Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:BJ3171

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2002
Datum publicatie
21-07-2009
Zaaknummer
00/3045 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Politie-inspecteur, werkzaam als projectleider Senioren en Veiligheid, haalt een als “wrak” bestempelde auto voor vernietiging op bij bejaarde vrouw, maar knapt in werkelijkheid de auto op en neemt hem samen met zijn vriendin in gebruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

00/3045 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 mei 2000, nr. AWB 98/7085 AW 154, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 mei 2002, waar appellant in persoon is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Th. Tanja, werkzaam bij de politieregio Amsterdam-Amstelland.

II. MOTIVERING

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is vanaf 1974 werkzaam geweest bij de politie, laatstelijk in de functie van projectleider Senioren en Veiligheid in de rang van inspecteur van politie. Hij heeft op 1 december 1995 een bezoek gebracht aan de in 1918 geboren mevrouw G. [G. ]. Zij was eigenares van een auto, merk Fiat Panda (bouwjaar 1983), die reeds drie jaar niet meer was gebruikt en in verwaarloosde staat verkeerde.

1.2. Tijdens het bezoek heeft appellant de auto ter sprake gebracht en aan mevrouw [G. ] gezegd dat hij ervoor kon zorgen dat de auto kosteloos door de politie als wrak zou worden weggehaald. Daarmee heeft mevrouw [G. ] ingestemd en zij heeft toen aan appellant de autosleutels en -papieren overhandigd.

1.3. Op 7 december 1995 heeft appellant de auto op naam van zijn vriendin laten zetten. Enkele dagen later heeft appellant aan mevrouw [G. ] het vrijwaringsbewijs, gedateerd 7 december 1995, toegezonden.

1.4. Bij brief van 9 december 1995 heeft appellant aan mevrouw [G. ] geschreven dat de auto op de gebruikelijke wijze buiten gebruik zou worden gesteld. In werkelijkheid heeft appellant de auto echter opgeknapt en is de auto door hem en zijn vriendin in gebruik genomen.

1.5. Na ongeveer drie maanden heeft mevrouw [G. ] haar auto op een parkeerplaats zien staan, waarover zij aan appellant tekst en uitleg heeft gevraagd. Appellant heeft haar toen niet de waarheid verteld. Op 18 juli 1997 heeft mevrouw [G. ] haar auto wederom op een parkeerplaats zien staan. Zij heeft daarover haar ongenoegen kenbaar gemaakt aan de politie, die daarop een uitgebreid onderzoek heeft ingesteld.

1.6. In het kader van het door het Bureau Interne Onderzoeken (BIO) ingestelde onderzoek is onder anderen mevrouw [G. ] als getuige gehoord. Zij heeft verklaringen afgelegd over de hierboven over haar en haar auto weergegeven feiten.

1.7. Na afsluiting van het BIO-onderzoek is appellant geschorst en vervolgens is hij bij besluit van 27 januari 1998 met onmiddellijke ingang gestraft met disciplinair ontslag. Na bezwaar is dat ontslagbesluit gehandhaafd bij het door appellant bestreden besluit van 10 augustus 1998.

2. Het namens appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat er procedurefouten zijn gemaakt. Zo is een strafrechtelijk onderzoek tegen hem ingesteld, maar is hij niet strafrechtelijk vervolgd. Terwijl dus een strafrechtelijke veroordeling is uitgebleven is hem in het kader van het disciplinair ontslag niettemin verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten als oplichting, misbruik van gezag en verduistering in dienstbetrekking.

3.2. Naar het oordeel van appellant zou gedaagde geen gebruik hebben mogen maken van de resultaten van het BIO-onderzoek. In het kader van het BIO-onderzoek heeft appellant verklaringen afgelegd die hij nooit gedaan zou hebben indien hij bij de verhoren niet in een uiterst labiele en emotionele situatie zou hebben verkeerd. Appellant heeft ter zitting gewezen op enkele passages in het proces-verbaal van het verhoor van hem.

3.3. Ten onrechte zou door het BIO niet zijn gerapporteerd dat appellant op 19 juli 1997 een gesprek met mevrouw [G. ] heeft gehad over een schadeloosstelling, over de kosten van appellant om de auto rijklaar te maken en over het feit dat appellant uit vrije wil opening van zaken heeft gegeven aan mevrouw [G. ].

3.4. Appellant heeft voorts gesteld dat hij ten tijde hier van belang, zoals al eerder door hem en door zijn collega [M.] en zijn vriendin is verklaard, heeft verkeerd in een onstabiele toestand. Hij heeft erop gewezen dat hij in verband met die toestand begeleiding heeft gehad van de bedrijfsmaatschappelijk werkster Leutscher.

3.5. Tot slot heeft appellant betoogd dat hij uiteindelijk slechts één fout heeft begaan: hij heeft zich niet gehouden aan de afspraak met mevrouw [G. ]. In het licht van zijn onberispelijke staat van dienst van 24 jaar acht appellant de straf te zwaar en buitenproportioneel.

4.1. Namens gedaagde is gesteld dat er voldoende feitelijke grondslag is voor het opleggen van de disciplinaire straf van ontslag. Zo handelde appellant reeds in strijd met de waarheid toen hij mevrouw [G. ] op 9 december 1995 informeerde dat haar auto buiten gebruik zou worden gesteld. Appellant maskeerde met die brief zijn gedrag, in welk verband het stellen van de auto op naam van zijn vriendin boekdelen spreekt.

4.2. Appellant is niet gestraft omdat hij in strafrechtelijke zin strafbare feiten heeft gepleegd, maar omdat hij ‘op z’n Hollands gezegd’ de auto van mevrouw [G. ] heeft verduisterd en mevrouw [G. ] heeft opgelicht, zulks in zijn hoedanigheid van politieambtenaar. Appellant heeft daarmee een grove en niet te tolereren inbreuk gemaakt op hetgeen van een politieambtenaar mag en moet worden verwacht.

4.3. Het BIO-onderzoek is weliswaar strafrechtelijk ingezet, maar gedaagde ziet geen enkele reden waarom hij van de onderzoeksresultaten geen gebruik zou mogen maken in het kader van het treffen van rechtspositionele maatregelen. Het OM heeft ook toestemming verleend om de stukken te gebruiken. Naast het houden van strafrechtelijke onderzoeken heeft het BIO als tweede taak het houden van onderzoeken die zijn gericht op het nemen van disciplinaire maatregelen.

4.4. Het BIO-onderzoek heeft op een behoorlijke wijze plaatsgevonden, waarbij het bijzondere aspect dat het een onderzoek naar een collega betrof, zeker niet ten nadele van appellant heeft gewerkt. Er is zorgvuldig gehandeld, aldus gedaagde. Appellant, die van de betekenis daarvan goed op de hoogte is, heeft de processen-verbaal ondertekend.

4.5. Op geen enkele wijze is aangetoond dat de door appellant gestelde privé-omstandigheden hem hebben gebracht tot zijn handelwijze. Van medische (psychische) oorzaken is niets gebleken.

4.6. De straf van ontslag is niet onevenredig aan het begane plichtsverzuim. In het licht van de ernst van de gedragingen - appellant heeft ook na drie maanden en in de periode nadien geen gebruik gemaakt van de gelegenheid van zijn foute handelwijze terug te komen - leiden de leeftijd en de duur van het dienstverband niet tot matiging van de strafmaat. Omgekeerd kan veeleer worden geredeneerd dat appellant met zijn ervaring en rol als projectleider Senioren en Veiligheid beter had behoren te weten, aldus gedaagde.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant zich door zijn onder 1.3., 1.4., en 1.5. weergegeven handelingen, die niet zijn beperkt tot het begaan van strafbare feiten als zodanig, niet heeft gedragen zoals van een goed politiefunctionaris verwacht mag worden.

5.2. De Raad ziet niet dat gedaagde geen gebruik had mogen maken van de terzake door het BIO vastgestelde gegevens. Het onderzoek, waartoe het BIO bevoegd was, heeft op deugdelijke wijze plaatsgevonden. Aan appellant is zelfs medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht was.

Ook als de enkele door appellant gewraakte verklaringen buiten beschouwing gelaten zouden worden en de onder 3.3. bedoelde passages in het BIO-rapport zouden zijn opgenomen, voor welke beide acties de Raad overigens geen enkele grond aanwezig acht, zou de Raad niet tot een andere conclusie komen.

5.3. In de gedingstukken ziet de Raad geen goede reden waarom de gedragingen aan appellant niet zouden kunnen worden toegerekend. De verklaringen van de vriendin van appellant en van zijn collega [M.] omtrent de onstabiele toestand waarin appellant destijds zou hebben verkeerd, acht de Raad bepaald onvoldoende draagkrachtig om die reden wel te zien. Medische gegevens en gegevens van de door appellante genoemde bedrijfsmaatschappelijk werkster die een ondersteuning zouden kunnen vormen voor appellants standpunt, ontbreken geheel.

5.4. De Raad deelt ook het oordeel van de rechtbank dat sprake is van zeer ernstig plichtsverzuim en dat gedaagde in de cumulatie van de onjuiste gedragingen, de onderlinge samenhang daartussen en de omstandigheden waaronder die feiten hebben plaatsgevonden, voldoende aanleiding heeft kunnen vinden om tot het opleggen van de zwaarste disciplinaire straf over te gaan. De langdurige onberispelijke staat van dienst doet niet af aan de conclusie van gedaagde dat appellant heeft gehandeld in strijd met de eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid en dat appellant daarmee het in hem te stellen vertrouwen in ernstige mate heeft geschonden en aldus aan het eigen aanzien en aan dat van de politie grote schade heeft toegebracht.

6. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

7. Gelet op het bovenstaande en omdat de Raad geen termen aanwezig acht tot toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. R. Kooper en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2002.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

HD