Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:BJ3079

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-08-2002
Datum publicatie
20-07-2009
Zaaknummer
00/5991 AW + 00/5992 AW + 01/4839 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na succesvol beroep tegen intrekking WAO conforme uitkering weigert betrokkene ook na waarschuwing, medewerking aan medische onderzoeken ivm mogelijk ontslag wegens ziekte. Redenen voor niet meewerken niet valide.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

00/5991 AW, 00/5992 AW en 01/4839 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Kennemerland, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 10 oktober 2000, nrs. 00/0583 AW en 00/0591 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadien nog geschriften ingezonden.

Gedaagde heeft een nader besluit van 10 mei 2001 genomen. Appellant heeft hiertegen bij de rechtbank Haarlem beroep ingesteld. In verband met de mogelijke toepasselijkheid van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuurswet (Awb) is met betrekking tot dit besluit een geding bij de Raad geregistreerd onder nummer 01/4839 AW).

De gedingen zijn, gevoegd met het geding met nummer 00/180 AW, behandeld ter zitting van 18 juli 2002. Aldaar is appellant in persoon verschenen, bijgestaan door

mr. B. Wernik, advocaat te Haarlem, als zijn raadsman en heeft gedaagde zich doen vertegenwoordigen door mr. J. Nijland, werkzaam bij de politieregio Kennemerland.

II. MOTIVERING

1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger overzicht van de voor deze gedingen relevante feiten en omstandigheden, volstaat de Raad met het navolgende.

1.1. Appellant genoot sedert 15 mei 1992 ziekteverlof. In de loop van 1996 zijn de uitbetaling van appellants zogenoemde WAO-conforme uitkering en zijn bezoldiging beëindigd en is aan appellant ontslag verleend. Na een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage is bij besluit van 4 april 1997 de WAO-conforme uitkering met terugwerkende kracht hersteld en heeft gedaagde bij besluit van 3 oktober 1997 appellants aanspraak op bezoldiging met terugwerkende kracht hersteld en het ontslag ingetrokken.

1.2. Bij brief van 18 december 1997 is appellant in kennis gesteld van het voornemen van gedaagde om appellant met ingang van 1 maart 1998 ontslag te verlenen in verband met ongeschiktheid wegens ziekte en aldus toepassing te geven aan artikel 94, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Hierbij is aangegeven welke procedure daartoe gevolgd zou worden en dat appellant een uitnodiging van de bedrijfsarts zou ontvangen. Bij brief van 7 januari 1998 is de procedure daadwerkelijk gestart. Appellant heeft bij zijn eerste bezoek aan de bedrijfsarts op 25 februari 1998 medewerking aan het onderzoek geweigerd. Nadat gedaagde appellant vervolgens had opgedragen om op 19 maart 1998 op het spreekuur van de bedrijfsarts te verschijnen en aan het onderzoek zijn medewerking te geven, onder de aantekening dat een weigering zal leiden tot de procedure van hoofdstuk IX van het Barp, is appellant op 19 maart 1999 niet bij de bedrijfsarts verschenen.

1.3. Aan appellant is bij besluit van 16 juni 1998 de straf van disciplinair ontslag opgelegd, omdat hij op 25 februari 1998 en 19 maart 1998 geen medewerking heeft verleend aan de hem opgedragen medische onderzoeken. Daarbij is besloten deze straf niet ten uitvoer te leggen zolang appellant onmiddellijk en op een wijze die het regiokorps in redelijkheid van hem mag eisen meewerkt aan de uitvoering van de procedure ex artikel 94, derde lid, van het Barp en zich gedurende deze procedure en de besluitvorming naar aanleiding daarvan niet schuldig maakt aan enig ander plichtsverzuim.

1.4. Nadat gedaagde bij brief van 25 juni 1998 wederom de procedure ingevolge artikel 94, derde lid, van het Barp had gestart is appellant op 1 juli 1998 bij de bedrijfsarts geweest. Appellant heeft de bedrijfsarts nadien inzage geweigerd in een inmiddels in het kader van de uitvoering van de WAO(-conforme uitkering) uitgebrachte psychiatrische expertise. Vervolgens heeft de bedrijfsarts het nodig geoordeeld dat appellant een onderzoek zou ondergaan bij het Psychologisch Adviesbureau Lancée B.V. (hierna: het Adviesbureau) en dit met appellant besproken. Na herhaalde instemming van appellant met zodanig onderzoek is appellant aldaar op 18 februari 1999 zonder bericht van verhindering niet verschenen.

1.5. Nadat gedaagde appellant had uitgenodigd om zijn zienswijze te geven over een ten uitvoerlegging van het strafontslag heeft gedaagde appellant - na bemiddeling door de president van de rechtbank - een nieuwe mogelijkheid gegeven om een onderzoek door het Adviesbureau te ondergaan. Appellant is op de afgesproken datum van 31 mei 1999 bij het Adviesbureau verschenen, maar heeft medewerking geweigerd aan een onderzoek.

1.6. Bij besluit van 16 juli 1999 is het strafbesluit van 16 juni 1998 met ingang van

1 augustus 1999 ten uitvoer gelegd, aangezien appellant twee keer medewerking heeft geweigerd aan een medisch onderzoek ingevolge artikel 94, derde lid, van het Barp.

1.7. Bij het thans bestreden besluit van 6 december 1999 zijn de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 16 juni 1998 en 16 juli 1999 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten.

2. Het voorwaardelijk strafontslag

2.1. Appellant erkent dat hij geen medewerking heeft verleend aan de onderzoeken van de bedrijfsarts op 25 februari 1998 en 19 maart 1998, doch meent daartoe voldoende redenen te hebben gehad.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant geen valide redenen had om zijn medewerking aan die onderzoeken te onthouden en kan zich in grote lijnen verenigen met de overwegingen in de aangevallen uitspraak. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd overweegt de Raad nog het navolgende.

2.2. Uit het besluit van gedaagde van 3 oktober 1997 blijkt dat appellants rechtspositie volledig werd hersteld. Dit bracht mee dat appellant verplicht was om zich aan rechtspositionele voorschriften te houden. De omstandigheid dat het feitelijk herstel van de gevolgen van dit besluit op 25 februari 1998 nog niet (volledig) was gerealiseerd, is geen reden voor appellant om medewerking aan het hem opgedragen onderzoek door de bedrijfsarts te weigeren. De Raad merkt overigens op dat de inmiddels reeds kort na 4 april 1997 volledig herstelde WAO-conforme uitkering meebracht dat van appellants bezoldiging nog slechts een zeer klein gedeelte tot uitbetaling zou komen.

2.3. Voorzover appellant de bijlage bij de brief van 18 december 1997 niet had ontvangen ziet de Raad in deze omissie evenmin reden om medewerking aan het onderzoek te weigeren. Blijkens de brief van 18 december 1997 had die bijlage betrekking op de mogelijkheid voor appellant om het advies van een behandelend arts in de procedure te betrekken. Aangezien het onderzoek van de bedrijfsarts nog slechts gericht was op het tot stand komen van een aanvrage om een ongeschiktheidsadvies van USZO, is de Raad van oordeel dat op grond van het enkele ontbreken van de bijlage appellant medewerking aan het onderzoek niet mocht onthouden. Appellant was in de desbetreffende brief bovendien wel op de hoogte gesteld van de mogelijkheid een eigen arts in de procedure te betrekken.

2.4. De Raad acht voorts appellants wens om het kort voor 19 maart 1998 ontvangen rapport van de psychiatrische expertise in het kader van de uitvoering van de WAO(-conforme uitkering) met zijn raadsman te bespreken, een onvoldoende reden om zich aan het onderzoek door de bedrijfsarts op 19 maart 1998 te onttrekken.

2.5. In hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd ziet de Raad geen reden om tot een ander oordeel te komen.

2.6. De Raad is van oordeel dat appellant door zijn hierboven vermelde gedragingen ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd en dat de hem opgelegde straf, mede gelet op de waarschuwing die gedaagde aan appellant heeft gegeven bij de vaststelling van de onderzoeksdatum van 19 maart 1998, niet als onevenredig kan worden aangemerkt.

3. De tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag

3.1. Appellant erkent dat hij bij de onderzoeken van het Adviesbureau op 18 februari 1999 en 31 mei 1999 niet is verschenen respectievelijk daaraan medewerking heeft geweigerd. Appellant is van opvatting dat hij daartoe toereikende redenen had. De Raad schaart zich in grote lijnen achter hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd overweegt de Raad het navolgende.

3.2.1. Met betrekking tot het onderzoek van 18 februari 1999 is de kern van appellants motief dat een deugdelijke onderbouwing van de bedrijfsarts over het ondergaan van dit onderzoek ontbrak. Voorts bestond er bij hem onduidelijkheid over de vraag of het onderzoek plaats moest vinden in het kader van de aanvraag van 7 januari 1998 dan wel 25 juni 1998.

3.2.2. De Raad is van oordeel dat de bedrijfsarts in de hem ter beschikking staande gegevens voldoende redenen mocht zien om appellant door het Adviesbureau te laten onderzoeken in het kader van zijn advisering over een ontslagprocedure ingevolge artikel 94, derde lid, van het Barp. De Raad wijst er vooreerst op dat appellant reeds meer dan vier jaar met ziekteverlof was en dat appellant zich tot dan toe nimmer bij gedaagde of de bedrijfsarts had gemeld voor werkhervatting omdat hij zijns inziens weer hersteld was. De Raad merkt daarbij op dat appellant ter zitting desgevraagd niet kon aangeven of hij zich toentertijd weer geheel hersteld achtte. De Raad wijst voorts op het rapport van het Adviesbureau over appellant van 21 september 1992 en de omstandigheid dat appellant in het kader van de uitvoering van de WAO(-conforme uitkering) in januari 1998 aan een psychiatrisch onderzoek is onderworpen, terwijl appellant geweigerd heeft de bedrijfsarts inzage te verlenen in de rapportage van dat psychiatrisch onderzoek. Voorts had de bedrijfsarts op 1 juli 1998 zeer uitvoerig met appellant gesproken, zodat die arts ook uit eigen waarneming een oordeel kon vormen over de wenselijkheid van een aanvullend onderzoek. Ook al heeft de bedrijfsarts zijn zienswijze over de noodzaak van het onderzoek door het Adviesbureau niet in een schriftelijke uiteenzetting gegeven, de bedrijfsarts heeft over die noodzaak wel meermalen met appellant gesproken en appellant heeft daarbij tot twee keer toe zijn instemming betuigd met het ondergaan van het onderzoek. Het valt dan niet in te zien dat appellant in onvoldoende mate door de bedrijfsarts op de hoogte is gesteld over diens beweegredenen, waarbij de Raad nog geheel daarlaat of zulks beslissende betekenis mag hebben voor appellants bereidwilligheid tot het verlenen van medewerking aan een onderzoek als hier aan de orde.

3.2.3. De Raad vermag ook niet in te zien dat de bedrijfsarts terstond na het onderzoek op 1 juli 1998 verplicht zou zijn geweest om aan gedaagde enig advies over appellant uit te brengen, aangezien voor de bedrijfsarts de onderzoeksfase om tot een advies aan gedaagde te komen nog niet was afgesloten.

3.2.4. Appellants grieven over de onduidelijkheid van de bij brief van 25 juni 1998 gestarte procedure snijden geen hout. Deze brief bevat, mede door de verwijzing naar de uitvoerige brief van 18 december 1997, voldoende duidelijkheid over de intenties van gedaagde.

3.3.1. Met betrekking tot de onderzoeksdatum van 31 mei 1999 is de Raad van oordeel dat appellants opvatting, dat de toelichting van de bedrijfsarts over de noodzaak om een onderzoek te ondergaan bij het Adviesbureau ontoereikend was, geen reden mocht zijn om zijn medewerking te weigeren aan dat onderzoek. Tussen partijen was door bemiddeling van de president van de rechtbank een afspraak gemaakt en deze behoorde appellant na te komen.

3.3.2. Appellants zienswijze, dat hij door zijn inmiddels vanaf 1 mei 1999 bestaande aanspraak op deelname aan de (toen net in het leven geroepen) tijdelijke ouderenregeling evenmin verplicht was om zich nog aan het onderzoek op 31 mei 1999 te onderwerpen, kan de Raad niet delen.

3.3.3. In de eerste plaats stelt de Raad vast dat appellants verzoek om deelname aan de tijdelijke ouderenregeling bij besluit van gedaagde van 28 april 1999 was afgewezen. Appellants inmiddels tegen dit besluit gemaakte bezwaar doet aan de afwijzing niet af. Voorts wijst de Raad erop dat bij toepassing van de tijdelijke ouderenregeling, geformaliseerd bij Besluit van 11 december 2000, Stbl. 2000, 558, nog steeds de verplichting kan worden opgelegd om bij ziekte een geneeskundig onderzoek te ondergaan. De Raad wijst kortheidshalve naar hetgeen in genoemd Besluit met betrekking tot ziekte en arbeidsongeschiktheid is opgenomen, waaronder artikel 29f van het Besluit bezoldiging politie.

3.4. Aangezien appellant derhalve herhaald plichtsverzuim heeft gepleegd als genoemd in het besluit van 16 juni 1998, mocht gedaagde het strafontslag ten uitvoer leggen.

3.5. Op grond van het vorenoverwogene kan het bestreden besluit in rechte stand houden en komt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten voor bevestiging in aanmerking.

4. De Raad heeft moeten vaststellen dat het besluit van gedaagde van 10 mei 2001 (registratienummer 01/4839 AW) niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb. De Raad zal het beroep van appellant naar de rechtbank (door)zenden.

5. Aangezien de Raad tot slot geen termen ziet voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb, beslist de Raad als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. A. Beuker-Tilstra als leden in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2002.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) P.J.W. Loots.

HD