Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AF4535

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2002
Datum publicatie
14-02-2003
Zaaknummer
01/5376 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit premiedifferentiatie WAO 4
Besluit premiedifferentiatie WAO 4
Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen VI
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 76f
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 46a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2003/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/5376 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Bedrijfsnaam], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 27 april 2000 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 november 1999, waarbij door gedaagde de gedifferentieerde premie voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor appellante voor 2000 is vastgesteld op 1,2 %, ongegrond verklaard.

De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 6 september 2001 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft bij gemachtigde mr. P. Ruitenberg, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, op bij beroepschrift aangegeven gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 7 november 2002, waar voor appellante is verschenen mr. Ruitenberg, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.A. Koenders, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Bij het bestreden besluit heeft gedaagde gehandhaafd het besluit van 24 november 1999, waarbij gedaagde bij de vaststelling van de door appellante te betalen gedifferentieerde premie voor 2000 rekening heeft gehouden met uitkeringen ingevolge de WAO die in 1998 zijn betaald aan [werknemer I] (hierna: [werknemer I]) en [werknemer II] (hierna: [werknemer II]).

Appellante heeft zich hiertegen in beroep verzet en daartoe aangevoerd dat bij de berekening van de gedifferentieerde premie buiten beschouwing moet worden gelaten dat deel van de WAO-uitkering van [werknemer I] dat in de ogen van appellante niet aan haar kan worden toegerekend, zijnde het deel dat vóór 1 januari 1998 op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidwet (AAW) aan [werknemer I] werd uitbetaald, en dat na die datum als WAO-uitkering wordt verstrekt. Ten aanzien van [werknemer II] heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid, ter zake waarvan WAO-uitkering is verstrekt, geen verband houdt met zijn dienstbetrekking.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak als haar oordeel te kennen gegeven dat gedaagde op goede gronden de WAO-uitkeringen van [werknemer I] en [werknemer II] bij de berekening van de gedifferentieerde premie voor 2000 heeft betrokken. Daartoe heeft de rechtbank ten aanzien van de uitkering van [werknemer I] het volgende overwogen:

"Artikel 76f van de WAO brengt ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas de door het Lisv te betalen uitkeringen gedurende 5 jaar vanaf de dag dat de uitkering is ingegaan.

In artikel 36a, eerste lid, van de AAW, zoals dat artikellid op 3 november 1995 luidde, is bepaald dat, indien degene die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering tevens recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet wordt uitbetaald.

Artikel 46a, eerste lid, van de WAO luidde op 3 november 1995:

"De arbeidsongeschiktheidsuitkering van degene die tevens recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet wordt verhoogd met het bedrag waarmee de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet overtreft, indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet onder toepassing van artikel 36a van die wet niet tot uitbetaling komt.".

Artikel VI van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen, Stb. 1997, 187, zoals gewijzigd bij de Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen, Stb. 1997, 794, en inwerkinggetreden op 1 januari 1998 (Invoeringswet) luidt:

"De persoon die op de dag voor inwerkingtreding van deze wet recht had op verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 46a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, behoudt deze verhoging zolang hij daar op grond van dat artikel recht op zou hebben als dat artikel en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet nog van kracht zouden zijn geweest. De verhoging wordt aangemerkt als uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.".

II.4. In het onderhavige geding gaat het bij de vaststelling van de opslag voor het jaar 2000, gelet op bovenvermelde bepalingen, om uitkeringen die zijn betaald in het jaar 1998, voor zover die uitkeringen zijn toegekend op of na 1 januari 1993 en vervolgens nog geen vijf jaar hadden gelopen.

Voor de rechtbank is vast komen te staan, althans niet betwist is, dat (ex-)werknemer [werknemer I] vanaf 3 november 1995 een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft ontvangen, te weten een gecombineerde AAW/WAO-uitkering. Ingevolge artikel 36a, eerste lid, van de AAW is vervolgens de AAW-uitkering niet uitbetaald en ingevolge artikel 46a eerste lid, van de WAO is het verschil tussen de hogere AAW-uitkering en de WAO-uitkering als WAO-uitkering uitbetaald. Na 1 januari 1998 heeft [werknemer I] die verhoging ingevolge voornoemd artikel VI van de Invoeringswet behouden.

Gelet op artikel 4, tweede en vijfde lid, van het Besluit premiedifferentiatie WAO en artikel 76f van de WAO, zoals boven reeds genoemd, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het kennelijk niet relevant is of een WAO-uitkering is toegekend op basis van artikel 19 van de WAO of op grond van de artikelen 36a AAW en 46a WAO, of vanaf 1 januari 1998 op artikel VI van de Invoeringswet. Ingevolge artikel 4, tweede lid, van het Besluit premiedifferentiatie WAO wordt immers het totaalbedrag van de ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen betrokken bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar verschillende uitkeringen c.q. toekenningsgronden. Het namens eiseres terzake aangevoerde kan dan ook geen doel treffen.".

In hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep is aangevoerd, hetgeen een herhaling is van hetgeen in bezwaar en beroep is aangevoerd, ziet de Raad geen toereikende grond om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank alsmede de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

De Raad merkt voorts op dat hij, evenals de rechtbank, in het licht van het vorenstaande geen ruimte ziet voor een analoge toepassing van artikel 4, zesde lid, van het Besluit premiedifferentiatie.

Tenslotte is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de grief met betrekking tot de WAO-uitkering van [werknemer II] evenmin kan slagen. De oorzaak van de arbeidsongeschiktheid speelt bij de premiedifferentiatie geen rol, mede ook omdat die oorzaak in de totale structuur van de arbeidsongeschiktheidswetgeving evenmin een rol speelt.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep faalt en deswege de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 december 2002.

(get.) B.J. van der Net

(get.) A.H. Huls