Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AN8917

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-03-2002
Datum publicatie
02-12-2003
Zaaknummer
99/2393 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is de brief terecht aangemerkt als een ambtsbericht, nu deze brief informatie bevat over appellants functioneren aan boord die aanzienlijk afwijkt van de eerder opgemaakte hoge beoordelingen over appellants functioneren?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/2393 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 maart 1999, nr. AWB 98/7487 MAWKMA, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 februari 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. M.A. de Jonge, werkzaam bij de Vakbond voor Defensiepersoneel VBM/NOV. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.C.J. Varkevisser-van den Brekel, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant, sergeant van de logistieke dienst goederenbeheer, heeft van 17 oktober 1994 tot 7 september 1997 de functie van chef bureau bevoorrading vervuld aan boord van [naam schip]. Over het functioneren van appellant zijn twee beoordelingen vastgesteld, respectievelijk over de periode 19 juni 1995 tot 3 juli 1996 en de periode 3 juli 1996 tot 16 juni 1997. Deze beoordelingen hebben als totaaloordeel de waardering D en geven aan dat appellant in het algemeen kwaliteiten bezit die duidelijk uitgaan boven de eisen die de vervulling van de functie stelt. Voorts is appellant op

12 december 1995 een functioneringsgratificatie toegekend en op 15 augustus 1997 een blijk van waardering.

1.2. In september 1997 is door de Interne Controle Koninklijke Marine (hierna: ICKM) bij [naam schip] een controle materieelslogistiek uitgevoerd over de periode 9 september 1995 tot en met 31 augustus 1997. De ICKM heeft op 16 oktober 1997 een rapport uitgebracht met de voorlopige waardering "onvoldoende".

1.3. Naar aanleiding van het ICKM-rapport is appellant bij brief van 2 februari 1998 onder meer medegedeeld dat hij tekort is geschoten in de organisatie en controle op zijn bureau en de uitvoering van zijn eigen werkzaamheden en dat het (zeer) hoge beoordelingsbeeld in de over hem opgemaakte beoordelingen aan boord van [naam schip] niet in een juiste verhouding staat tot de bevindingen van de ICKM. De brief van 2 februari 1998 is opgenomen in het personeelsdossier van appellant.

2. Bij het bestreden besluit van 25 augustus 1998 heeft gedaagde de brief van 2 februari 1998, zoals bij die beslissing aangevuld, als ambtsbericht gehandhaafd.

3. In geschil is thans de vraag of gedaagde de brief van 2 februari 1998, zoals aangevuld, ondanks de vastgestelde beoordeling heeft mogen aanmerken als een ambtsbericht en voorts wat er zij van de inhoud van die brief, gelezen in samenhang met het bestreden besluit van 25 augustus 1998.

4.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat gedaagde de brief van 2 februari 1998, zoals aangevuld, terecht heeft aangemerkt als een ambtsbericht, nu deze brief informatie bevat over appellants functioneren aan boord, en de Procedureregels ambtsberichten militaire zeemacht hiertoe de mogelijkheid bieden. De Raad acht dit oordeel van de rechtbank juist en onderschrijft de overwegingen waarop het berust. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep daartoe nog heeft aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

4.2. Ten betoge dat het ambtsbericht in strijd is met het gelijkheidsbeginsel stelt appellant dat het ICKM-rapport slechts voor hem rechtspositionele gevolgen heeft gehad en niet voor het Hoofd Logistieke Dienst (HLD) en andere medewerkers. Appellant is van mening dat het rapport ook voor het HLD gevolgen moet hebben, aangezien appellant ten aanzien van zijn werkzaamheden wel een bepaalde verantwoordelijkheid had, maar de eindverantwoordelijkheid veelal bij de HLD lag. Deze grief treft geen doel nu, naar namens gedaagde ter zitting van de Raad is medegedeeld, het ICKM-rapport wel degelijk ook voor de ambtelijke positie van het HLD gevolgen heeft gehad. Gelet op appellants positie ten opzichte van andere medewerkers, met andere taken en verantwoordelijkheden, kan de Raad niet inzien dat hier sprake is van gelijke gevallen die gelijk behandeld dienen te worden.

4.3. De Raad is voorts niet gebleken dat de inhoud van de brief van 2 februari 1998, gelezen in samenhang met het bestreden besluit van 25 augustus 1998 voor onjuist dient te worden gehouden. Appellant heeft de in het bestreden besluit genoemde, op het ICKM-rapport gebaseerde onvolkomenheden en tekortkomingen in essentie niet weersproken. Gedaagdes standpunt dat appellant gezien diens positie binnen de organisatie, deze onvolkomenheden en tekortkomingen althans mede kunnen worden aangerekend is door appellant niet inhoudelijk betwist.

4.4. Dat appellant, naar hij heeft aangevoerd, niet in de gelegenheid is gesteld zijn functioneren te verbeteren, is een gevolg van het feit dat de ICKM-controle aan het einde van zijn diensttijd aan boord van [naam schip] heeft plaatsgevonden en doet aan de juistheid van de bevindingen van de ICKM niet af. Gedaagde heeft met juistheid gesteld dat het feit dat de geconstateerde tekortkomingen pas in een later stadium bekend werden, niet betekent dat zij niet meer tot de verant- woordelijkheid van appellant behoorden.

5. Gelet op het vorenstaande kan het hoger beroep niet slagen en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslist wordt zoals in rubriek III is vermeld.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2002.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) D. Boers.