Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AF3794

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2002
Datum publicatie
03-02-2003
Zaaknummer
00/339 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 16
Werkloosheidswet 17
Werkloosheidswet 17a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2002, 260
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/339 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding (de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft haar echtgenoot, drs. J.A.E. van Weert, op daartoe aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Hertogenbosch op

7 december 1999 tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarbij het beroep tegen het door gedaagde op 8 januari 1999 op bezwaar gegeven besluit ongegrond is verklaard.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante is nog een stuk overgelegd en is gereageerd op een door de Raad schriftelijk gestelde vraag.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 24 juli 2002, waar namens appellante is verschenen drs. Van Weert, voornoemd, en waar gedaagde -met voorafgaand bericht- niet is verschenen.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de op die wet berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Aan de aangevallen uitspraak -waarin appellante als eiseres is aangeduid en gedaagde als verweerder- ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden, welke ook voor de Raad, gelet op de inhoud van de gedingstukken, het uitgangspunt van zijn beoordeling vormen.

" Eiseres is in dienst geweest bij taleninstituut [naam taleninstituut] te [vestigingsplaats]. Eiseres heeft tot en met vrijdag 27 juni 1997 gewoon loon ontvangen. Met ingang van maandag 30 juni 1997 heeft eiseres zich ziek gemeld. [naam taleninstituut] heeft haar vervolgens tot en met vrijdag 17 oktober 1997 bij wege van ziekengeld loon doorbetaald. Nadien is eiseres hersteld verklaard, heeft zij geen werkzaamheden meer verricht, en heeft [naam taleninstituut] haar geen loon meer betaald.

Eiseres en [naam taleninstituut] hebben in deze periode overleg gevoerd over een eventuele beëindiging van het dienstverband van eiseres. Hierover werden zij het echter niet eens aangezien eiseres vond dat [naam taleninstituut] haar een financiële vergoeding zou moeten betalen bij de beëindiging van het dienstverband, hetgeen [naam taleninstituut] weigerde. Bij brief van 21 april 1998 heeft [naam taleninstituut] eiseres opgeroepen om op 27 april 1998 weer op haar werk te verschijnen. Eiseres heeft zich vervolgens weer ziek gemeld, welke ziekmelding door [naam taleninstituut] niet is geaccepteerd. Eiseres heeft hierna een verzoek ingediend bij de kantonrechter te 's-Hertogenbosch, strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met toekenning van een financiële vergoeding aan eiseres. Bij beschikking van 3 augustus 1998 heeft de kantonrechter het dienstverband van eiseres vervolgens ontbonden met ingang van 1 september 1998, zonder toekenning van een vergoeding aan eiseres.".

Bij het bestreden besluit is gedaagde gebleven bij het standpunt dat de eerste werkloosheidsdag van appellante op 1 september 1998 viel en dat zij, daarvan uitgaande, niet voldeed aan de referte-eis, inhoudende dat in de 39 weken voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 weken arbeid als werknemer is verricht. Gedaagde heeft daarbij tevens in aanmerking genomen dat ook niet op basis van het Besluit van de Sociale Verzekeringsraad van 18 december 1986, Stcrt. 1986, 248 (Besluit gelijkstelling) aan die eis is voldaan, nu appellante in de referteperiode geen loon heeft ontvangen zonder te werken.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Zij heeft daartoe overwogen dat er weliswaar op 30 juni 1997 arbeidsurenverlies is ingetreden, nu appellante vanaf die datum niet meer gewerkt heeft, maar dat zij op dat moment niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden en zij zich pas begin september 1998 beschikbaar heeft gesteld, zodat de eerste werkloosheidsdag door gedaagde terecht op 1 september 1998 is gesteld. De rechtbank heeft daaruit geconcludeerd dat niet aan de referte-eis was voldaan nu appellante in de 39 weken voorafgaand aan die dag noch heeft gewerkt, noch zonder te werken loon heeft ontvangen, aangezien haar voormalige werkgever maar tot 17 oktober 1997 loon heeft betaald. Het feit dat appellante inmiddels een civielrechtelijke procedure is gestart tegen die werkgever om alsnog loonbetaling over de resterende duur van het dienstverband te verkrijgen, heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid, aangezien geenszins vaststaat dat die loonvordering zal worden toegewezen. Bij wijze van overweging ten overvloede heeft de rechtbank appellante er nog op gewezen dat het haar vrij staat om, indien zij als resultaat van de civiele procedure alsnog loon zal ontvangen over de referteperiode, op basis van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een nieuwe aanvraag in te dienen.

Hetgeen in hoger beroep namens appellante is aangevoerd komt erop neer dat zij stelt wel steeds beschikbaar te zijn geweest om arbeid bij haar werkgever te verrichten, maar dat het enkel aan onwil van de werkgever is te wijten dat zij niet meer heeft gewerkt. Bovendien zouden de gesprekken tussen appellante en haar werkgever, die hebben plaatsgevonden na afloop van haar ziekteperiode in 1997, volgens haar als het verrichten van arbeid moeten worden beschouwd.

De Raad kan zich in grote lijnen verenigen met het oordeel van de rechtbank en deelt de door haar bereikte conclusie. Alleen wat betreft de zienswijze dat op 30 juni 1997 arbeidsurenverlies is ingetreden kan de Raad de rechtbank niet volgen. Vanaf die datum is immers tot 17 oktober 1997 in verband met ziekte het loon doorbetaald, in welk geval het in zijn algemeenheid niet in de rede ligt om aan te nemen dat sprake is van arbeidsurenverlies. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 1 maart 1994 (RSV 1994/147). Voor het overige onderschrijft de Raad de overwegingen van de rechtbank, in het bijzonder wat betreft het oordeel dat appellante eerst op 1 september 1998 voldeed aan het beschikbaarheidsvereiste. Ook bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen over de betekenis van de door appellante tegen haar ex-werkgever aanhangig gemaakte civiele procedure, welke blijkens hetgeen van haar kant ter zitting van de Raad is verklaard thans nog in appèl loopt, sluit de Raad zich geheel aan.

Mede naar aanleiding van hetgeen namens appellante in hoger beroep nog naar voren is gebracht, merkt de Raad omtrent de beschikbaarheid van appellante voorts het volgende op. In de eerste plaats is namens appellante expliciet en bij herhaling gesteld dat zij tijdens het dienstverband met haar voormalige werkgever nooit beschikbaar is geweest voor werk elders. Wel stelt zij bereid te zijn geweest om haar eigen werk te hervatten. Uit de voorhanden gegevens kan de Raad evenwel niet afleiden dat zulks het geval is geweest. Niet alleen bevindt zich onder de gedingstukken geen geschrift waarin zij uitdrukkelijk bij haar werkgever haar diensten aanbiedt, maar ook wijst de gang van zaken zoals die uit de stukken naar voren komt, niet in de richting van beschikbaarheid. De aanleiding tot het staken van appellantes werkzaamheden was immers gelegen in de afwijzing van haar verzoek om onbetaald verlof, terwijl de besprekingen die vanaf medio oktober 1997 hebben plaatsgevonden in hoofdzaak betrekking hadden op de voorwaarden waaronder de dienstbetrekking zou eindigen. Het is de Raad in dit verband niet ontgaan dat de betrokken partijen in november respectievelijk december 1997 hebben uitgesproken dat voortzetting van de arbeidsrelatie niet meer mogelijk was. Dat door de advocaat van appellante bij brief van 10 april 1998 aan de advocaat van de werkgever is meegedeeld dat appellante steeds bereid is geweest om de overeengekomen werkzaamheden te verrichten, leidt de Raad niet tot een ander oordeel, nu die brief niet los gezien kan worden van de pogingen van appellante om een beëindigingsvergoeding uit het vuur te slepen, terwijl zij bovendien -door een niet door de werkgever geaccepteerde ziekmelding- geen gevolg heeft gegeven aan een kort nadien gegeven opdracht om het werk te hervatten.

De Raad merkt naar aanleiding van hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd nog op dat het voeren van onderhandelingen over het voortzetten dan wel beëindigen van de arbeidsverhouding bezwaarlijk als het verrichten van arbeid als werknemer kan worden aangemerkt, nu zulks niet de prestatie vormt welke zij op basis van de arbeidsovereenkomst diende te leveren.

De Raad komt derhalve met de rechtbank tot de slotsom dat appellante ten aanzien van de op 1 september 1998 ingetreden werkloosheid niet aan de referte-eis voor het recht op WW-uitkering voldeed, zodat gedaagde haar op goede gronden uitkering heeft ontzegd. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. Th.M. Schelfhout en mr. P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 september 2002.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

AP39