ervan uit mag gaan dat een ambtenaar een ten aanzien van hem genomen besluit naleeft.

4.5.2. Voorts heeft appellant gesteld dat zijn teamleider nadat hij hem eind juni 1998 van zijn activiteiten voor de v.o.f. op de hoogte had gesteld, zijn bemoeienis met de v.o.f. in de hand heeft gewerkt, waardoor bij appellant het vertrouwen is gewekt dat het hem vrij zou staan de nevenwerkzaamheden te (blijven) verrichten.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de Raad echter gebleken dat zijn teamleider, nadat appellant in het kader van een gesprek over zijn functioneren bij deze teamleider de financiële en fiscale problematiek van de v.o.f. ter sprake had gebracht, appellant heeft aangeraden er zorg voor te dragen dat de v.o.f. aan de fiscale verplich-tingen zou (kunnen) voldoen, nu hij hiervoor als vennoot van de v.o.f. verantwoordelijk is. Maar wat daar verder van zij, het verweten plichtsverzuim ziet op de periode voordat appellant zijn teamleider in kennis stelde van zijn activiteiten voor de v.o.f., zodat van strijd met het vertrouwensbeginsel, zoals namens appellant is gesteld, geen sprake kan zijn.

4.6. Gezien het vorenstaande is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat appellant in strijd heeft gehandeld met de voorwaarde van de hem bij besluit van 26 oktober 1993, verlengd bij besluit van 1 juni 1995, gegeven toestemming om een nering te drijven. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim en dat gedaagde derhalve bevoegd was een disciplinaire straf op te leggen.

4.7. Vervolgens dient de vraagt te worden beantwoord of tussen de opgelegde straf van ontslag en het door appellant gepleegde plichtsverzuim geen onevenredigheid bestaat.

4.7.1. De Raad is van oordeel dat het in strijd met de gegeven toestemming verrichten van administratieve handelingen voor de v.o.f., waaronder het doen van belastingaangiften, met recht is aan te merken als een ernstige aantasting van het belang om in het kader van de integriteit van de Belastingdienst elke schijn van belangenverstrengeling te vermijden. De Raad acht hierbij mede van betekenis dat de v.o.f. waarvoor appellant zijn werkzaam-heden verrichtte voor de heffing van de belastingen onder de eenheid ressorteerde waar appellant als belastingambtenaar werkzaam was, te weten de eenheid Ondernemingen Utrecht. Voorts meent de Raad, evenals de rechtbank, dat appellant door het opzettelijk onjuist invullen van de aangifte omzetbelasting over november 1997 ook zijn integriteit en betrouwbaarheid als belastingambtenaar, die juist is belast met de controle en toezicht op de naleving van de fiscale wet- en regelgeving door belastingplichtigen, ernstig heeft ondermijnd.

4.8. Gezien het vorenstaande acht de Raad de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim.

5. Ten aanzien van het schorsingsbesluit

5.1. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat gedaagde in de resultaten van het boekenonderzoek, waaruit de betrokkenheid van appellant bij de v.o.f. bleek en in de schriftelijke en mondelinge verantwoording van appellant naar aanleiding van de brief van 27 januari 1999, waarin aan hem het bestaan van gedaagdes vermoeden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim kenbaar is gemaakt, voldoende grond heeft kunnen vinden voor het voornemen appellant te ontslaan en deswege bevoegd was hem met toepassing van artikel 91, eerste lid, aanhef en sub b, van het ARAR te schorsen. Naar het oordeel van de Raad kan van de wijze waarop gedaagde in de gegeven omstandigheden gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot schorsing van appellant niet worden gezegd dat gedaagde daartoe in redelijkheid niet heeft kunnen komen. Gezien de ernst van de gedragingen kon gedaagde zich redelijkerwijs op het standpunt stellen dat appellant niet meer in zijn functie kon worden gehandhaafd.

6. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

7. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt:

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover in hoger beroep aangevochten.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. A. Beuker-Tilstra als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 september 2002.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

HD