Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AF5840

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2002
Datum publicatie
28-03-2003
Zaaknummer
00/3094 AW, 00/3095 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 98, geldigheid: 2002-08-01
Rijkswachtgeldbesluit 1959 5, geldigheid: 2002-08-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2003/17

Uitspraak

00/3094 AW en 00/3095 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

1. de Minister van Justitie, gedaagde 1,

2. de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gedaagde 2.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens appellante is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Zutphen van 3 mei 2000, nr 99/958, en van 4 mei 2000, nr. 99/1157, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens ieder van gedaagden is een verweerschrift ingediend.

Gedaagde 2 heeft op verzoek van de Raad een stuk ingezonden.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 4 juli 2002, waar gedaagde 1 zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. G.A.J. Hess, werkzaam bij het Ministerie van Justitie, en J. Biever, werkzaam bij de [naam penitentiaire inrichting]. Appellante en gedaagde 2 zijn niet ter zitting verschenen.

II. MOTIVERING

1. De Raad gaat uit van de volgende, als vaststaand aangenomen, gegevens.

1.1. Appellante was laatstelijk als bewaarster/penitentiair inrichtingswerkster (piw'er) werkzaam in de [naam penitentiaire inrichting]. In januari 1998 heeft zij de leiding van de inrichting gemeld dat zij een affectieve relatie is aangegaan met de kort tevoren uit de inrichting ontslagen gedetineerde O. Naar aanleiding van deze melding is zij op non-actief gesteld.

1.2. Bij brief van 3 april 1998 heeft de algemeen directeur van de inrichting de raadsman van appellante in kennis gesteld van het voornemen appellante met toepassing van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) te ontslaan op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door haar beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

1.3. Bij besluit van 26 oktober 1998, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 23 augustus 1999 (besluit 1), heeft gedaagde 1, gevolg gevende aan dit voornemen, appellante met ingang van 1 november 1998 eervol ontslag verleend.

1.4. Bij besluit van 11 januari 1999, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 17 maart 1999 (besluit 2), heeft gedaagde 2 de aanvraag van appellante om toekenning van een wachtgeld krachtens het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (Rwb) met toepassing van artikel 5, vierde lid, aanhef en onder c, van dit besluit afgewezen op de grond dat het ontslag aan eigen schuld of toedoen van appellante is te wijten.

1.5. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de door appellante tegen besluit 1 en besluit 2 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

2. Met betrekking tot het ontslag (besluit 1).

2.1. Gedaagde 1 heeft zijn oordeel dat appellante ongeschikt is voor haar functie van piw'er doen steunen op de overweging dat appellante door het onderhouden van een relatie met de ex-gedetineerde O. een te groot veiligheidsrisico voor de inrichting vormt en dat daardoor haar vertrouwensrelatie met de overige personeelsleden zodanig is geschaad dat zij niet langer als piw'er kan blijven functioneren. Overplaatsing naar een andere penitentiaire inrichting biedt geen uitkomst, omdat zich daar uit een oogpunt van veiligheid dezelfde bezwaren zouden voordoen, aldus gedaagde 1.

2.1.1. De Raad kan deze overwegingen en conclusie van gedaagde 1 niet voor onjuist houden. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat O., naar gedaagde heeft uiteengezet, een uitgebreide voorgeschiedenis van ernstige delicten heeft en in een zwaar crimineel milieu verkeert. Dit is door appellante niet weersproken en vindt voorts bevestiging in de door O. ter hoorzitting gedane uitlating dat hij "al dertig jaar door Justitie wordt opgevoed". Ook indien ervan wordt uitgegaan dat appellante het ontstaan van gevoelens van verliefdheid voor O. op zichzelf niet in de hand had, moet toch worden vastgesteld dat zij, door aan die gevoelens toe te geven en haar relatie met O. ondanks de daaraan verbonden risico's niet te verbreken, blijk heeft gegeven van eigenschappen van karakter, geest en gemoed die haar ongeschikt maken voor de uitoefening van de functie van piw'er.

2.1.2. Hieraan doet niet af dat appellante, geheel volgens de voorschriften, eigener beweging van de relatie melding heeft gemaakt bij haar superieuren. Voor zover die melding erop wijst dat appellante het veiligheidsrisico heeft onderkend, heeft zij daaraan immers niet de consequenties weten te verbinden die in het belang van de dienst noodzakelijk waren.

2.2. Appellante heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, stellende dat in andere penitentiaire inrichtingen een soepeler "romance-beleid" wordt gevoerd en dat gedaagde 1 in eerdere gevallen heeft volstaan met overplaatsing van de betrokken piw'er.

2.2.1. De Raad overweegt dienaangaande dat de wijze waarop met relaties tussen piw'ers en (ex-)gedetineerden wordt omgegaan uit de aard der zaak van geval tot geval moet worden beoordeeld. Daarbij spelen bijvoorbeeld de persoon en de voorgeschiedenis van de (ex-)gedetineerde een rol. Ook zal ten aanzien van iemand die nog in detentie zit in het algemeen gemakkelijker een (tijdelijke) oplossing kunnen worden gevonden dan wanneer de betrokkene zich weer op vrije voeten bevindt. Daarvan uitgaande, zijn onvoldoende concrete feiten en omstandigheden naar voren gekomen om de conclusie te recht-vaardigen dat sprake is geweest van vergelijkbare gevallen waarin gedaagde 1 de betrokken piw'er soepeler heeft behandeld dan appellante.

2.3. Appellante heeft nog naar voren gebracht dat gedaagde 1 haar - zeker nu zij de relatie met O. zelf heeft gemeld - niet had mogen ontslaan dan na een grondig onderzoek naar de mogelijkheid haar elders binnen zijn ministerie te herplaatsen. Naar de mening van appellante is gedaagde sub 1 hierin tekortgeschoten.

2.3.1. De Raad stelt voorop dat geen wettelijk voorschrift is aan te wijzen op grond waarvan gedaagde 1, alvorens op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR ontslag te verlenen, gehouden zou zijn een herplaatsingsonderzoek uit te voeren.

2.3.2. Niettemin heeft gedaagde 1 in de omstandigheden van het geval aanleiding gevonden om - kennelijk met het oog op de zorgvuldigheid - pogingen te ondernemen appellante te herplaatsen. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is appellante aangemeld bij de herplaatsingsafdeling van de DJI en bij de Stichting Mobiliteits Centrum Gelderland (MCG). Tevens is haar wekelijks de Sollicitatiekrant toegezonden. Het MCG heeft appellante een aantal vacatures voorgelegd waarnaar zij - om haar moverende redenen - slechts in beperkte mate heeft gesolliciteerd. Ook vanuit de inrichting zelf is diverse malen geprobeerd voor appellante contacten te leggen die tot een baan elders zouden kunnen leiden. Dat een en ander geen resultaat heeft opgeleverd, moet mede worden bezien tegen de achtergrond van appellantes relatie met O. en het feit dat zij niet bereid was deze relatie te verbreken.

2.3.3. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat gedaagde 1 zich onvoldoende heeft ingespannen om appellante te herplaatsen.

2.4. Het hoger beroep inzake het ontslag treft derhalve geen doel. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat besluit 1 de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

3. Met betrekking tot het wachtgeld (besluit 2).

3.1. Blijkens artikel 5, eerste lid, in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder g, van het Rwb geldt als uitgangspunt dat degene die op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR eervol is ontslagen aanspraak heeft op wachtgeld ter zake van het ontslag. Deze regel lijdt ingevolge artikel 5, vierde lid, van het Rwb uitzondering indien gedaagde 2, gehoord de Minister, hoofd van het betrokken departement, van oordeel is dat het ontslag aan eigen schuld of toedoen is te wijten.

3.2. Zoals de Raad bijvoorbeeld heeft overwogen in zijn uitspraak van 22 oktober 1998 (TAR 1998, 188), is voor de aanwezigheid van een dergelijke uitzonderingssituatie vereist dat het bestuursorgaan niet alleen in toereikende mate onderbouwt dat de betrokken ambtenaar in zijn functioneren is tekortgeschoten, maar ook zodanige feiten aanvoert dat daarop redelijkerwijs de conclusie kan worden gebouwd dat dit tekort-schieten de ambtenaar kan worden toegerekend en dat het binnen zijn vermogen lag daarin verbetering te brengen.

3.3. Uit hetgeen hiervóór is overwogen volgt dat de ongeschiktheid voor de functie van piw'er, op grond waarvan appellante is ontslagen, hierin bestaat dat zij een affectieve relatie met O. is aangegaan en dat zij niet bereid en in staat is gebleken aan deze relatie, ter vermijding van de daaraan voor haar werk verbonden veiligheidsrisico's, een einde te maken. Appellante stond voor de keuze tussen haar functie en haar relatie. Zij heeft ervoor gekozen de relatie voort te zetten.

3.3.1. De Raad onderkent dat een keuze voor het beëindigen van de relatie voor appellante pijnlijk en ingrijpend zou zijn geweest. Dit neemt echter niet weg dat deze handelwijze objectief bezien tot de mogelijkheden behoorde en onmiskenbaar in het belang van de dienst was aangewezen. Het moge navoelbaar zijn dat appellante haar relatie niet heeft willen prijsgeven, maar zij kan de financiële gevolgen van deze - in essentie vrijwillige - beslissing niet op gedaagde 2 afwentelen.

3.3.2. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die met zich brengen dat het getoonde onvermogen om de relatie te beëindigen niet aan appellante kan worden toegerekend of haar anderszins niet kan worden tegengeworpen. Appellante is uit-drukkelijk op de aan de relatie verbonden consequenties - en de redenen daarvoor - gewezen. Zij heeft tussen het tijdstip van de melding en het verlenen van het ontslag ruimschoots tijd en gelegenheid gehad zich op haar positie te beraden.

3.3.3. Derhalve moet worden geoordeeld dat gedaagde 2 zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat bij appellante sprake was van eigen schuld of toedoen in vorenbedoelde zin.

3.4. Daarvan uitgaande heeft gedaagde, gezien het dwingend bepaalde in artikel 5, vierde lid, van het Rwb, terecht geweigerd appellante in verband met haar ontslag wachtgeld toe te kennen.

3.5. Ook ten aanzien van besluit 2 treft het hoger beroep derhalve geen doel.

4. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van N. Doekharan als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2002.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) N. Doekharan.