Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AO8327

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-07-2002
Datum publicatie
26-04-2004
Zaaknummer
98/2003 WAMIL
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht geoordeeld dat geen recht bestond op een uitkering ingevolge de WAMIL vanwege het feit dat betrokkene niet voldeed aan de voorwaarden voor het recht op uitkering, omdat geen sprake was van rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen afwijkingen ten gevolge van ziekte of gebreken?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

98/2003 WAMIL

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsor-ganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten.

Appellant is op door G.S. Harm, verbonden aan de Stichting Centraal Beheer Rechtsbijstand te Apeldoorn, bij aanvullend beroepschrift van 18 juni 1998 aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Arnhem onder dagtekening 16 februari 1998 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft bij schrijven van 28 juli 1998 van verweer gediend.

Bij brief van 8 oktober 1998 heeft mr. drs. P.B.Ph.M. Bogaers, advocaat te Nieuwegein, zich als gemachtigde van appellant gesteld en de gronden van het ingestelde hoger beroep, onder overlegging van een aantal stukken, nader aangevuld.

Bij brieven van 16 oktober 1998 (met bijlagen), 23 oktober 1998 (met bijlagen),

28 mei 1999 (met bijlagen) en 17 juni 1999 (met bijlagen) heeft appellant de beroeps-gronden verder aangevuld.

Gedaagde heeft bij brief van 22 juli 1999 een commentaar van 1 juli 1999 van de bezwaarverzekeringsarts S.J.J.M. Gommers ingezonden op een met betrekking tot de gezondheidssituatie van appellant opgemaakt rapport van 25 mei 1999 van de

neuroloog-psychiater H. Herngreen te Barneveld.

Bij brieven van 17 september 1999 (met bijlagen) en 2 november 1999 (met bijlagen, waaronder een schrijven van 22 oktober 1999 van de neuroloog-psychiater Herngreen) heeft appellant op dit commentaar gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 april 2000, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Bogaers, voornoemd, als zijn raadsman en waar gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.

Na de behandeling ter zitting is het onderzoek heropend.

Appellant heeft bij brief van 8 juni 2000 opnieuw stukken in het geding gebracht.

Gedaagde heeft bij schrijven van 3 augustus 2000 de gronden van zijn verweer aangevuld en, desverzocht, een door de arbeidsdeskundige J.K.J. Hettinga opgestelde werkom-schrijving ingezonden van een afgestudeerd scheikundige op een promotieplaats.

Bij brieven van 11 oktober 2000 en 19 oktober 2000 (met bijlage) heeft appellant zich opnieuw tot de Raad gewend.

Door de Raad desverzocht heeft de psychiater C. Kok te Brummen bij rapport van 16 maart 2001 als deskundige van verslag en advies gediend. Bijlage bij dit rapport is een op verzoek van de psychiater Kok door de psycholoog J.H. van Wijngaarden op 6 maart 2001 uitgebracht rapport.

Appellant heeft bij brief van 27 juni 2001 (met bijlagen) op deze rapportage gereageerd.

Gedaagde heeft, desverzocht, bij brief van 26 juli 2001 zijn standpunt nader toegelicht en heeft nog een stuk ingezonden. Voorts heeft gedaagde bij brief van 3 augustus 2001 een commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Gommers op de rapportage van de deskundige Kok ingezonden.

Bij brieven van 20 augustus 2001 (met bijlagen), 10 september 2001 (met bijlagen, waaronder een schrijven van 5 september 2001 van de neuroloog-psychiater Herngreen) en een brief van 22 april 2002 (met bijlagen) heeft appellant opnieuw op de rapportage van de deskundige Kok een reactie gegeven. Voorts heeft appellant bij brief van

10 mei 2002 nog enige stukken ingezonden.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 juni 2002, waar partijen zijn verschenen als ter zitting van 25 april 2000.

II. MOTIVERING

Appellant was na het voltooien van de universitaire studie scheikunde, dienstplichtig militair van 12 juli 1993 tot en met 2 juni 1994. Op 3 juni 1994 heeft appellant zich arbeidsongeschikt gemeld, ter zake waarvan hem een uitkering werd toegekend. Bij besluit van 9 augustus 1994 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat hij op en na 9 augustus 1994 niet meer arbeidsongeschikt wordt geacht in de zin van de Ziektewet. Het tegen dit besluit ingestelde beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 6 februari 1996, na op 21 oktober 1994 uitgebracht rapport van de als deskundige geraadpleegde internist H.S. Schneider, ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 7 mei 1997 deze uitspraak en het besluit van 9 augustus 1994 vernietigd onder overweging dat dit besluit ten onrechte was gebaseerd op de Ziektewet en niet op de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (WAMIL).

Gedaagde heeft daarop het thans bestreden besluit van 26 juni 1996 genomen. Bij dit besluit is appellant ervan in kennis gesteld dat hij op en na 9 augustus 1994 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de WAMIL. Hieraan heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat hij op en na 9 augustus 1994 niet voldeed aan de voorwaarden voor het recht op uitkering, omdat geen sprake was van rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen afwijkingen ten gevolge van ziekte of gebreken.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit in stand gelaten. Daarbij heeft de rechtbank zich laten leiden door voormeld rapport van 21 oktober 1994 van de deskundige Schneider en de inmiddels bekend geworden gegevens van de neuroloog E.F.J. Poels en de longarts A. Termeer. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat uit het op verzoek van appellant uitgebrachte rapport van 9 oktober 1995 van het Nijmeegs Centrum voor Motoriek en Cognitie (NMC) niet duidelijk valt af te leiden dat appellant op medische gronden naar objectieve maatstaf gemeten ongeschikt was op en na 9 augustus 1994.

In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank uitvoerig onderbouwd bestreden en daartoe vele gegevens van medische en andere aard ingezonden, zowel met betrekking tot zijn gezondheidstoestand als zijn wijze van functioneren voor zijn ziekmelding, en daarna.

Gedaagde heeft het bij het bestreden besluit ingenomen standpunt in hoger beroep gehandhaafd, onder verwijzing naar de in hoger beroep overgelegde commentaren van de bezwaarverzekeringsarts Gommers.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de WAMIL heeft de belanghebbende die op de dag, waarop zijn verblijf in werkelijke militaire dienst eindigt, arbeidsongeschikt is of binnen een maand na die dag arbeidsongeschikt wordt, met betrekking tot zijn arbeidsonge-schiktheid recht op dezelfde ziekengelduitkering als die, waarop krachtens de Ziektewet aanspraak zou bestaan, indien hij onmiddellijk voorafgaande aan zijn arbeidsongeschikt-heid verzekerde in de zin van die wet zou zijn geweest. In het geval van appellant, die voorafgaande aan de aanvang van zijn militaire dienstplicht door studie niet aan het arbeidsproces heeft deelgenomen, is het arbeidsongeschiktheidsbegrip als geregeld in artikel 1, aanhef en onder c, ten eerste, sub b, van de WAMIL van toepassing. Ingevolge deze bepaling wordt onder arbeidsongeschiktheid verstaan de arbeidsongeschiktheid als bedoeld in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Gedaagde neemt het standpunt in dat in een dergelijk geval als (maatman)beroep moet worden aangemerkt het beroep dat de betrokkene met zijn opleiding in overheidsdienst zou hebben kunnen uitoefenen, zo hij niet ongeschikt geworden was. De Raad onderschrijft dit met het wettelijk systeem in overeenstemming zijnde standpunt.

Appellant heeft in dit kader een brief van 29 mei 2000 van prof.dr. R.J.M. Nolte overgelegd. Daaruit blijkt dat deze hoogleraar organische chemie, verbonden aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, appellant voor hij in actieve militaire dienst trad, promovabel achtte en hem na terugkeer in aanmerking zou brengen voor een promotie-plaats, dan wel zou helpen een promotieplaats elders te verkrijgen. Daaraan is toegevoegd dat het voor uitstekende studenten als appellant geen probleem is om een promotieplaats te vinden, omdat er relatief weinig goede kandidaten beschikbaar zijn.

Gelet op deze gedetailleerde gegevens, die inhouden dat sprake was van meer dan een verwachting dat appellant een promotieplaats zou kunnen verwerven, acht de Raad het in casu in overeenstemming met een juiste rechtstoepassing om als beroep dat appellant in overheidsdienst zou hebben kunnen uitoefenen, aan te merken de afgestudeerd scheikun-dige die promotieonderzoek verricht. De omstandigheid dat gedaagde van oordeel is dat aan het rapport van 16 maart 2001 van de deskundige Kok zou zijn te ontlenen dat appellant om andere redenen dan ziekte of gebrek voor promotieonderzoek niet geschikt is doet daaraan, gelet op hetgeen de Raad hierna omtrent dit rapport zal overwegen, niet af.

De bezwaararbeidsdeskundige J.K.J. Hettinga heeft, na daaromtrent verkregen inlich-tingen van prof. dr. G. van Koten, bij rapport van 1 augustus 2000, de aard, omvang en zwaarte van de werkzaamheden van een afgestudeerd scheikundige op een promotie-plaats beschreven. De Raad heeft geen enkele reden deze beschrijving niet als een getrouwe weergave aan te merken van deze werkzaamheden zoals deze door promovendi in de scheikunde - ook bij Rijksuniversiteiten - ten tijde hier in geding plachten te worden verricht.

Aldus stelt de Raad vast dat de hier voorliggende arbeidsongeschiktheidsvraag dient te worden beantwoord op basis van de door de bezwaararbeidsdeskundige Hettinga in zijn rapport van 1 augustus 2000 beschreven werkzaamheden.

De deskundige Kok is in zijn rapport van 16 maart 2001 tot de conclusie gekomen dat appellant op en na 9 augustus 1994 ongeschikt was de in het rapport van Hettinga van 1 augustus 2000 beschreven werkzaamheden te verrichten. Blijkens zijn rapport heeft de deskundige Kok daarbij acht geslagen op de uitkomsten van het door hem ingestelde psychiatrisch onderzoek, de uitkomsten van het onderzoek van de door hem ingeschakelde psycholoog Van Wijngaarden en de zich onder de gedingstukken bevindende informatie van diverse geraadpleegde medici en (neuro)psychologen die eerder al tot de conclusie waren gekomen dat ten tijde van hun onderzoek appellant niet in staat was om werkzaamheden te verrichten in het kader van een promotieonderzoek in de chemie.

De Raad volgt de conclusie van de deskundige Kok, daarbij mede acht slaand op de overige uitkomsten van (neuro)psychologisch onderzoek, waarvan in het bijzonder het onderzoek van 9 oktober 1995 van de neuropsycholoog drs. H.G.G. van Balen, verbonden aan het NMC.

Hetgeen van de zijde van de bezwaarverzekeringsarts Gommers bij aanvullende rapportage van 30 juli 2001 tegen het rapport van de deskundige Kok is aangevoerd, hierop neerkomend dat de destijds ten tijde in geding door appellant geuite klachten door de deskundige Kok niet zijn geobjectiveerd en dat de bij appellant vastgestelde beper-kingen als gevolg van een persoonlijkheidsproblematiek geen arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAMIL opleveren, leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

De Raad kan slechts vaststellen dat de deskundige Kok gemotiveerd heeft aangegeven dat appellant ongeschikt is voor de hier in aanmerking te nemen werkzaamheden en dat hij dat ook was op en na 9 augustus 1994. De Raad gaat er niet aan voorbij dat bij somatisch onderzoek van appellant, behoudens een afwijkende EEG-uitslag, geen ondubbelzinnig op ongeschiktheid wijzende afwijkingen zijn gevonden, maar een en ander laat onverlet dat de deskundige Kok op grond van overwegingen behorend tot zijn vakgebied van de psychiatrie die ongeschiktheid heeft aangenomen.

De opvatting van de bezwaarverzekeringsarts Gommers dat de beperkingen van appellant als gevolg van de bij hem bestaande persoonlijkheidsproblematiek geen basis vinden in ziekte of gebrek volgt de Raad niet. Aan het rapport van de deskundige Kok valt te ontlenen dat hij die beperkingen mede ziet voortvloeien uit ontwikkelingsstoornissen van de persoonlijkheid van appellant.

De van de zijde van partijen opgeworpen vraag of uit de rapportage van de deskundige Kok moet worden afgeleid dat appellant, al dan niet wegens ziekte of gebrek, nimmer geschikt is geweest voor de werkzaamheden van promovendus in de scheikunde, geeft de Raad aanleiding het volgende te overwegen.

Het belang van deze vraag is hierin gelegen dat als zou moeten worden aangenomen dat appellant ook al voor zijn ziekmelding om welke reden dan ook niet over de gewenste kwalificaties zou hebben beschikt om promotieonderzoek te doen, de daaraan verbonden werkzaamheden niet als maatstaf kunnen gelden waarnaar de arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAMIL moet worden beoordeeld.

Aan het rapport van de deskundige Kok valt te ontlenen dat hij het voor de hand liggend acht dat het persoonlijkheidsprofiel van appellant al bepaald is in zijn jeugdjaren en derhalve dateert van voor 9 augustus 1994. De Raad stelt aan de hand van de zich onder de gedingstukken bevindende gegevens over appellants schoolopleiding, studieresultaten en de wijze waarop hij zijn dienstplicht heeft vervuld, alsmede de gegevens van de huisarts over de gezondheidssituatie van appellant voordat hij in militaire dienst ging, vast dat daarin geen enkele aanwijzing is gelegen dat evenvermeld persoonlijkheidsprofiel toen op zijn functioneren een negatieve invloed heeft gehad.

Aldus komt de Raad tot de conclusie dat er geen aanleiding is een andere maatstaf te hanteren waarnaar de arbeidsongeschiktheid moet worden beoordeeld dan de werkzaam-heden van een promovendus scheikunde, waarvoor, gelijk hiervoor overwogen, appellant wegens ziekte of gebrek ten tijde hier in geding ongeschikt was.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bestreden besluit met de aangevallen uitspraak waarbij deze in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad overweegt dat uit het vorenstaande volgt dat gedaagde nalatig is gebleven uitkering betaalbaar te stellen over de periode vanaf 9 augustus 1994. Uit 's Raads uitspraak, gepubliceerd in JB 1995/314, volgt dat de eerste dag waarop gedaagde in casu over het bedrag van de niet betaalbaar gestelde bruto-uitkering wettelijke rente verschuldigd is, gesteld moet worden op 1 september 1994, alsook dat deze rente verschuldigd is tot aan de dag der algehele voldoening toe. Daarbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze worden begroot op € 322,- in eerste aanleg ter zake van verleende rechtsbijstand en op € 805,- in hoger beroep ter zake van verleende rechtsbijstand, alsmede op € 1066,38 (f 2350,-) ter zake van de door de neuroloog-psychiater Herngreen uitgebrachte rapportages en € 99,37 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 26 juni 1996;

Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag groot € 322,- en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1970,75, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht van € 95,29,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde Kalter en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2002.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J. Verrips.

PK