Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AF5464

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-02-2002
Datum publicatie
21-03-2003
Zaaknummer
02/1174 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 2
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/1174 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], Sumatra (Indonesië), eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 17 oktober 2001, kenmerk JZ/W60/2001/920, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945.

Tegen dat besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiser het met het bestreden besluit niet eens is.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 29 november 2002. Daar is eiser niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. M.S.K. van Gammeren, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken heeft eiser, die is geboren [in] juli 1935, in oktober 2000 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering ingevolge de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (verder: de Wet). In dit verband heeft eiser gesteld dat kort na de inval van het Japanse leger in het voormalig Nederlands-Indië en de capitulatie van de Nederlands-Indische regering zijn vader door de Japanners is geïnterneerd. Uit angst voor internering is de moeder van eiser tezamen met eiser en enkele van zijn broers en zusters gevlucht. Gedurende de periode van de Japanse bezetting is eiser - soms gescheiden van zijn moeder en andere gezinsleden - ondergedoken geweest. Na afloop van de Japanse bezetting en bij aankomst van Britse geallieerden te Batavia, kreeg het gezin gelegenheid zich te herenigen, aldus eiser.

Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit d.d. 9 maart 2001, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan. Daarbij is in het bijzonder overwogen dat de door eiser gestelde onderduik - gezien de geschetste omstandigheden - niet als vervolging in de zin van de Wet kan worden beschouwd.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Wet wordt - voor zover hier van belang - onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling en welke hebben geleid tot omstandigheden als omschreven in het eerste lid onder a. Die omstandigheden betreffen vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, met inbegrip van het transport naar en tussen dergelijke verblijfplaatsen.

Op grond van de gedingstukken stelt de Raad vast dat niet blijkt dat eiser tijdens de Japanse bezettingsperiode van zijn vrijheid is beroofd. Voor zover verweerster op eiser het bepaalde in het eerste lid, aanhef, van artikel 2 van de Wet van toepassing heeft geacht, op grond waarvan, gelet op het bepaalde onder c van dat artikellid, ook onderduiken om aan vrijheidsberoving te ontkomen, als vervolging wordt aangemerkt, overweegt de Raad dat voorts in de weergave door eiser van zijn ervaringen gedurende de Japanse bezetting geen aanknopingspunt is te vinden voor het oordeel dat er sprake is geweest van onderduik. Van enige maatregel tegen eisers moeder dan wel eiser is niet gebleken. De Raad neemt verder in aanmerking dat blijkens het zich onder de gedingstukken bevindende sociaal rapport van eiser, hij en andere gezinsleden in de verschillende dorpen waar zij hebben verbleven zich buitenshuis konden begeven terwijl eisers moeder zich onder meer bezig kon houden met het verkopen van koekjes. Met verweerster is de Raad voorts van oordeel dat de door eiser in bezwaar ingebrachte getuigenverklaring van zijn zuster [naam zuster] geen nieuwe gezichtspunten oplevert met betrekking tot de door eiser gestelde omstandigheden waaronder hij de bezettingsperiode heeft meegemaakt.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat verweerster terecht heeft overwogen dat eiser geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan. Het beroep van eiser dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2003.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) L. Jörg.