Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AF9475

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2002
Datum publicatie
04-06-2003
Zaaknummer
01/6266 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/6266 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant is op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Breda op 12 oktober 2001 tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarbij het door appellant op bezwaar gegeven besluit van 10 januari 2001 (het bestreden besluit) is vernietigd, appellant is opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak en voorts beslissingen zijn gegeven over vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Namens gedaagde heeft mr. H. Koelewijn, advocaat te Woerden, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft bij brief van 27 juni 2002 op het verweerschrift gereageerd en inlichtingen verstrekt over het door hem naar aanleiding van jurisprudentie van deze Raad in zaken als de onderhavige gevoerde beleid.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 september 2002, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. B. de Pijper, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde - met voorafgaand bericht - niet is verschenen.

II. MOTIVERING

In geding is de lengte van de fictieve opzegtermijn als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Werkloosheidswet (WW), zoals dat artikel sedert 1 januari 1999 als gevolg van de invoering van de Wet van 14 mei 1998, Stb.1998, 300, ook genoemd de Wet Flexibiliteit en Zekerheid (Wet F en Z) luidt.

Gedaagde is op 25 juni 1986 in dienst getreden van [naam werkgever] te [vestigingsplaats] (hierna: de werkgever). Bij beschikking van 28 september 2000 heeft de kantonrechter te Tilburg op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst van gedaagde ingaande 1 oktober 2000 ontbonden onder toekenning aan gedaagde van een vergoeding van f 60.000,-- bruto ten laste van de werkgever.

Naar aanleiding van de aanvraag om een WW-uitkering van gedaagde heeft appellant na bezwaar van gedaagde bij het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat voor de vaststelling van de lengte van de fictieve opzegtermijn uitgegaan moet worden van de algemeen verbindend verklaarde Collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) voor de Drankenindustrie en de Groothandel in Dranken 1999/2001, waarvan artikel 6, derde lid, luidt:

"Voor zover bij of krachtens de wet of andere bepalingen van deze CAO niet anders is bepaald, bedraagt na de proeftijd de termijn van opzegging:

a. voor de werkgever een termijn van een maand, indien de dienstbetrekking op de dag van opzegging korter dan vijf jaar heeft geduurd, van twee maanden bij een dienstverband van vijf jaar of langer, maar korter dan tien jaar, van drie maanden bij een dienstverband van tien jaar of langer, maar korter dan vijftien jaar en van vier maanden bij een dienstverband van vijftien jaar of langer; Indien de toestemming bedoeld in artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 is verleend, wordt de door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging verkort met één maand. Voor de werknemer die op het tijdstip van het in werking treden van de Wet flexibiliteit en zekerheid 45 jaar of ouder was en voor wie op dat tijdstip een langere termijn voor opzegging gold dan volgens deze wet, blijft de oude termijn gelden.

b. Voor de werknemer een termijn van een maand.

Voor de werkgever zowel als werknemer geldt, dat de termijn van opzegging nooit minder dan een maand zal bedragen en dat opzegging alleen zodanig kan geschieden dat het einde van het dienstverband samenvalt met het einde van een kalendermaand.".

Aangezien gedaagde op 1 januari 1999 12 jaren in dienst was van de werkgever, waarvan 8 jaren na haar vijfenveertigste verjaardag, hetgeen volgens het tot 1 januari 1999 geldende recht tot een opzegtermijn van 20 weken zou leiden en derhalve tot een langere termijn dan de opzegtermijn krachtens het vanaf die datum geldende artikel 7:672, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), is appellant op basis van de laatste volzin van onderdeel a van voormelde CAO-bepaling gekomen tot een voor de werkgever geldende opzegtermijn van 20 weken, waarop ingevolge de laatste volzin van artikel 16, derde lid, van de WW in verband met de ontbinding op verzoek van de werkgever een maand (de zogeheten RDA-maand) in mindering is gebracht en waarbij in aanmerking is genomen dat de opzegging dient plaats te vinden tegen het einde van de kalendermaand. Volgens appellant loopt daarom de fictieve opzegtermijn tot 1 februari 2001, zodat gedaagde tot die datum het recht op uitkering ingevolge de WW is ontzegd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd op grond van de hierna geciteerde overwegingen, waarin appellant als verweerder en gedaagde als eiseres is aangeduid:

"Verweerder heeft bij de berekening van de fictieve opzegtermijn geen toepassing gegeven aan artikel XXI van de Wet F en Z, maar heeft de berekening van de fictieve opzegtermijn gebaseerd op de voor eiseres geldende CAO. Verweerder heeft artikel 6, derde lid, van de CAO aangemerkt als een ingevolge artikel 7:672, vijfde lid, van het BW schriftelijk verlengde opzegtermijn. Nu artikel 16, derde lid, van de WW terzake van de in acht te nemen fictieve opzegtermijn verwijst naar het hele artikel 7:672 van het BW - met inbegrip van het vijfde lid - dient volgens verweerder voor de bepaling van het recht van eiseres op een WW-uitkering te worden uitgegaan van hetgeen in artikel 6, derde lid, van de CAO is bepaald.

De rechtbank constateert dat artikel 6, derde lid, van de CAO zoals dat luidt ten aanzien van de werknemer van 45 jaar of ouder gelijkluidend is aan artikel XXI van de Wet F en Z. De rechtbank zal dan ook allereerst de vraag beantwoorden of het overnemen van artikel XXI van de Wet F en Z in de CAO een verlenging is van de opzegtermijn als bedoeld in artikel 7:672, vijfde lid, van het BW gelezen in samenhang met het tweede lid van dit artikel, waarmee bij de bepaling van de fictieve opzegtermijn van artikel 16, derde lid, van de WW rekening moet worden gehouden.

Artikel XXI van de Wet F en Z bepaalt dat voor de werknemer die op het tijdstip van het inwerking treden van de Wet F en Z 45 jaar of ouder was en voor wie op dat tijdstip onder de oude wet een langere termijn voor opzegging gold dan volgens de Wet F en Z, de oude termijn blijft gelden zolang hij bij dezelfde werkgever in dienst blijft. Dit betekent dat de opzegtermijn van artikel 7:672 van het BW - zoals dat luidt vanaf de inwerkingtreding van de Wet F en Z - dan opzij wordt gezet omdat in dat geval de termijn van artikel 7:672 van het BW (oud) blijft gelden.

In de uitspraak van 28 maart 2001, zoals gepubliceerd in USZ 2001/106, heeft de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) overwogen dat voor de vaststelling van de fictieve opzegtermijn artikel XXI van de Wet F en Z buiten beschouwing moet blijven. De reden daarvan is dat artikel XXI van de Wet F en Z geen bepaling is ten gunste van de werknemer, die een WW-uitkering aanvraagt. Daarom moet volgens de CRvB bij de uitleg van de reikwijdte van artikel 16, derde lid, van de WW doorslaggevende betekenis worden toegekend aan de bewoordingen van die bepaling en dient voorbij te worden gegaan aan eventuele niet in de tekst daarvan tot uitdrukking komende bedoelingen van de wetgever. In de bewoordingen van

artikel 16, derde lid, van de WW wordt voor de beoordeling van de fictieve opzegtermijn alleen verwezen naar de opzegtermijn van artikel 7:672 van het BW en niet naar artikel XXI van de Wet F en Z.

Aldus is voor de bepaling van de fictieve opzegtermijn voor het recht op WW-uitkering de opzegtermijn van artikel 7:672 van het BW van toepassing en niet artikel XXI van de Wet F en Z.

In de CAO is artikel 7:672, tweede lid, van het BW en artikel XXI van de Wet F en Z overgenomen. Aldus bevat de CAO niets anders dan de weergave van het recht zoals dat sedert 1 januari 1999 - de datum waarop de Wet F en Z in werking is getreden - geldt. De CAO verwijst in artikel 6, derde lid, ten aanzien van de werknemer die op de datum van inwerkingtreding van de Wet F en Z 45 jaar of ouder is naar de termijn van artikel 7:672 van het BW (oud) zoals die voor voornoemde groep tot 1 januari 1999 heeft gegolden. De overneming in de CAO van artikel XXI van de Wet F en Z betreft dan ook geen verlenging van de opzegtermijn van artikel 7:672, tweede lid, van het BW, maar verwoordt het geldende overgangsrecht zoals bepaald in artikel XXI van de Wet F en Z, inhoudende dat artikel 7:672, tweede lid, van het BW niet van toepassing is, omdat in het kader van het overgangsrecht bij invoering van de Wet F en Z de opzegtermijn van artikel 7:672 van het BW (oud) blijft gelden.

Nu in artikel 7:672, vijfde lid, van het BW uitdrukkelijk wordt verwezen naar de opzegtermijn van het tweede lid van dit artikel, kan een verwijzing in de CAO ten aanzien een bepaalde groep werknemers - in dit geval de werknemer die op 1 januari 1999 45 jaar of ouder was - naar de opzegtermijn van artikel 7:672 van het BW (oud) dan ook niet worden gezien als een ingevolge artikel 7:672, vijfde lid, van het BW schriftelijk verlengde opzegtermijn van artikel 7:672, tweede lid, van het BW.

Uit het vorenstaande volgt dat artikel 6, derde lid, van de CAO zoals dat luidt ten aanzien van de werknemer van 45 jaar of ouder bij de berekening van de fictieve opzegtermijn van artikel 16, derde lid, van de WW buiten beschouwing moet blijven. Hetgeen verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd is derhalve onjuist. Het bestreden besluit dient dan ook, nu het niet berust op een deugdelijke motivering, te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.".

Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de overwegingen van de rechtbank

die tot vernietiging van het bestreden besluit hebben geleid en heeft daartoe het volgende aangevoerd:

"Ondergetekende constateert dat de CAO voor de Drankenindustrie en de Groothandel in Dranken 1999/2001 rechtsgeldig volgens de bepalingen van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (Wet van 24 december 1927, Stb 1927, 415) tot stand is gekomen. Vast staat dat bij de werkgever van gedaagde deze CAO van toepassing was en dat met gedaagde in een arbeidsovereenkomst geen nadere afspraken over opzegtermijnen zijn gemaakt.

Dat betekent dat voor gedaagde de opzegtermijn moet worden bepaald aan de hand van het gestelde in artikel 6, lid 3, van de CAO. Nu gedaagde op 1 januari 1999 45 jaar of ouder was en op die datum reeds in dienst was van de huidige werkgever, is op haar de 3e volzin uit het gestelde uit artikel 6, lid 3, onder a van de CAO van toepassing.

In artikel 7:672, lid 5, van het BW is aangegeven dat de wettelijke opzegtermijn uit lid 2 van artikel 7:672 van het BW schriftelijk, d.w.z. via schriftelijke arbeidsovereenkomst of CAO, kan worden verlengd. Voor gedaagde zou de wettelijke opzegtermijn op grond van artikel 7:672, lid 2, BW drie maanden zijn geweest. Nu de CAO van toepassing is, is de door de werkgever bij opzegging van de arbeidsovereenkomst van gedaagde in acht te nemen opzegtermijn 20 weken. Dat betekent naar het oordeel van ondergetekende, dat voldaan is aan de voorwaarde uit lid 5 dat de opzegtermijn schriftelijk kan worden verlengd. Dat de opzegbepaling uit de CAO een formulering heeft, die aangeeft dat in een concreet geval de opzegtermijn op een bepaalde wijze moet worden vastgesteld, namelijk dat onder de genoemde voorwaarden de opzegtermijn moet worden vastgesteld volgens het voor 1 januari 1999 geldende arbeidsrecht, doet niet af aan het gegeven dat in het concrete geval van gedaagde voldaan wordt aan de voorwaarde van lid 5. De voor gedaagde geldende wettelijke opzegtermijn, is schriftelijk, d.w.z. bij de CAO die op gedaagde van toepassing is, verlengd.

Naar de mening van ondergetekende wordt door de Rechtbank ten onrechte verwezen naar de uitspraak van uw Raad van 28 maart 2001 (RSV 2001/122).

Ondergetekende bestrijdt dat in de situatie van gedaagde artikel XXI van de Wet F en Z van toepassing is. Op gedaagde was namelijk op 1 januari 1999 de CAO voor de Drankenindustrie en de Groothandel in Dranken 1997/1999 van toepassing. Uit artikel 6, lid 3, van die CAO is af te leiden dat voor betrokkene, zowel volgens het voor 1 januari 1999 geldende arbeidsrecht als het op 1 januari 1999 geldende arbeidsrecht een opzegtermijn van 20 weken zou hebben gegolden. Dat betekent dat voor gedaagde op 1 januari 1999 geen sprake was van een situatie waarin op dat tijdstip een langere opzegtermijn gold dan volgens de Wet F en Z. De conclusie is dan dat artikel XXI Wet F en Z voor de situatie van gedaagde niet relevant is.

In de uitspraak van 28 maart 2001 wordt door uw Raad geconcludeerd dat bij de vaststelling van de fictieve opzegtermijn in de zin van artikel 16, lid 3, WW, artikel XXI van de Wet F en Z buiten beschouwing moet blijven. Uw Raad overweegt in die uitspraak dat in de bewoordingen van artikel 16, lid 3 van de WW voor de beoordeling van de fictieve opzegtermijn alleen wordt verwezen naar artikel 7:672 BW en niet naar artikel XXI Wet F en Z.

Naar het oordeel van ondergetekende is artikel XXI Wet F en Z echter niet van toepassing op gedaagde. De vaststelling van de opzegtermijn is enkel gebaseerd op artikel 7:672, lid 5 van het BW, zoals die bepaling met ingang van 1 januari 1999 luidt. In de visie van ondergetekende wordt in het geval van ondergetekende daarmee voldaan aan de voorwaarde uit artikel 16, lid 3, WW dat de fictieve opzegtermijn moet worden vastgesteld aan de hand van de opzegtermijn die de werkgever of de werknemer op grond van artikel 7:672 van het BW ieder voor zich bij opzegging in acht moet nemen.

Ondergetekende is daarom van oordeel dat voor de vaststelling van de fictieve opzegtermijn terecht is uitgegaan van de op grond van artikel 6, lid 3, onder a van de CAO voor gedaagde berekende opzegtermijn.".

Van de kant van gedaagde is als verweer allereerst het dwingendrechtelijke karakter van art. 7:672 van het BW beklemtoond. Voort is harerzijds onder meer aangevoerd:

" De CAO heeft aansluiting verzocht (lees: gezocht) bij de overgangsbepalingen. Ten tijde van het afsluiten van de CAO gingen partijen uit van de toen beschikbare informatie en de teksten. Pas daarna is de bewuste uitspraak van uw Raad van 28 maart 2001 bekend geworden. Het kan toch niet zo zijn dat mevrouw [naam mevrouw] thans slachtoffer wordt van de gesloten CAO terwijl partijen tijdens de CAO onderhandelingen uiteraard dit niet voor ogen hebben gehad. De bedoeling was nu juist duidelijkheid te creëren ten aanzien van oudere werknemers. (….)

Tevens is gewezen op het verslag van de behandeling in de tweede kamer waaruit blijkt dat de wet onmiddellijke werking heeft en strijdige CAO-bepalingen nietig worden geacht. Nu de overgangsregeling door (lees: de uitspraak van) uw Raad buiten beschouwing moest blijven, dient ook deze CAO buiten beschouwing te blijven.

De opzegtermijn opgenomen in de CAO heeft als achtergrond bescherming van een bepaalde groep werknemers, te weten oudere werknemers. Toepassing van de CAO bij berekening van de fictieve opzegtermijn leidt er toe dat dit beschermingsoogmerk juist in het nadeel van die zelfde groep werknemers zou werken. Dat is nimmer beoogd. Het is geen bepaling ten gunste van de werknemer, die een WW-uitkering aanvraagt. Daarom moet doorslaggevende betekenis worden toegekend aan de woorden van artikel 16 WW.".

Onder verwijzing naar de in zijn uitspraak van 28 maart 2001 (JAR 2001/67, RSV 2001/122 en USZ 2001/106) omschreven uitgangspunten voor de uitleg van artikel 16, derde lid, van de WW overweegt de Raad allereerst dat zowel uit de tekst als uit de geschiedenis van totstandkoming van die bepaling blijkt dat bij het vaststellen van de fictieve opzegtermijn rekening moet worden gehouden met bepalingen van de toepasselijke individuele of collectieve arbeidsovereenkomst die afwijken van de krachtens de leden 2 (eventueel in combinatie met 4) en 3 van artikel 7:672 van het BW voor de werkgever respectievelijk de werknemer geldende opzegtermijnen, mits deze afwijkingen binnen de in dat artikel aangegeven grenzen blijven.

De Raad acht voor de beoordeling van een geval als het onderhavige voorts in het bijzonder van belang dat in de uitspraak van 28 maart 2001 is geoordeeld dat de arbeidsrechtelijke overgangsbepaling van artikel XXI van de Wet F en Z bij de toepassing van artikel 16, derde lid, van de WW buiten beschouwing moet blijven. Dit betekent dat uitsluitend hetgeen is geregeld in artikel 7:672 van het BW, zoals dat sinds 1 januari 1999 luidt, in aanmerking dient te worden genomen. Die bepaling laat evenwel, als gezegd, ruimte voor afwijkingen op grond van de individuele arbeidsovereenkomst of CAO. Soms zijn zulke afwijkende bedingen, zoals in het voorliggende geval, afgeleid van artikel XXI van de Wet F en Z dan wel hebben deze een effect dat met dat van artikel XXI overeenkomt. De Raad acht het in de lijn liggen van zijn uitspraak van 28 maart 2001 dat bij het fictief in aanmerking nemen van dergelijke bedingen het overgangsrecht van artikel XXI weggedacht wordt. Anders dan de rechtbank kan de Raad dan ook aan de omstandigheid dat artikel 6, derde lid, van de CAO nagenoeg gelijkluidend is aan artikel XXI van de Wet F en Z in het kader van de toepassing van de fictieve opzegtermijn niet het oordeel verbinden dat die CAO-bepaling slechts als een weergave van het wettelijk overgangsrecht zonder zelfstandige betekenis is te beschouwen, nu dat overgangsrecht in dit verband juist genegeerd moet worden. De Raad acht dan ook geen grond aanwezig om in dit geval genoemd onderdeel van de CAO anders te zien dan als een schriftelijke afwijking van de wettelijke opzegtermijn welke op grond van artikel 7:672, vijfde lid, van het BW geoorloofd is.

Uit het voorgaande blijkt dat de Raad grotendeels instemt met het door appellant in hoger beroep gehouden betoog ter motivering van zijn standpunt dat in gedaagdes geval uitgegaan moet worden van de uit de CAO voortvloeiende afwijkende opzegtermijn. De Raad laat daarbij echter in het midden wat er zij van de daarbij door appellant geponeerde stelling dat arbeidsrechtelijk niet voldaan is aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van artikel XXI van de Wet F en Z, nu die overgangsbepaling in het kader van de toepassing van artikel 16, derde lid, van de WW buiten beschouwing moet blijven.

Mede naar aanleiding van hetgeen namens gedaagde in hoger beroep is aangevoerd, wijst de Raad er voorts op dat zijn oordeel dat artikel XXI van de Wet F en Z in dit verband geen rol kan spelen, niet berust op een beoordeling van de rechtsgeldigheid van die bepaling zelve, maar het gevolg is van de omstandigheid dat in de relevante wetteksten geen relatie is aangegeven tussen artikel 16, derde lid, van de WW en die arbeidsrechtelijke overgangsbepaling. In het in dit specifieke geval toepasselijke samenstel van wettelijke regels is, zoals uit het voorgaande blijkt, echter wel een verband aan te wijzen tussen de onderwerpelijke CAO-bepaling en de fictieve opzegtermijn. De stelling dat de partijen die de CAO hebben afgesloten niet bedoeld hebben dat die bepaling negatieve consequenties heeft voor de WW-aanspraken van sommige werknemers, kan niet tot een ander oordeel leiden, waarbij de Raad opmerkt dat bij het voor de fictieve opzegtermijn in aanmerking nemen van afwijkende bedingen als vorenbedoeld in het algemeen geen sprake zal zijn van een door de contracterende partijen beoogd gevolg.

De Raad stelt vervolgens vast dat uit de fictieve toepassing van het algemeen verbindend verklaarde derde lid van artikel 6 van de CAO voor de Drankenindustrie en de Groothandel in Dranken volgt dat als de door de werkgever in acht te nemen opzegtermijn moet worden beschouwd de termijn die ingevolge het tot 1 januari 1999 geldende recht voor hem van toepassing was, zijnde in casu vanwege de duur van de dienstbetrekking en de leeftijd van gedaagde een termijn van

20 weken. Appellant is derhalve in dit geval bij de vaststelling van de duur van de fictieve opzegtermijn terecht van die termijn van 20 weken uitgegaan, waarop vervolgens de RDA-maand in mindering is gebracht en waaraan de aanzegtermijn is toegevoegd.

De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het bestreden besluit door de rechtbank in stand gelaten had moeten worden. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking en de Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond verklaren.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. Th.M. Schelfhout en mr. H.Th. van der Meer als leden, in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 december 2002.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.