Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AF4544

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2002
Datum publicatie
14-02-2003
Zaaknummer
00/4274 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2003, 69
USZ 2003/93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

00/4274 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. D. Brouwer, advocaat te Arnhem, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem op 13 juli 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op 20 november 2002, waar partijen niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant is op 1 juli 1986 in dienst getreden van [werkgever]. (hierna: [werkgever]) als electromonteur. Op 23 januari 1997 is appellant voor zijn werk uitgevallen en is hem voor de maximale duur uitkering ingevolge de Ziektewet toegekend. In aansluiting daarop heeft gedaagde geweigerd appellant uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid in de zin van die wet per die datum minder dan 15% bedroeg. Aan die weigering ligt blijkens het rapport van gedaagdes arbeidsdeskundige K. Tromp, d.d. 22 januari 1998, gedaagdes standpunt ten grondslag dat appellant niet meer kan terugkeren naar zijn werkgever wegens een onoplosbaar arbeidsconflict, doch dat hij geschikt is voor het eigen werk bij een andere werkgever, zodat er geen sprake is van verlies aan verdiencapaciteit.

Omdat appellant per 23 januari 1998 niet meer als arbeidsongeschikt kan worden beschouwd en hij zich tevens niet meer beschikbaar kon stellen voor de bij de werkgever bedongen arbeid, heeft hij zich tot gedaagde gewend met het verzoek hem in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW).

Gedaagde heeft bij besluit van 24 maart 1998 aan appellant met ingang van 2 februari 1998 een uitkering ingevolge de WW toegekend. Gedaagde heeft daarbij het dagloon vastgesteld op f 138,05.

Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.

Bij beschikking van de kantonrechter van 25 maart 1998 is met ingang van die datum de arbeidsovereenkomst tussen appellant en [werkgever] ontbonden.

Bij besluit van 29 april 1998 heeft gedaagde in afwijking van zijn besluit van 24 maart 1998 de ingangsdatum van de WW-uitkering bepaald op 25 maart 1998. Bij besluit van 12 mei 1998 heeft gedaagde van appellant de aan hem over de periode van 2 februari 1998 tot en met 24 maart 1998 onverschuldigd betaalde uitkering ad f 3.186,20 bruto teruggevorderd.

Namens appellant is tegen deze besluiten bezwaar gemaakt met betrekking tot de ingangsdatum, de terugvordering en de hoogte van het dagloon. Tevens is daarbij verzocht om vergoeding van de ten laste van appellant komende kosten van rechtsbijstand in bezwaar.

Bij besluit van 2 september 1998 heeft gedaagde het bezwaar gegrond verklaard behoudens ten aanzien van de gevorderde kosten van rechtsbijstand, de besluiten van 29 april 1998 en van 12 mei 1998 herroepen en appellant alsnog ingaande 23 januari 1998 uitkering ingevolge de WW toegekend. Gelet op evenvermelde beschikking van de kantonrechter van 25 maart 1998 heeft gedaagde tevens het dagloon ingaande 23 januari 1998 vastgesteld op f 148,27.

Namens appellant is tegen het besluit van 2 september 1998 beroep ingesteld voor zover gedaagde geweigerd heeft de door appellant in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand te vergoeden.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant is die uitspraak in hoger beroep gemotiveerd bestreden.

In dit geding staat de Raad voor de beantwoording van de vraag of gedaagdes weigering om de in de bezwaarfase gemaakte kosten van rechtsbijstand te vergoeden de rechterlijke toets in deze kan doorstaan.

Gelet op 's Raads vaste jurisprudentie met betrekking tot de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar, dient de vraag te worden beantwoord of gedaagdes (primaire) besluitvorming dermate ernstige gebreken vertoont dat gezegd moet worden dat gedaagde "tegen beter weten in" een onrechtmatig besluit heeft genomen.

De Raad stelt vast dat gedaagde naar aanleiding van voornoemde beschikking van de kantonrechter van 25 maart 1998, waarin met betrekking tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet méér is overwogen dan dat de omstandigheden zodanig gewijzigd zijn dat de dienstbetrekking tussen appellant en [werkgever] billijkheidshalve behoort te eindigen, zonder meer de eerste werkloosheidsdag heeft verlegd van 2 februari 1998 naar 25 maart 1998. Gedaagde had reeds op basis van de op dat moment voorhanden gegevens eenvoudig kunnen concluderen dat het eindigen van de dienstbetrekking niet van invloed was op de datum van ontstaan van werkloosheid, aangezien reeds vóór de ontbindingsdatum sprake was van arbeidsurenverlies en het vervallen van de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever. Uit appellants aanvraagformulier blijkt immers dat hij na afloop van de periode waarvoor de werkgever tijdens ziekte het loon diende door te betalen zich niet meer beschikbaar kon stellen voor de bij de werkgever bedongen arbeid. Daar komt nog bij dat er temeer reden was voor zorgvuldigheid, nu gedaagde bij zijn besluit van 29 april 1998 ten nadele van appellant is teruggekomen van zijn eerdere besluit van 24 maart 1998. Naar het oordeel van de Raad moeten derhalve het (primaire) besluit van 29 april 1998 en dientengevolge ook het daaruit voortvloeiende (primaire) besluit van 12 mei 1998 geacht worden te zijn genomen tegen beter weten in.

Gelet hierop is de Raad van oordeel dat de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand, voor zover deze kosten zien op het bezwaar van appellant tegen de ingangsdatum van de WW-uitkering en tegen de terugvordering, niet voor rekening van appellant mochten blijven. De Raad merkt daarenboven op dat het inroepen van rechtsbijstand in een geval als het onderhavige hem redelijk voorkomt.

Dit is naar het oordeel van de Raad anders voor zover door appellant kosten van rechtsbijstand zijn gemaakt in verband met zijn bezwaar met betrekking tot de hoogte van het dagloon. Naar het oordeel van de Raad dient dit bezwaar van appellant opgevat te worden als een verzoek aan gedaagde terug te komen van zijn in rechte vaststaande besluit van 24 maart 1998, waarbij het dagloon werd vastgesteld op f 138,05, aan welk verzoek gedaagde bij zijn besluit van 2 september 1998 met vaststelling van het dagloon op f 148,27 ingaande 23 januari 1998 is tegemoetgekomen. Van in de bezwaarfase gemaakte kosten die niet voor rekening van appellant mochten blijven, is hier geen sprake.

Gezien het voorgaande dient het bestreden besluit van 2 september 1998, voor zover daarbij gedaagde geweigerd heeft te vergoeden de door appellant in bezwaarfase gemaakte kosten van rechtsbijstand betrekking hebbend op de ingangsdatum van de WW-uitkering en de terugvordering, te vernietigen. Ook de aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd.

Gedaagde dient een nieuw besluit op het bezwaar van appellant tegen de primaire besluiten van 29 april 1998 en 12 mei 1998 te nemen voor zover dat bezwaar gericht is tegen de afwijzing van de vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. Het is nu aan gedaagde om te bezien tot welk bedrag de kosten van rechtsbijstand in bezwaar dienen te worden vergoed. In het geval er nog aanvullende gegevens blijken te zijn - gedaagde betwist de namens appellant opgevoerde, niet nader onderbouwde kosten ad f 1.575,-- - is het aan gedaagde om deze door middel van aanvullend onderzoek te vergaren en aan appellant om daaraan zijn medewerking te verlenen.

Omdat nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit op bezwaar zal (dienen te) luiden, ligt het thans niet op de weg van de Raad om gedaagde te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente met toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zoals namens appellant is verzocht. Gedaagde zal bij het nemen van dat besluit tevens aandacht moeten besteden aan de vraag of er termen zijn om renteschade te vergoeden.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 967,-- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 2 september 1999 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarbij geweigerd is de kosten van rechtsbijstand in bezwaar met betrekking tot de ingangsdatum van de WW-uitkering en de terugvordering te vergoeden;

Bepaalt dat gedaagde terzake een nieuw besluit op het bezwaar van gedaagde neemt;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 967,--,

te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beide instanties betaalde recht van totaal € 102,10 (f 225,--) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Th.M. Schelfhout als voorzitter, in tegenwoordigheid van I.D. Veldman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 december 2002.

(get.) Th.M. Schelfhout.

(get.) I.D.Veldman.