Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AF4538

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2002
Datum publicatie
14-02-2003
Zaaknummer
00/6249 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Besluit premiedifferentiatie WAO 8
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 78
Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen VII
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2003/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/6249 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 13 oktober 1998 (hierna: besluit I) is ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 december 1997, waarbij door gedaagde de gedifferentieerde premie voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor appellante voor 1998 is vastgesteld op 0,84%, en waarbij appellante is aangemerkt als kleine werkgever.

Bij besluit van 7 april 1999 (hierna: besluit II), is door gedaagde de gedifferentieerde premie voor de WAO voor appellante voor 1998 nader vastgesteld op 0,89%, en is appellante aangemerkt als grote werkgever.

Bij besluit van 25 juni 1999 (hierna: besluit III) heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 april 1999, waarbij door gedaagde de gedifferentieerde premie voor de WAO voor appellante voor 1999 is vastgesteld op 0,66%, en waarbij appellante is aangemerkt als grote werkgever.

De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 16 oktober 2000, voor zover hier van belang, de beroepen tegen besluit I en III ongegrond verklaard, het beroep tegen besluit II gegrond verklaard voor zover het is gericht tegen het premiepercentage, dat besluit in zoverre vernietigd, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het gedifferentieerde premiepercentage voor 1998 vastgesteld op 0,84%, en beslissingen gegeven met betrekking tot de proceskosten en het griffierecht.

Appellante is bij gemachtigden mr. G.W.B. van Westen en mr. E. Platen, beiden werkzaam bij Deloitte & Touche, op bij aanvullend beroepschrift van 5 januari 2001 van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 18 oktober 2002 - met bijlagen - zijn namens appellante nadere gronden in hoger beroep aangevoerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 november 2002, waar voor appellante is verschenen mr. F.M.E. Schuttenhelm, eveneens werkzaam bij Deloitte & Touche, en waar voor gedaagde is verschenen mr. M.A. Koenders, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellante als eiseres is aangeduid, en gedaagde als verweerder - ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

"De besloten vennootschap van eiseres is als volgt tot stand gekomen. Aanvankelijk was sprake van twee vennootschappen. Het betreft de vennootschap [vennootschap 1], welke 130 personeelsleden in dienst had en bij verweerder geregistreerd was onder het aansluitnummer 011.100.859. De tweede vennootschap betreft [vennootschap 2], welke 3 personeelsleden in dienst had en bij verweerder geregistreerd was onder aansluitnummer 011.101.328. Bij notariële akte is per 1 oktober 1997 een nieuwe vennootschap gecreëerd, met de naam [vennootschap 3]. De voormalige vennootschap [vennootschap 1] is statutair omgezet in [vennootschap 3]. Het aansluitnummer van [vennootschap 1] is door verweerder met terugwerkende kracht per 1 januari 1997 beëindigd.

De voormalige [vennootschap 2] is statutair omgezet in [bedrijfsnaam] (eiseres). Hierbij is het aansluitnummer van 011.101.328 behouden gebleven. Het personeel van de twee voormalige vennootschappen is van rechtswege met alle rechten en verplichtingen per 1 januari 1997 overgegaan naar eiseres.

Ter zitting heeft verweerder onder meer het GAK-rapport van 9 december 1997 overgelegd waaruit blijkt dat eiseres, hoewel het administratief eenvoudiger was geweest [vennootschap 1] om te zetten in eiseres, hiervoor om haar moverende redenen niet heeft gekozen.

Bij de berekening van de gedifferentieerde premie voor eiseres is verweerder uitgegaan van de loongegevens en het arbeidsongeschiktheidsverleden van de voormalige [vennootschap 2], waar slechts 3 personen in dienstbetrekking werkzaam waren.".

In besluit III heeft gedaagde ter zake het volgende overwogen, hetgeen ook geldt ten aanzien van de besluiten I en II:

"Ingevolge artikel 78 lid 4 WAO stelt het Lisv in geval van overgang van een onderneming in de zin van artikel 7:662 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement, de vastgestelde korting of opslag, bedoeld in het derde lid, opnieuw vast voor de werkgever die een onderneming of een deel ervan verkrijgt, en voor de werkgever die een deel van zijn onderneming overdraagt.

Artikel VII lid 2 van de overgangsbepalingen bij de Wet Pemba maakt een onderscheid tussen bedrijven die vóór en bedrijven die ná 1 januari 1998 zijn samengegaan. Ingevolge artikel VII lid 2 wordt onder overgang van onderneming, als bedoeld in artikel 78 lid 4 WAO, uitsluitend verstaan de overgang van onderneming die heeft plaatsgevonden op of na de dag van inwerkingtreding van de Wet Pemba. Aangezien de Wet Pemba op 1 januari 1998 in werking is getreden, geldt artikel 78 lid 4 WAO alleen voor een overgang van onderneming die op of na die datum wordt geëffectueerd. Hierbij dient aansluiting te worden gezocht bij de formele datum van samenvoeging.

(..)

In casu heeft de overgang van onderneming reeds op 1 januari 1997 heeft plaatsgevonden, waardoor de brongegevens van [vennootschap 1] niet zijn overgezet onder uw aansluitingsnummer, ofwel waardoor over de jaren 1993 tot en met 1996 de premieloonsommen van [vennootschap 1] niet zijn meegenomen voor de bepaling van de gemiddelde premieloonsom.".

De rechtbank heeft de beroepen tegen besluit I en III ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde terecht de gegevens van [vennootschap 1] niet heeft meegenomen. Het beroep tegen besluit II heeft de rechtbank, voor zover het is gericht tegen het premiepercentage, gegrond verklaard onder de overweging dat appellante met dit besluit in een ongunstiger positie is geraakt dan voordat zij bezwaar had gemaakt.

In hoger beroep heeft appellante zich bij brief van 18 oktober 2002 nader op het standpunt gesteld dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de historische gegevens in geval van een overgang van een onderneming die heeft plaats gehad vóór 1 januari 1998 niet worden meegenomen bij de berekening van de gedifferentieerde premie voor de WAO. Appellante is echter van mening dat als gevolg van haar keuze om het aansluitnummer van [vennootschap 2] te handhaven voor [bedrijfsnaam], het administratieve systeem van gedaagde de overgang van de onderneming als zodanig niet heeft herkend. Appellante dient naar haar oordeel dan ook te worden aangemerkt als startende werkgever, waarvoor ingevolge artikel 8 van het Besluit premiedifferentiatie WAO is bepaald dat voor een grote, startende werkgever een gedifferentieerde premie geldt gelijk aan de rekenpremie.

Appellante is van mening dat door deze keuze bepalend te laten zijn voor de hoogte van de gedifferentieerder premie er sprake is van willekeur en daarmee bovendien in strijd wordt gehandeld met dwingendrechtelijke bepalingen.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt voorop dat desgevraagd van de kant van appellante ter zitting is bevestigd dat met het nader ingenomen standpunt de aanvankelijk ten principale aangevoerde grieven in het aanvullend beroepschrift zijn komen te vervallen.

Primair dient derhalve de vraag te worden beantwoord of appellante voor de jaren 1998 en 1999 als startende werkgever in de zin van artikel 8 van het Besluit premiedifferentiatie WAO moet worden gemerkt.

De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden blijkt dat er ter zake slechts sprake is geweest van een statutaire wijziging welke gepaard is gegaan met een naamswijziging. Van een nieuwe onderneming waaraan bijvoorbeeld de aandelen zijn overgedragen, is op geen enkele wijze gebleken, noch is dat door appellante aannemelijk gemaakt.

Verder merkt de Raad op dat niet is gebleken dat het ter vrije keuze van een werkgever staat om een aansluitnummer al dan niet te behouden, dan wel een nieuw aansluitnummer te krijgen. Zoals van de kant van gedaagde ter zitting is bevestigd vindt toekenning van een aansluitnummer pas plaats nadat een onderzoek naar de relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot de desbetreffende werkgever heeft plaatsgevonden. De Raad acht deze gang van zaken aannemelijk en heeft geen aanwijzingen dat in het onderhavige geval anders zou zijn gehandeld. De Raad verwerpt dan ook de grief dat de keuze van de werkgever voor het aansluitnummer zonder meer bepalend zou zijn voor de hoogte van de premiedifferentiatie, alsmede de daarmee verband houdende grief dat er deswege sprake is van willekeur. De grief dat gedaagde appellante ten onrechte niet heeft gewezen op de gevolgen van die keuze behoeft in het licht van het hiervoor gestelde geen bespreking meer.

Appellante heeft voorts gesteld dat gedaagde onzorgvuldig heeft gehandeld door op 7 juli 1999 en 2 augustus 1999 besluiten te nemen, waarbij de gedifferentieerde premie ingevolge de WAO over de jaren 1998 en 1999 werd vastgesteld op respectievelijk 0,34%, en 0,13%, en appellante bij brief van 13 augustus 1999 te verzoeken deze besluiten als niet geschreven te beschouwen.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedaagde in beginsel bevoegd moet worden geacht van deze onjuiste besluiten terug te komen, en dat gedaagde in het onderhavige geval niet in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waarbij de Raad onder andere wijst op de vrij korte periode die ligt tussen de besluiten en genoemde brief.

Tenslotte heeft appellante als grief naar voren gebracht dat op het bedrag van de WAO-uitkering over de jaren 1996 en 1997 de AAW-uitkering in mindering moet worden gebracht.

Evenals de rechtbank wijst de Raad naar de destijds van toepassing zijnde wetgeving waarin was neergelegd dat indien recht bestond op zowel AAW-uitkering als WAO-uitkering, slechts de WAO-uitkering tot uitbetaling kwam. Van het in mindering brengen van AAW-uitkering op WAO-uitkering kan dan ook geen sprake zijn.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Mitsdien dient te worden beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 december 2002.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A.H. Huls.