Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AF8104

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-02-2002
Datum publicatie
01-05-2003
Zaaknummer
00/1312 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/1312 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 5 augustus 1998 heeft gedaagde de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) , welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 4 september 1998 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Appellante heeft bij brief van 20 augustus 1998 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 8 februari 1999, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.

Gedaagde heeft voorts bij besluit van 8 februari 1999 besloten appellantes uitkering ingevolge de WAO in te trekken met ingang van 1 maart 1998 (lees: 1999). Gedaagde heeft appellantes bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard bij besluit van 15 juli 1999 (hierna: besluit II).

De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 25 januari 2000 (verzonden: 27 januari 2000) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank bij voormelde uitspraak het beroep tegen besluit II gegrond verklaard onder vernietiging van dit besluit.

Namens appellante is mr. J.P.C.M. van Es, advocaat te 's-Gravenhage, bij beroepschrift van 8 maart 2000 van die uitspraak in hoger beroep gekomen, voor zover daarbij het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 19 juni 2000.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 december 2001, waar voor appellante is verschenen mr. Van Es voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. S.M. Ponsioen, destijds werkzaam bij 0Gak Nederland B.V.

II. MOTIVERING

Appellante was laatstelijk voor haar ziekmelding op 9 oktober 1995 werkzaam als verkoopster in een bakkerij gedurende 13 uur per week en daarnaast als serveerster in een restaurant gedurende 8 uur per week. Aan appellante zijn met ingang van 7 oktober 1996 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de WAO toegekend. In verband met door appellante op 14 maart 1996 hervatte werkzaamheden als verkoopster werd de WAO-uitkering uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Gedaagde heeft de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid herbeoordeeld en nader vastgesteld op 15 tot 25%. Daartoe heeft gedaagdes verzekeringsarts, na informatie te hebben ingewonnen bij appellantes neuroloog, de belastbaarheid van appellante bepaald en neergelegd in het formulier "Functie informatie systeem VA/AD" van 9 juni 1998. Vervolgens heeft gedaagdes arbeidsdeskundige functies, welke appellante met inachtneming van de vastgestelde beperkingen geacht wordt te kunnen verrichten, geselecteerd en bij brief van 3 juli 1998 aan appellante voorgehouden.

Appellante betwist de voorgehouden functies te kunnen vervullen en stelt dat haar beperkingen zijn onderschat.

In geding is de vraag of de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt deze vraag op grond van het navolgende bevestigend.

De Raad stelt vast dat gedaagdes verzekeringsarts de belastbaarheid van appellante heeft vastgesteld op basis van eigen onderzoek en bij de behandelende neuroloog ingewonnen informatie. Appellante heeft geen medische stukken overgelegd die doen twijfelen aan de juistheid van het medische oordeel van de verzekeringsarts. Naar het oordeel van de Raad is ook overigens niet gebleken dat appellantes beperkingen zijn onderschat. De Raad ziet derhalve geen aanleiding de vastgestelde belastbaarheid voor onjuist te houden.

Appellantes gemachtigde heeft ter zitting gesteld dat appellante sterker beperkt is ten aanzien van het gebruik van de nek. Aangezien deze stelling niet onderbouwd is met enig stuk van een ter zake kundige medicus, kent de Raad aan deze stelling geen doorslaggevende betekenis toe.

Met betrekking tot het arbeidskundige aspect van de schatting overweegt de Raad het volgende. Gedaagdes arbeidsdeskundige heeft vier functies geselecteerd welke appellante met inachtneming van de vastgestelde beperkingen geacht wordt te kunnen vervullen. Het betreft de functies: telefoniste/receptioniste, monteur koffiezetters, productiemedewerker kunststof en melkmonsternemer. De Raad is van oordeel dat deze functies appellantes belastbaarheid niet te boven gaan.

Met betrekking tot de functie van telefoniste/receptioniste overweegt de Raad dat de verzekeringsarts appellante beperkt heeft geacht ten aanzien van psychisch belastende factoren met de vermelding "geen grote stress, normale werkdruk is zeker acceptabel". De functie van telefoniste/receptioniste kent weliswaar een dwingend tempo en stelt eisen aan de mogelijkheid tot conflicthantering, doch kent geen aanmerkelijke tijdsdruk. Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat deze functie de belastbaarheid van appellante te boven gaat.

Appellantes gemachtigde heeft met betrekking tot de functie van telefoniste/receptioniste aangevoerd dat niet is aangetoond dat de functie op de in geding zijnde datum nog voorkomt. De Raad stelt vast dat de functie ten tijde van het raadplegen van het Functie Informatie Systeem (FIS) op 26 juni 1998 nog geen anderhalf jaar in het FIS was opgenomen en de schattingsdatum niet lang daarna gelegen is, te weten op 4 september 1998. De Raad acht het onder deze omstandigheden uit oogpunt van zorgvuldigheid niet onjuist de functie aan de schatting ten grondslag te leggen.

Met betrekking tot de functie van productiemedewerker kunststof overweegt de Raad het volgende. Deze functie kent een relatieve overschrijding van appellantes belastbaarheid op het punt van reiken. In de functie dient 500 keer per uur 50 cm te worden gereikt terwijl appellante blijkens het belastbaarheidspatroon in staat wordt geacht om 150 keer per uur 70 cm te reiken. De verzekeringsarts heeft appellante geschikt geacht voor de aan deze functie verbonden werkzaamheden. Ter zitting heeft gedaagdes gemachtigde toegelicht dat appellante met name beperkt is in de afstand van het reiken en niet zozeer in de frequentie daarvan. Deze toelichting is zijdens appellante niet betwist en komt de Raad aannemelijk voor gezien de gedingstukken en met name gezien het oordeel van de verzekeringsarts dat appellante niet diep voorover kan buigen. De functie mag derhalve aan de schatting ten grondslag worden gelegd.

Tot slot is de Raad van oordeel dat de geduide functies voldoen aan de medische werktijdbeperking die voor appellante geldt, aangezien de verzekeringsarts appellante voor maximaal 20 uur per week belastbaar heeft geacht en de arbeidsdeskundige functies heeft geselecteerd voor 19 en 17 uur per week.

Op basis van het voorgaande is de Raad van oordeel dat gedaagde de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid op correcte en zorgvuldige wijze heeft vastgesteld.

Het hoger beroep kan derhalve niet slagen, zodat als volgt moet worden beslist.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2002.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.F. van Moorst.