Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AN8920

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2002
Datum publicatie
02-12-2003
Zaaknummer
00/18 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is sprake van een dienstongeval op grond waarvan de daaruit voortvloeiende schade moet worden vergoed?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2002/109
JB 2002/133
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/18 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Staatssecretaris van Financiën, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 november 1999, nr. 98/1440 AW VI, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 14 februari 2002, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door

L.P. de Jonge en drs. R.S. de Heus, beiden werkzaam bij het Ministerie van Financiën. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H.D. Cotterell, advocaat te Breda.

II. MOTIVERING

1. Gedaagde was in 1990 werkzaam bij de afdeling Planning, Financiën en Controle (PFC) van de Directie ondernemingen Zuid van de Belastingdienst. Tijdens een zogeheten startconferentie van die afdeling werd op 8 februari 1990 een avondoefening gehouden, waarbij het spel levend stratego werd gespeeld op een onverlicht duinterrein. Gedaagde is tijdens dit spel met een voet in een konijnenhol terecht gekomen met enkelletsel als gevolg. Gedaagde heeft in toenemende mate hinder en pijn van dit letsel ondervonden en heeft zich op 20 mei 1997 ziek gemeld. Met ingang van 19 mei 1998 is aan haar een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, later verhoogd naar 65 tot 80%. Inmiddels heeft appellant aan gedaagde ontslag verleend.

1.1. Bij besluit van 19 juni 1996 heeft appellant dit ongeval aangemerkt als dienstongeval.

Bij brief van 2 februari 1998 is namens gedaagde aan appellant verzocht een standpunt in te nemen omtrent de vergoeding van enige schadecomponenten, zoals immateriële schade en eventuele toekomstige voorzieningen in verband met invaliditeit, met name voor zover het gaat om schade die niet gedekt wordt door uitkeringen ingevolge het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).

1.2. Bij besluit van 23 februari 1998 heeft appellant gedaagde meegedeeld dat zij voor noodzakelijke voorzieningen bij gehele of gedeeltelijke invaliditeit aanspraak kan maken op een tegemoetkoming op grond van artikel 43 (thans artikel 47) van het ARAR. Voorts is bij dit besluit vergoeding van - met name - immateriële schade geweigerd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het thans in geding zijnde besluit van 20 juli 1998 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het namens gedaagde tegen het besluit van 20 juli 1998 ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Voorts heeft de rechtbank bepalingen gegeven betreffende de vergoeding van proceskosten en griffierecht

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht en de in dit geding voorhanden zijnde gegevens overweegt de Raad als volgt.

3.1. De onderhavige weigering van appellant om aan gedaagde door haar als gevolg van het ongeval geleden schade te vergoeden is in hoofdzaak gebaseerd op de volgende gronden:

- dat het ongeval als dienstongeval is aangemerkt brengt niet automatisch een verplichting tot vergoeding van alle schade met zich mee;

- er is geen sprake van een aan appellant toe te rekenen optreden of onrechtmatig handelen van de Belastingdienst.

In het bestreden besluit is daarbij overwogen dat de stelling van gedaagde dat de oefening onder zeer slechte omstandigheden plaatsvond en dat zij verplicht werd daaraan deel te nemen niet werd onderschreven.

In zijn aanvullend beroepschrift in hoger beroep heeft appellant zich voorts beroepen op verjaring, nu het verzoek om schadevergoeding meer dan vijf jaar na het ongeval is gedaan.

3.2. Allereerst constateert de Raad dat het beroep op verjaring namens appellant ter zitting uitdrukkelijk is ingetrokken, zodat thans tussen partijen uitsluitend nog in geschil is of appellant verplicht is tot vergoeding van de schade die gedaagde stelt te lijden en te hebben geleden tengevolge van het haar op 8 februari 1990 overkomen ongeval.

3.3. Het besluit waarbij appellant geweigerd heeft de gestelde schade te vergoeden is een zogeheten zuiver schadebesluit, betreffende gestelde schade die niet kan worden vergoed op grond van de op de dienstbetrekking van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften. Indien sprake is van een zuiver schadebesluit dat geen verband houdt met een vernietigd(e) of als onrechtmatig erkend(e) besluit of handeling van het bestuursorgaan, maar dat zoals in het onderhavige geval verband houdt met de door de ambtenaar beweerdelijk in de uitoefening van zijn dienstbetrekking geleden schade hanteert de Raad, zoals is overwogen in 's Raads uitspraak van 22 juni 2000, TAR 2000, 112, de navolgende norm, die hij ook tot uitdrukking gebracht ziet in het thans in artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde: voorzover zulks niet reeds voortvloeit uit op de ambtenaar van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften heeft de ambtenaar recht op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten, alsmede voor het verrichten van de werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of roekeloosheid van de ambtenaar.

3.4. Voor de Raad staat vast dat in het geval van gedaagde onder "de uitoefening van zijn (haar) werkzaamheden" mede moeten worden verstaan activiteiten die in het kader van een startconferentie als de onderhavige worden verricht. De Raad kan appellant hierbij niet volgen in zijn standpunt dat het gedaagde vrij stond al of niet deel te nemen aan de activiteiten. De Raad verwijst in dit kader met name naar het besluit van appellant van 19 juni 1996, waarbij - na een aanvankelijk weigering - in bezwaar het ongeval als dienstongeval is aangemerkt en waarbij het volgende is overwogen:

"dat het ongeval betrokkene is overkomen tijdens een startconferentie PFC;

dat het houden van een startconferentie gebruikelijk is bij een reorganisatie;

dat tijdens een dergelijke conferentie van de deelnemers eveneens fysieke inspanning wordt verlangd;

dat de deelnemers slechts bij hoge uitzondering kunnen worden uitgesloten van deelname aan de activiteiten;

dat er in dat geval sprake dient te zijn van fysieke of mentale ongeschiktheid, op grond waarvan deelname niet mogelijk is;

dat, nu van vorenbedoelde ongeschiktheid bij betrokkene niet was gebleken, van haar werd verwacht dat zij zou deelnemen aan alle activiteiten;

dat door het hoofd van de Directie ondernemingen Zuid niet in voldoende mate is weerlegd dat er sprake was van een afgedwongen deelname;

dat niet gebleken is dat het ongeval te wijten is geweest aan schuld of onvoorzichtigheid van betrokkene;

dat deelname aan een avondoefening tijdens een startconferentie dient te worden aangemerkt als dienstverrichting onder bijzondere omstandigheden;

dat het ongeval dat betrokkene tijdens die oefening is overkomen om die reden dient te worden aangemerkt als dienstongeval…"

In aanmerking genomen dat dit besluit nooit door appellant is gecorrigeerd kan hetgeen van de zijde van appellant thans naar voren is gebracht, weinig meer inhoudende dan dat aan dit besluit foutieve gegevens ten grondslag zouden hebben gelegen, niet tot een andere conclusie leiden. De Raad gaat er dan ook van uit dat gedaagde verplicht was deel te nemen aan het desbetreffende spel.

4. De Raad is voorts van oordeel dat appellant in onvoldoende mate heeft aangetoond dat hij zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van gedaagde op zodanige wijze in te richten, alsmede voor het verrichten van de werkzaamheden zodanige aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat zij schade zou lijden. Het spel vond plaats op een onverlicht, oneffen duinterrein, waarbij geen lampen zijn verstrekt. Mede gezien de aard van het spel is het plaatsvinden van een ongeval als het onderhavige dan een alleszins voorzienbaar risico, ter voorkoming waarvan naar het oordeel van de Raad onvoldoende veiligheidsmaatregelen zijn genomen.

4.1. De Raad stelt voorts vast dat appellant niet heeft gesteld dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van gedaagde.

4.2. De Raad komt gezien het vorenstaande tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak, zij het op enigszins andere gronden, dient te worden bevestigd. Appellant zal worden veroordeeld in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep, welke worden begroot op € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat van de Staat der Nederlanden een griffierecht van € 306,30 wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2002.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

Q