Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AF3599

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2002
Datum publicatie
30-01-2003
Zaaknummer
00/1157 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 59a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/1157 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 27 januari 2000, kenmerk JZ/@80/2000/29, ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft mr. R.E.F. Bergwerf Bok, advocaat te Arnhem, namens eiseres beroep ingesteld bij de Raad. In een aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich niet met het besluit kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Nadien is de Raad namens eiseres nog nader geïnformeerd bij brief - met bijlagen - van 5 oktober 2001.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 14 november 2002. Aldaar is eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.E.F. Bergwerf Bok voornoemd als haar raadsvrouwe. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door C.J. van der Zaan, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Uit de gedingstukken leidt de Raad af dat aan eiseres met ingang van 1 december 1990 een periodieke uitkering in de zin van de Wet is toegekend naar een grondslag van ¦ 2.767,- per maand, gerekend naar het jaar waarin de uitkering inging.

Bij berekeningsbeschikkingen van 29 januari 1999, zoals toegelicht bij nader bericht van 21 april 1999, is de uitkering waarop eiseres over 1997 recht had definitief vastgesteld en is de uitkering waarop zij over 1998 en 1999 recht kon doen gelden nader voorlopig vastgesteld. Bij deze berekeningsbeschikkingen heeft verweerster beslist dat een jaarlijks door ZwitserLeven uitgekeerde lijfrente van ¦ 12.416,- bruto, die eiseres in september 1997 voor het eerst ontvangen heeft, met toepassing van artikel 19, eerste lid, onder d, van de Wet in gelijke maandelijkse termijnen volledig op haar periodieke uitkering in mindering wordt gebracht. Besloten is verder dat hetgeen ingevolge de definitieve berekeningsbeschikking over 1997 te veel aan eiseres werd uitbetaald in maandelijkse termijnen van ¦ 244,20 zal worden verrekend met de tot ¦ 353,23 per maand verlaagde, lopende uitkering van eiseres.

Bij besluit van 31 mei 1999 heeft verweerster haar berekeningsbeschikkingen van 29 januari 1999, na door eiseres gemaakt bezwaar, herroepen voor zover daarbij besloten was om in verband met genoemde lijfrente-uitkering ook een bedrag te korten over de periode januari 1997 tot en met augustus 1997. Voor het overige zijn de berekeningsbeschikkingen van 29 januari 1999 bij het besluit van 31 mei 1999 gehandhaafd. Hiertegen heeft eiseres geen beroep ingesteld. Bij berekeningsbeschikkingen van 30 juli 1999 is de uitkering waarop eiseres over 1998 recht had definitief vastgesteld en is de uitkering waarop zij over 1999 recht kon doen gelden nader voorlopig vastgesteld. Ook hiertegen heeft eiseres geen rechtsmiddel aangewend.

Bij berekeningsbeschikking van 30 november 1999 heeft verweerster de uitkering waarop eiseres over 1999 recht kon doen gelden opnieuw nader voorlopig vastgesteld. Bij deze berekeningsbeschikking is beslist dat de uitkering die met ingang van maart 1999 op grond van de Algemene nabestaandenwet aan eiseres is toegekend met toepassing van artikel 19, lid 1, onder d, van de Wet op haar periodieke uitkering in mindering wordt gebracht. Tengevolge hiervan is de periodieke uitkering van eiseres verlaagd tot ¦ 16,51 per maand. Omdat verrekening van het restant van de reeds eerder vastgestelde schuld van eiseres hierdoor niet meer binnen een redelijke geachte termijn mogelijk was, heeft verweerster bij de berekeningsbeschikking van 30 november 1999, zoals toegelicht bij nader bericht van 11 november 1999, van eiseres gevorderd om van hetgeen over 1997 en 1998 te veel aan haar werd uitbetaald vanaf december 1999 maandelijks minimaal ¦ 350,- terug te storten.

Tegen de berekeningsbeschikking van 30 november 1999 heeft eiseres bij brief van 8 december 1999 bij verweerster bezwaar gemaakt. Eiseres heeft in dit verband verzocht om haar periodieke uitkering in elk geval vanaf oktober 1997 te verhogen vanwege de lasten die drukten op het inkomen van haar in maart 1999 overleden partner

H.T.J. Verstegen. Verder heeft eiseres gesteld dat haar schuld over 1997 en 1998 door nalatigheid van verweerster onnodig is opgelopen en dat een aflossing op deze schuld van ¦ 350,- per maand een te groot beslag legt op haar besteedbaar inkomen.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van eiseres van 8 december 1999 gegrond verklaard voor zover het de wijze van terugvordering betreft van hetgeen te veel aan haar is uitbetaald. Vastgesteld is daarbij dat eiseres kan volstaan met een maandelijkse terugstorting van minimaal ¦ 250,-. Voor het overige is het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, onder de overweging dat bij de berekenings-beschikking van 30 november 1999 ten aanzien van de berekening van de hoogte van de periodieke uitkering van eiseres over tijdvakken gelegen voor maart 1999 geen besluit is genomen in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

In beroep heeft eiseres het standpunt ingenomen dat verweerster bij de vaststelling van de inkomsten uit vermogen van eiseres uitgaat van een te hoog vermogen, dat verweerster ten onrechte de vanaf 1997 door ZwitserLeven aan eiseres uitgekeerde lijfrente volledig op haar periodieke uitkering in mindering heeft gebracht en dat verweerster gehouden is een en ander alsnog te corrigeren. Verder heeft eiseres aangevoerd dat zij niet in staat is om per maand meer dan ¦ 100,- af te lossen op haar schuld aan verweerster.

Gelet op de inhoud van het thans bestreden besluit en hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, ziet de Raad zich allereerst gesteld voor de vraag of verweerster het door eiseres ingediende bezwaar bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard voor zover het betrekking heeft op de berekening van de hoogte van de periodieke uitkering van eiseres over tijdvakken gelegen voor maart 1999. Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

In artikel 44, eerste lid, van de Wet is bepaald dat tegen een op grond van de Wet genomen besluit door een belanghebbende beroep kan worden ingesteld bij de Raad.

In artikel 7:1, eerste lid, van de Awb is bepaald dat degene aan wie het recht is toegekend om tegen een besluit beroep in te stellen, alvorens beroep in te stellen, tegen dat besluit bezwaar dient te maken.

Onder een besluit wordt op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Hierbij geldt dat met het begrip rechtshandeling wordt bedoeld: een handeling, gericht op enig zelfstandig extern rechtsgevolg.

De berekeningsbeschikking van 31 november 1999 en de `toelichting' daarbij is niet gericht op enig zelfstandig extern rechtsgevolg aangaande de hoogte van de uitkering waarop eiseres vóór maart 1999 recht had of de omvang van het vermogen van eiseres, zodat deze berekening in zoverre niet kan worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

De hoogte van de uitkering waarop eiseres vóór maart 1999 recht had, en dus ook de bij de vaststelling daarvan in mindering gebrachte inkomsten uit vermogen en overige inkomsten, zijn bij beschikkingen van 31 mei 1999 en 30 juli 1999 bindend vastgesteld. Deze beschikkingen zijn in rechte onaantastbaar geworden, aangezien eiseres daartegen geen rechtsmiddel heeft aangewend.

Uit het voorgaande volgt dat verweerster terecht en op goede gronden heeft beslist dat eiseres niet-ontvankelijk is in haar bezwaar van 8 december 1999 voor zover dit betrekking heeft op de berekening van de hoogte van de periodieke uitkering van eiseres over tijdvakken gelegen voor maart 1999.

In het onderhavige geding komt de Raad uitsluitend aan een inhoudelijke beoordeling toe van hetgeen in beroep door eiseres is aangevoerd met betrekking tot het besluit om de maandelijkse aflossing van haar schuld aan verweerster vast te stellen op minimaal ¦ 250,-. De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

Zoals de gemachtigde van verweerster ter zitting heeft toegelicht, hanteert verweerster bij de terugvordering van te veel uitbetaalde bedragen op grond van artikel 59a van de Wet als vaste gedragslijn dat op verzoek van betrokkene de terugbetalingstermijnen worden vastgesteld op minimaal 10 % van de bruto uitkering per maand, indien het te veel uitgekeerde bedrag hiermee binnen zes jaar is vereffend. Als betrokkene verzoekt om vaststelling van lagere terugbetalingstermijnen, vindt een financieel onderzoek plaats naar het aanwezige vermogen en de totale inkomsten en uitgaven van betrokkene. Op basis van de resultaten van dit onderzoek vindt dan een belangenafweging plaats.

De Raad is van oordeel dat de hiervoor weergegeven vaste gedragslijn voor de toepassing van artikel 59a van de Wet, in haar algemeenheid niet onredelijk is en stelt vast dat de eiseres door verweerster aangeboden betalingsregeling daarmee overeenstemt.

Bij de toetsing van een besluit als het onderhavige dient de Raad te bezien of verweerster bij haar belangenafweging voldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheden van het individuele geval. Hoewel deze afweging niet tot uiting komt in het bestreden besluit acht de Raad het belang van eiseres hierdoor in de gegeven omstandigheden niet geschonden, nu - gelet op de voorhanden gegevens met betrekking tot de financiële situatie van eiseres ten tijde van het bestreden besluit - niet gezegd kan worden dat verweerster de hoogte van de aflossingstermijnen op een lager bedrag had dienen vast te stellen dan ¦ 250,- per maand.

Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond. Derhalve dient het door eiseres ingestelde beroep ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 december 2002.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A. Kovács.

HD

12.12